Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ2268

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-02-2013
Datum publicatie
26-02-2013
Zaaknummer
C-09-434353- KG ZA 13-10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Uitlevering terreurverdachte naar VS niet onrechtmatig. Geen schending art 3 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/434353 / KG ZA 13-10

Vonnis in kort geding van 26 februari 2013

in de zaak van

[Sabir K.], nader te noemen [eiser]

thans verblijvende in de [penitentiaire inrichting]

eiser,

advocaat mr. A.M. Seebregts te Rotterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als [eiser] en 'de Staat'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 12 februari 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. [eiser] heeft zowel de Nederlandse als de Pakistaanse nationaliteit.

1.2. Op of omstreeks 20 september 2010 is [eiser] in Pakistan aangehouden door de Pakistaanse autoriteiten, waarna hij aldaar in detentie is genomen.

1.3. Op 14 januari 2011 hebben de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika (hierna 'de VS') aan de Nederlandse autoriteiten verzocht om [eiser] voorlopig aan te houden met het oog op diens uitlevering aan de VS.

1.4. Op 29 april 2011 is [eiser] Pakistan uitgezet en per vliegtuig naar Nederland gestuurd. Nadat hij diezelfde dag nog aankwam op Schiphol is [eiser] voorlopig aangehouden op basis van de Uitleveringswet ('Uw').

1.5. Op 23 juni 2011 hebben de autoriteiten van de VS een verzoek tot uitlevering van [eiser] overhandigd aan de Nederlandse Ambassade te Washington (VS). Kort gezegd verdenken zij [eiser] ervan dat hij in Afghanistan voor Al Qaeda heeft gevochten tegen militaire troepen van de VS.

1.6. Bij uitspraak van 3 oktober 2011 heeft de rechtbank Rotterdam de uitlevering van [eiser] aan de VS toelaatbaar verklaard. Deze uitspraak is op 17 oktober 2011 toegezonden aan de minister van Veiligheid en Justitie (hierna 'de Minister'). In de begeleidende brief deelt de rechtbank Rotterdam - bij wijze van advies in de zin van artikel 30 lid 2 Uw - mee dat haar geen feiten of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan de uitlevering op voorhand ontraden zou moeten worden. Wel geeft zij de Minister in overweging om bij de besluitvorming aandacht te besteden aan het verweer van [eiser] dat bij uitlevering een met artikel 3 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden ('EVRM') strijdige behandeling zou kunnen plaatsvinden.

1.7. Bij arrest van 17 april 2012 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van [eiser] tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2011 verworpen.

1.8. [eiser] heeft bij brieven van 8 mei 2012 en 19 september 2012 zijn bezwaren tegen uitlevering aan de VS kenbaar gemaakt aan de Minister.

1.9. Bij beschikking van 30 november 2012 heeft de rechtbank Rotterdam de uitleveringsdetentie van [eiser] geschorst onder voorwaarden.

1.10. Bij beschikking van 20 december 2012 heeft de Minister de uitlevering van [eiser] aan de VS toegestaan, als gevolg waarvan de schorsing van de uitleveringsdetentie werd opgeheven. In de beschikking heeft de Minister aandacht besteed aan de vraag of de uitlevering van [eiser] aan de VS strijdig is met artikel 3 EVRM.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

primair:

- de Staat te verbieden [eiser] uit te leveren aan de VS;

subsidiair

- de Staat te verbieden [eiser] uit te leveren aan de VS zonder nader onderzoek naar de rol van de autoriteiten van de VS bij de folteringen die [eiser] heeft ondergaan in Pakistan;

meer subsidiair

- de Staat te verbieden [eiser] uit te leveren zonder nadere garanties te bedingen bij de autoriteiten van de VS met betrekking tot (i) de detentieomstandigheden van [eiser] in de VS, (ii) de overdracht van [eiser] naar Nederland na een eventuele veroordeling, (iii) de voortzetting van de EMDR-behandeling die [eiser] thans ondergaat;

nog meer subsidiair

- de Staat te verbieden [eiser] uit te leveren zolang niet is voldaan aan nadere - door de voorzieningenrechter te stellen - voorwaarden;

meest subsidiair

- in goede justitie een voorziening te treffen;

een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

2.2. Samengevat voert [eiser] daartoe het volgende aan.

De Staat handelt onrechtmatig door [eiser] uit te leveren aan de VS.

