Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ4159

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-02-2013
Datum publicatie
14-03-2013
Zaaknummer
AWB 12/6200
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Er is in het kader van de AWBZ de functie Verblijf geïndiceerd. Verweerder heeft terecht aangenomen dat de functie Huishoudelijke verzorging is verdisconteerd in de geïndiceerde functie Verblijf. De vraag is echter of eiseres deze Huishoudelijke verzorging vanuit de AWBZ ook afzonderlijk gefinancierd kon krijgen nu zij niet in een AWBZ-instelling verbleef en de verblijfsfunctie daarom niet als Zorg in natura kon worden verzilverd. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. AWBZ kan daarom in dit geval niet als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 van de Wmo worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/6200

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 februari 2013 in de zaak tussen

de erven van [A], te [plaats], eisers,

(gemachtigde: mr. J.A.C. Verheyden),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: A. Vukovic).

Procesverloop

Bij besluit van 30 december 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van [A] voor een voorziening Huishoudelijke verzorging op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen, op de grond dat er sprake is van een voorliggende voorziening op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

Bij besluit van 5 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

[A] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met het beroep van de erven van [B] (AWB 12/6196) op 24 januari 2013 plaatsgevonden. Eisers en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Tevens is namens eisers verschenen [C].

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1.1 [A] is bij besluit van 31 januari 2011 door het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) met ingang van 25 november 2009 tot 24 november 2014 op grond van de AWBZ geïndiceerd voor de functies Begeleiding individueel, Persoonlijke verzorging, Verpleging en Verblijf langdurig.

1.2 [A] verbleef vanaf 6 juni 2006 tot aan haar overlijden op 22 oktober 2012 in [D] te Den Haag. [D] is niet een instelling als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van de AWBZ, waar verblijf in de zin van artikel 9, eerste lid, van het Besluit zorgaanspraken AWBZ wordt geboden. [A] ontving voor Persoonlijke verzorging via de Stichting PartiCura zorg in natura op grond van de AWBZ.

1.3 Bij besluit van 20 november 2006 heeft verweerder [A] tot 26 december 2011 geïndiceerd voor 9 uur Huishoudelijke verzorging per week op grond van de Wmo. Deze zorg werd via Zorggroep Florence geleverd als Zorg in natura. Op 4 november 2011 heeft [A] een aanvraag bij verweerder gedaan om een hernieuwde indicatiestelling voor deze Huishoudelijke verzorging.

1.4 Bij brief van 10 april 2012 heeft CZ Zorgkantoren aan [A] meegedeeld dat vanuit de AWBZ in haar situatie geen recht bestaat op vergoeding van de Huishoudelijke verzorging omdat de functie Verblijf niet als Zorg in natura wordt verzilverd omdat zij niet in een AWBZ-instelling woont. Wel is als optie genoemd de volledige AWBZ-indicatie om te zetten in een Persoonsgebonden budget (Pgb) en op die manier de kosten van de Huishoudelijke verzorging ten laste van de AWBZ te brengen.

1.5 Bij brief van 12 april 2012 heeft het CIZ aan [A] meegedeeld dat hij niet apart indiceert voor de functie Huishoudelijke verzorging en dat Huishoudelijke verzorging vanuit het budget dat voor de functie Verblijf wordt verstrekt, gefinancierd moet worden.

2. Verweerder heeft de aanvraag van [A] afgewezen. Het bestreden besluit berust op de grondslag dat sprake is van een voorliggende voorziening op grond van de AWBZ. [A] was geïndiceerd voor de functie Verblijf en daar valt volgens verweerder ook de Huishoudelijke verzorging onder. [A] had deze indicatie kunnen verzilveren door te kiezen voor een Pgb, Zorg in natura of een mengvorm. Subsidiair voert verweerder aan dat Huishoudelijke verzorging binnen [D] als algemeen gebruikelijk moet worden beschouwd. Ten slotte stelt verweerder dat het verblijf bij [D] niet als zelfstandig wonen kan worden aangemerkt en verweerder daarom geen compensatieplicht heeft.

3. Eisers betwisten in beroep dat Huishoudelijke verzorging is verdisconteerd in de functie Verblijf. Voorts voeren zij aan dat het CIZ desgevraagd geen aparte indicatie afgeeft voor de functie Huishoudelijke Verzorging en dat het Zorgkantoor heeft laten weten dat de verblijfscomponent uit het indicatiebesluit niet als Zorg in natura kan worden verzilverd omdat [A] niet in een AWBZ-instelling verbleef. Van [A] kon niet verlangd worden dat zij de volledige indicatie zou omzetten in een Pgb omdat dit in strijd is met haar keuzevrijheid om Zorg in natura of een Pgb te ontvangen en bovendien de administratieve rompslomp bij een Pgb zodanig is dat dit ook daarom niet van [A] gevergd kon worden. Subsidiair voeren eisers aan dat wel sprake is van zelfstandig wonen en dat volgens de door [A] met [D] afgesloten overeenkomst blijkt dat geen sprake is van Huishoudelijke verzorging in de kamer van [A].