Daarvoor is allereerst van belang dat [eiser] tijdens zijn detentie in Pakistan gedurende de periode van 20 september 2010 tot 29 april 2011 is gefolterd. De autoriteiten van de VS waren daarbij betrokken. Die schending van artikel 3 EVRM staat in de weg aan de voorgenomen uitlevering. Daar komt bij dat de Staat - ondanks verzoek van [eiser] - heeft nagelaten (nader) onderzoek te verrichten naar die betrokkenheid van de autoriteiten van de VS, hetgeen ook een schending van artikel 3 EVRM oplevert.

Voorts kan/mag [eiser] niet worden uitgeleverd omdat hij buitengerechtelijk is overgedragen door Pakistan ('rendition'). Daarvoor is van belang dat Pakistan - anders dan Nederland - geen uitleveringsverdrag heeft gesloten met de VS. Aangenomen moet worden dat Pakistan [eiser] - op verzoek van de VS - heeft overgedragen aan Nederland, zodat [eiser] van daaruit kan worden uitgeleverd aan de VS. Het moet zo zijn dat Nederland daaraan heeft meegewerkt. Ook dienaangaande weigert de Staat - ondanks verzoek van [eiser] - (nader) onderzoek te verrichten.

Verder valt te verwachten dat de omstandigheden waaronder [eiser] - na zijn uitlevering - zal zijn gedetineerd in de VS een met artikel 3 EVRM strijdige situatie meebrengen.

Tot slot kan er niet van worden uitgegaan dat de EMDR-behandeling die [eiser] thans ondergaat wordt voortgezet na de uitlevering. Die behandeling is noodzakelijk vanwege het bij hem vastgestelde post traumatisch stress syndroom ('PTSS').

2.3. De Staat heeft de vorderingen van [eiser] gemotiveerd weersproken. Voor zover nodig zal zijn verweer hierna worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

Vooraf

3.1. Na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting heeft (de advocaat van) [eiser] - bij faxbericht, met bijlagen, van 20 februari 2013 - de voorzieningenrechter nadere/aanvullende stukken doen toekomen, met het verzoek (ook) die stukken te betrekken bij de te nemen beslissing. Artikel 13.3 van het "Procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie" luidt als volgt: "De voorzieningenrechter neemt geen kennis van berichten van een partij die hem bereiken nadat uitspraak is bepaald, tenzij blijkt dat de wederpartij en de eventuele overige partijen ermee hebben ingestemd dat het bericht ter kennis van de voorzieningenrechter wordt gebracht.". Blijkens het faxbericht van (de advocaat van) de Staat van 20 februari 2013, verzet de Staat zich ertegen dat de voorzieningenrechter nog kennis neemt van de nadere/aanvullende stukken van [eiser]. Gelet hierop zal het faxbericht, met als bijlagen de nadere/aanvullende stukken waarop [eiser] zich wil beroepen, buiten beschouwing worden gelaten bij de beoordeling van het onderhavige geschil. Aan het beroep van [eiser] op het bepaalde in artikel 1.2 van voormeld procesreglement - inhoudend dat van het reglement kan worden afgeweken indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven - wordt reeds voorbijgegaan omdat de door [eiser] aangevoerde omstandigheden op grond waarvan volgens hem kennis moet worden genomen van de betreffende stukken, geen omstandigheden betreffen in de zin van dat artikel.

3.2. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt door (zonder meer) over te gaan tot zijn uitlevering aan de VS. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit (spoedeisende) geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van die vorderingen gegeven.

3.3. Alvorens over te gaan tot de - afzonderlijke - beoordeling van de vier specifieke bezwaren van [eiser] tegen de uitlevering, zoals vermeld onder 2.2, wordt het volgende vooropgesteld.

In zaken als de onderhavige geldt ingevolge vaste jurisprudentie als uitgangspunt dat de Minister, als orgaan van de Staat, een eigen verantwoordelijkheid heeft om al dan niet tot uitlevering te besluiten, ondanks de toelaatbaarverklaring door de rechter. Die beleidsvrijheid wordt echter ingeperkt door de in het geding zijnde verplichtingen die voortvloeien uit het EVRM. Voorts wijkt een verdragsrechtelijke verplichting van de Staat tot uitlevering - zoals hier in beginsel aanwezig jegens de VS - slechts dan voor de krachtens artikel 1 EVRM op de Staat rustende verplichting om de rechten van het verdrag te verzekeren, indien (i) blijkt dat de opgeëiste persoon (in dit geval [eiser]) door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig aan hem ingevolge het EVRM toekomend recht, en (ii) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd betoog is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk. Deze uitgangspunten gelden ook in de onderhavige situatie. De VS zijn weliswaar niet toegetreden tot het EVRM maar wel tot het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten ('IVBPR'). Anders dan door de Staat is betoogd, betreft de beoordeling in de onderhavige zaak niet slechts een marginale toetsing, inhoudende de vraag of de Minister in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de uitlevering van [eiser] aan de VS toe te staan. [eiser] is tegen de beslissing van de Minister om hem uit te leveren aan de VS immers (mede) opgekomen met de stelling dat zijn uitlevering strijdig is met artikel 3 EVRM (verbod op foltering), hetgeen meebrengt dat de burgerlijke rechter deze beslissing volledig dient te toetsen aan dat artikel (zie HR 15-09-2006, LJN: AV7387).