4. De rechtbank overweegt het volgende.

4.1 Niet in geschil zijn de beperkingen van [A] en de noodzaak van de gevraagde voorziening.

4.2 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aangenomen dat de functie Huishoudelijke verzorging is verdisconteerd in de geïndiceerde functie Verblijf. De vraag is echter of [A] deze Huishoudelijke verzorging vanuit de AWBZ ook afzonderlijk gefinancierd kon krijgen nu zij niet in een AWBZ-instelling verbleef en de verblijfsfunctie daarom niet als Zorg in natura kon worden verzilverd. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend. Blijkens de brief van 12 april 2012 indiceert het CIZ niet afzonderlijk voor de functie Huishoudelijke verzorging maar acht hij dat verdisconteerd in de functie Verblijf. En uit de brief van CZ Zorgkantoren van 10 april 2012 volgt dat het niet mogelijk is voor de Huishoudelijke verzorging apart gefinancierd te worden vanuit de AWBZ. De rechtbank leidt uit deze brief en de daarin genoemde optie om de volledige indicatie om te zetten in een Pgb voorts af dat het niet alleen niet mogelijk is de Huishoudelijke verzorging apart als zorg in natura of in de vorm van een Pgb verstrekt te krijgen, maar ook dat het niet mogelijk is om de functie Verblijf (en dus impliciet de Huishoudelijke verzorging) via een Pgb verstrekt te krijgen, terwijl de Persoonlijke Verzorging gewoon via Zorg in natura verstrekt blijft worden.

4.3 De enige wijze waarop [A] de Huishoudelijke verzorging vanuit de AWBZ gefinancierd zou kunnen krijgen is haar hele indicatie omzetten van Zorg in natura naar een Pgb zodat ook de verblijfsfunctie (inclusief de Huishoudelijke verzorging) verzilverd kan worden. Gelet echter op de voor een zorgaanvrager bestaande keuzevrijheid tussen een voorziening in natura en een Pgb en de door [A] aangevoerde en door de rechtbank onderkende administratieve rompslomp en belasting die het beheren van een Pgb en het zelf regelen van alle zorg voor haar vormde, kon naar het oordeel van de rechtbank niet van [A] worden gevergd om de hele indicatie om te zetten in een Pgb.

4.4 Uit het voorgaande volgt dat de AWBZ niet als een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 2 van de Wmo kan worden aangemerkt.

5.1 De subsidiaire stellingname van verweerder dat Huishoudelijke verzorging binnen [D] als algemeen gebruikelijk moet worden beschouwd, onderschrijft de rechtbank niet. Blijkens de tussen [A] en [D] afgesloten “Overeenkomst tot wonen en verzorging” is niet overeengekomen dat [D] ook de door [A] bewoonde kamer zou schoonmaken of daar op andere wijze Huishoudelijke verzorging zou verlenen. Voorts is niet door verweerder gesteld of anderszins gebleken dat de woonvorm van [A] moet worden aangemerkt als een gezamenlijke/gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 19 van de Verordening individuele voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning gemeente Den Haag 2009 of in artikel 5 van de Beleidsregels hulp bij het huishouden gemeente Den Haag. Hieruit volgt dat de Huishoudelijke verzorging binnen [D] niet als algemeen gebruikelijk kan worden aangemerkt.

5.2 Verweerders standpunt dat er op grond van de Wmo geen compensatieplicht bestaat omdat [A] niet zelfstandig woonde, deelt de rechtbank evenmin. Nog daargelaten dat dit standpunt haaks staat op de in verweerders aan de rechtbank gezonden brief van 14 februari 2012 weergegeven opvatting dat het verblijf van [A] in [D] gelijk wordt gesteld met thuis wonen, volgt uit artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 6, van de Wmo noch de memorie van toelichting op dit artikel (kamerstuk 30131) dat voor verweerder geen taak op grond van de Wmo is weggelegd bij een verblijf in een instelling als [D].

6. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond is en het besluit van 5 juli 2012 wordt vernietigd. Verweerder hoeft geen nieuw besluit op bezwaar te nemen, omdat de rechtbank daarin zelf zal voorzien door te bepalen dat [A] geïndiceerd is voor de daadwerkelijk genoten Huishoudelijke verzorging voor 4 uur per week voor de periode van 26 december 2011 tot en met 21 oktober 2012.

7. Er is aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 in samenhang met artikel 7:15, tweede lid, van de Awb te veroordelen in de door eisers in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.888,-- (voor het beroep- en bezwaarschrift elk 1 punt en voor het verschijnen ter zitting en hoorzitting ook elk 1 punt, bij een zaak van gemiddeld gewicht en een waarde per punt van € 472,--).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- voorziet in de zaak zoals aangegeven in rechtsoverweging 6;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten in bezwaar en beroep ten bedrage van € 1.888,-;

- bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht, te weten € 42,-, vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Verbeek, voorzitter en mr. D. Aarts en mr. F. Arichi, leden, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden naar partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.