Folteringen in Pakistan

3.4. [eiser] stelt dat hij tijdens zijn detentie in Pakistan is gefolterd en dat de autoriteiten van de VS daarbij betrokken waren. Op grond van de stukken kan er op zichzelf van worden uitgegaan dat [eiser] gedurende die periode folteringen heeft ondergaan. De Staat heeft dat ook niet - voldoende gemotiveerd - betwist. Die (enkele) omstandigheid kan echter niet in de weg staan aan de uitlevering van [eiser] aan de VS. Immers, enkel indien aangenomen moet worden dat [eiser] is gefolterd door functionarissen van de VS in verband met de zaak waarop de onderhavige uitlevering betrekking heeft, dan wel de folteringen door hen zijn uitgelokt of bewerkstelligd, komt [eiser] een beroep toe op artikel 3 EVRM in die zin dat de verzochte uitlevering zonder meer ontoelaatbaar is.

3.5. Gesteld noch gebleken is dat functionarissen van de VS [eiser] zelf hebben gefolterd, zodat daarvan ook niet zal worden uitgegaan. De vraag is derhalve of moet worden aangenomen dat functionarissen van de VS de folteringen hebben uitgelokt en/of bewerkstelligd, hetgeen volgens [eiser] het geval is geweest, maar door de Staat gemotiveerd is bestreden.

3.6. [eiser] heeft voormelde kwestie ook al aan de orde gesteld in de uitleveringsprocedure. De rechtbank Rotterdam heeft dienaangaande - bekrachtigd door de Hoge Raad - geoordeeld dat niet is gebleken van enige directe betrokkenheid van functionarissen van de VS bij de folteringen van [eiser] tijdens diens detentie in Pakistan. Dat zulks niet het geval is geweest moet dan ook in beginsel worden aangenomen. In de onderhavige procedure heeft [eiser] zich beroepen op een aantal - na de uitspraak van de rechtbank Rotterdam bekend geworden - omstandigheden ('nova'), die volgens hem meebrengen dat, al dan niet in samenhang met de reeds bekende omstandigheden, thans wel moet worden aangenomen dat de autoriteiten van de VS betrokken waren bij de folteringen. Hierin kan [eiser] echter niet worden gevolgd.

3.7. Met betrekking tot de uitspraak van het Canadese Supreme Court in een uitleveringsprocedure, waarop [eiser] zich beroept, moet met de Staat worden geoordeeld dat de verschillen tussen de zaak die heeft geleid tot die uitspraak - waarin de betrokkenheid van de autoriteiten van de VS klaarblijkelijk vaststaat - en de onderhavige zaak te groot zijn om in het voordeel van [eiser] te kunnen werken. Bovendien heeft de Staat onweersproken gesteld dat het Canadese rechtssysteem zich niet laat vergelijken met het Nederlandse rechtssysteem. Hoe dan ook, de specifieke omstandigheden van het geval die ten grondslag liggen aan de uitspraak van de Canadese rechter kunnen niet meebrengen dat ervan moet worden uitgegaan dat de autoriteiten van de VS betrokken zijn geweest bij de folteringen van [eiser] in Pakistan.

3.8. De verklaringen van twee Nederlanders, die op dezelfde plaats als [eiser] zouden zijn vastgehouden en gemarteld in Pakistan, kunnen [eiser] evenmin baten. Op grond van die - enkel in een interview met het ANP afgelegde en door de Volkskrant gepubliceerde - verklaringen kan in ieder geval niet worden aangenomen dat de autoriteiten van de VS op enige wijze betrokken zijn geweest bij de folteringen van [eiser], ook niet in samenhang met de overige door [eiser] aangevoerde omstandigheden. Daarvoor zijn die verklaringen reeds te weinig concreet voor zover het de situatie van die personen zelf betreft, laat staan voor wat betreft de situatie ten aanzien van [eiser].

3.9. Aan het beroep van [eiser] op een 'Duitser', die tegelijkertijd met [eiser] gedetineerd was in Pakistan en die de betrokkenheid van de autoriteiten van de VS bij de folteringen van [eiser] zou kunnen bevestigen, wordt reeds voorbijgegaan, omdat iedere nadere onderbouwing waaruit die betrokkenheid zou kunnen worden afgeleid ontbreekt. Hetzelfde geldt voor de verklaringen van "een hoge Taliban leider" en "de arts die de Amerikanen naar Osama bin Laden zou hebben geleid".

3.10. Het voorgaande betekent dat in het - beperkte - bestek van dit kort geding niet kan worden aangenomen dat de autoriteiten van de VS (direct) betrokken zijn geweest bij de folteringen van [eiser] in Pakistan op grond waarvan sprake zou zijn van een - voltooide - schending van artikel 3 EVRM die in de weg staat aan de uitlevering van [eiser] aan de VS.

3.11. Het beroep van [eiser] op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ('EHRM') van 13 december 2012 inzake El-Masri/Macedonië, waaruit volgens hem voortvloeit dat de Staat gehouden is een grondig onderzoek te verrichten naar een eventuele schending van artikel 3 EVRM wegens de betrokkenheid van de autoriteiten van de VS bij de folteringen, wordt verworpen. Wat de implicatie(s) van die uitspraak ook moge(n) zijn, volgens de eigen stellingen van [eiser] dient het onderzoek plaats te vinden in geval van "a reasonable suspicion", of "a basis for een prima facie case", of "an arguable claim". Niet kan worden aangenomen dat daaraan is voldaan. Zoals hiervoor al overwogen heeft [eiser] zijn stellingen immers niet voldoende nader onderbouwd. Deze zijn in ieder geval te algemeen en te weinig concreet geformuleerd om ervan uit te gaan dat aan één of meer van genoemde voorwaarden is voldaan. In feite komt het er op neer dat [eiser] zich slechts bedient van suggesties c.q. vermoedens. Daarmee kan hij niet volstaan.

Buitengerechtelijke overdracht ('rendition')

3.12. [eiser] verwijt de Staat onrechtmatig jegens hem te handelen, door mee te werken aan zijn buitengerechtelijke overdracht ('rendition'). Volgens hem is hij door Pakistan (enkel) uitgezet naar Nederland, omdat het niet mogelijk was om hem rechtstreeks uit te zetten naar de VS, terwijl het van aanvang af de bedoeling was om hem vervolgens door Nederland - ingevolge het Uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS van 24 juni 1980 - uit te leveren aan de VS. [eiser] stelt zich op het standpunt dat daarover minimaal sprake moet zijn geweest van afstemming met de Nederlandse autoriteiten.

3.13. Nog los van de vraag of de juistheid van die stelling(en) in de weg zou kunnen staan aan de uitlevering van [eiser] aan de VS, is van belang dat [eiser] zich ook in dit verband in feite enkel baseert op - niet (voldoende) nader geadstrueerde - vermoedens c.q. suggesties, hetgeen, zoals hiervoor al overwogen, niet kan worden aangemerkt als een deugdelijke onderbouwing van stellingen. Daar komt bij dat de Staat elke bemoeienis met de beslissing van de Pakistaanse autoriteiten om [eiser] uit te zetten naar Nederland gemotiveerd betwist en weerspreekt op de hoogte te zijn van de reden van uitzetting van [eiser] naar Nederland. Volgens hem hebben de Pakistaanse autoriteiten hem alleen gevraagd of er bezwaar bestaat tegen uitzetting van [eiser] naar Nederland, waarop negatief is geantwoord. Dat kan geenszins als onrechtmatig worden aangemerkt en vormt geen aanwijzing voor de juistheid van voormelde stellingen van [eiser]. Aan die stellingen zal dan ook worden voorbijgegaan. In de gegeven omstandigheden is ook in dit verband geen aanleiding voor een (nader) onderzoek, waartoe voormelde uitspraak van het EHRM van 13 december 2012 volgens [eiser] zou dwingen.

Detentieomstandigheden in de VS

3.14. [eiser] stelt zich op het standpunt dat na zijn uitlevering sprake is van een dreigende schending van artikel 3 EVRM vanwege de omstandigheden waaronder verdachten van terrorisme c.q. geweldpleging tegen militairen worden gedetineerd in de VS. In dat verband beroept hij zich in het bijzonder op de gang van zaken met betrekking tot Wesam al Delaema (hierna 'WaD'), die op min of meer dezelfde gronden als [eiser] was uitgeleverd aan de VS en aldaar is veroordeeld en ten aanzien van wie de rechtbank Rotterdam in het kader van een zogenaamde 'WOTS-procedure' aannemelijk heeft geacht dat "tijdens (een substantieel deel van) de detentie van veroordeelde in de VS sprake is geweest van zodanige slechte omstandigheden dat de detentiesituatie van de veroordeelde in de VS op wezenlijk significant negatieve wijze heeft afgeweken van de detentiesituatie van verdachten en veroordeelden in vergelijkbare zaken in Nederland". Op grond hiervan heeft de rechtbank Rotterdam de gevangenisstraf van 25 jaar, waartoe WaD in de VS was veroordeeld, omgezet in een gevangenisstraf van 8 jaar, aldus nog steeds [eiser].

3.15. Bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op het uitleveringsverdrag tussen Nederland en de VS geldt als uitgangspunt het vertrouwen dat de VS, als verzoekende staat bij de vervolging en bestraffing van [eiser], de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten welke zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR zal eerbiedigen. Dat klemt hier te meer nu de VS het VN-Verdrag tegen foltering hebben ondertekend en geratificeerd.

3.16. Voorts is van belang dat blijkens de beschikking van de Minister van 20 december 2012:

- het departement van justitie van de VS heeft toegezegd dat [eiser] niet zal worden berecht voor een militaire rechtbank, maar voor een federale rechtbank met inachtneming van alle rechten en bescherming die verdachten in soortgelijke strafzaken toekomen;

- [eiser] na zijn uitlevering niet zal worden geplaatst in enige andere gevangenis dan een reguliere penitentiaire inrichting binnen de VS;

- gewaarborgd is dat [eiser], indien hij na uitlevering in de VS tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, die straf in Nederland kan ondergaan.

3.17. Bovendien kan (enkel) op basis van de beslissing van de rechtbank Rotterdam in de zaak van WaD niet worden aangenomen dat de detentieomstandigheden van [eiser] in de VS na diens uitlevering een schending van artikel 3 EVRM zullen meebrengen. Te minder nu de rechtbank Rotterdam in zijn uitspraak (LJN: BO0296) uitdrukkelijk heeft overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat de detentiesituatie van WaD in de VS zodanig onmenselijk en vernederend is geweest dat sprake was van een flagrante schending van artikel 3 EVRM.

3.18. Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd dat [eiser] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een dreigende schending van artikel 3 EVRM.

EMDR-behandeling

3.19. Het laatste door [eiser] aangevoerde argument dat in de weg zou staan aan zijn uitlevering aan de VS betreft de EMDR-behandeling die hij thans ondergaat vanwege het bij hem vastgestelde PTSS. Deze behandeling moet worden voortgezet, hetgeen volgens [eiser] niet mogelijk is tijdens zijn detentie in de VS.

3.20. In het midden kan blijven of de EMDR-behandeling die [eiser] thans ondergaat in de VS kan worden gecontinueerd, hetgeen volgens de Staat wel degelijk het geval is. Blijkens de beschikking van 20 december 2012, zal de Minister de autoriteiten van de VS op de hoogte stellen van de gezondheidstoestand van [eiser] en aan diens uitlevering de voorwaarde verbinden dat voor de benodigde behandeling van [eiser] zorg zal worden gedragen. Op de zitting heeft de Staat die voorwaarde nader toegelicht in die zin dat [eiser] slechts zal worden uitgeleverd indien de VS garanderen dat de vereiste behandeling, die [eiser] thans ondergaat, wordt gecontinueerd tijdens zijn detentie na de uitlevering. Daarmee heeft de Staat zich jegens [eiser] verplicht om alleen tot uitlevering over te gaan indien die garantie wordt verstrekt. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de Staat die verplichting niet zal nakomen. Daartegenover staat overigens wel de plicht van [eiser] om mee te werken aan de totstandkoming van een 'overdrachtsdossier' ten behoeve van de autoriteiten van de VS met het oog op de voortzetting van de EMDR-behandeling. In die situatie kan ook het onderhavige bezwaar van [eiser] niet in de weg staan aan diens uitlevering naar de VS.

Afronding

3.21. De slotsom is dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

3.22. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen van [eiser] af;

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de Staat begroot op € 1.405,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 589,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2013.

jvl