Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ1745

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-01-2013
Datum publicatie
20-02-2013
Zaaknummer
AWB 11/39733
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit het bestreden besluit en de schriftelijke reactie van verweerder op de schriftelijke vragen van de rechtbank blijkt dat verweerder zich er voldoende van heeft vergewist dat de taalanalyse op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en voldoende inzichtelijk en concludent is. Verweerder heeft bij de besluitvorming een reactie van het BLT op de door eiseres overgelegde contra-expertise betrokken. Uit deze reactie blijkt dat het BLT de Zweedse bureaus Sprakab en Verified heeft verzocht een controle te verrichten en dat beide bureaus de bevindingen van het BLT hebben bevestigd, althans eveneens tot de conclusie zijn gekomen dat de spraak van eiseres niet valt te herleiden tot Somalië.

Dat de taalanalist geen moedertaalspreker is van het Bajuni doet er niet aan af dat hij gelet op de informatie van het BLT in staat kan worden geacht een taalanalyse bij eiseres te verrichten. Anders dan eiseres lijkt te stellen, volgt uit de Vakbijlage taalanalyse niet dat de taalanalist een moedertaalspreker moet zijn van de taal die de vreemdeling stelt te spreken.

Eiseres heeft geen gegevens verstrekt over de bij de contra-expertise ingeschakelde anonieme moedertaalspreker. Het is niet duidelijk hoe deze persoon is geselecteerd en hoe diens deskundigheid is gewaarborgd. Gelet hierop kan verweerder niet vaststellen en kan de rechtbank niet toetsen of de contra-expertise met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Bovendien neemt de conclusie in de contra-expertise de twijfel over de herkomst van eiseres niet weg, nu deze de door eiseres gestelde herkomst niet eenduidig bevestigt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Nevenlocatie Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/39733, V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 januari 2013 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. M.R.F. Berte, advocaat te Tilburg,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, thans de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A.H. Noordeloos, ambtenaar van de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Verweerder heeft bij besluit van 11 november 2011 afwijzend beslist op de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij faxbericht van 8 december 2011 beroep ingesteld.

De zaak is op 20 november 2012 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Voorts is als tolk en als getuige ter zitting verschenen [getuige].

Met ingang van 1 januari 2013 is het arrondissement Dordrecht opgegaan in het nieuwe arrondissement Rotterdam en is deze rechtbank, nevenlocatie Dordrecht, opgegaan in deze rechtbank, nevenlocatie Rotterdam. Gelet hierop wordt uitspraak gedaan door nevenlocatie Rotterdam.

Overwegingen

1. Het wettelijk kader

Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

1° doodstraf of executie;

2° folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3° ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000. Verweerder heeft bij eiseres een taalanalyse laten uitvoeren door het Bureau Land en Taal (hierna: BLT), omdat er twijfel was gerezen aan de door haar gestelde Somalische herkomst en nationaliteit. De conclusie van de taalanalyse van 25 maart 2011 is dat eiseres eenduidig tot de spraakgemeenschap binnen Kenia dan wel Tanzania is te herleiden. Gezien deze conclusie wordt geen geloof gehecht aan de verklaringen van eiseres over haar nationaliteit en herkomst. Derhalve kan evenmin geloof worden gehecht aan haar verklaringen over de problemen die zij in Somalië zou hebben ondervonden. Reeds daarom komt eiseres niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Wat eiseres in haar zienswijze heeft aangevoerd, waaronder de overgelegde contra expertise van het Lowani – Afrika Talencentrum, leidt niet tot een ander oordeel dan is verwoord in het voornemen. Op 10 november 2011 heeft het BLT een reactie gegeven op de door eiseres overgelegde contra-expertise. Verweerder verwijst naar de reactie van het BLT en concludeert aan de hand hiervan dat eiseres er niet in is geslaagd door middel van deelname aan de taalanalyse haar gestelde herkomst en nationaliteit alsnog aannemelijk te maken.

3. De gronden van beroep

Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen en voert daartoe, samengevat weergegeven, het volgende aan. Al hetgeen namens eiseres is aangevoerd, waaronder de zienswijze en de daarbij overgelegde contra-expertise, dient als herhaald en ingelast in het beroepschrift te worden beschouwd. Eiseres legt in beroep een reactie van de contra-expert op de reactie van 10 november 2011 van het BLT over, waarvan de inhoud eveneens als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd. Hieruit blijkt dat de reactie van het BLT geen stand kan houden.

Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder heeft voldaan aan de vergewisplicht van artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het Bajuni dat eiseres spreekt, is geanalyseerd door een taalanalist die deze taal niet machtig is. Het gesprek ten behoeve van de taalanalyse heeft bovendien plaatsgevonden met een tolk die deze taal evenmin machtig is en die de verklaringen van eiseres onjuist heeft vertaald. De door verweerder ingeschakelde taalanalist voldoet niet aan de vereisten zoals opgenomen in de Vakbijlage taalanalyse van het BLT. Voorts gaat het BLT eraan voorbij dat eiseres meermalen het woord ‘imi’ heeft gebruikt, wat specifiek Bajuni is, alsmede dat eiseres volgens de contra-expert, wanneer zij aan het einde van het gesprek zelf nog iets mag zeggen, dit doet op een natuurlijke manier in de Bajuni taal. Evenmin blijkt dat bij de beoordeling door verweerder is meegenomen dat eiseres een gedegen verklaring heeft gegeven voor het feit dat zij het Somalisch niet machtig is, terwijl verweerder hieraan wel vergaande consequenties verbindt. Ter onderbouwing van haar standpunt dat verweerder niet heeft voldaan aan de vergewisplicht verwijst eiseres naar de uitspraken van de rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Almelo van 30 januari 2007 (zaaknummer AWB 06/21722), nevenzittingsplaats Haarlem van 25 juli 2007 (zaaknummer AWB 06/41762) en nevenzittingsplaats Amsterdam van 8 december 2008 (zaaknummer AWB 05/51103), alsmede de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 9 september 2011 (zaaknummer 201000417/1/V4).

4. Het oordeel van de rechtbank

4.1. Uit door de rechtbank gevolgde vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 16 april 2010 met zaaknummer 200903085/1/V1 (www.raadvanstate.nl), vloeit het volgende voort.

Indien bij verweerder twijfel is gerezen over de door een vreemdeling gestelde herkomst en als gevolg daarvan over diens gestelde identiteit en nationaliteit, kan verweerder, door een taalanalyse te laten verrichten, de desbetreffende vreemdeling tegemoetkomen in de op hem ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 rustende last om het door hem gestelde aannemelijk te maken.

In beginsel mag ervan worden uitgegaan dat een vanwege verweerder door het inzetten van het BLT verrichte taalanalyse tot stand is gekomen onder gedeelde verantwoordelijkheid van een ter zake deskundige linguïst die bij voormeld bureau in dienst is en van wie de kwaliteit voldoende is gewaarborgd en een extern ingeschakelde taalanalist die op zorgvuldige wijze is geselecteerd en onder voortdurende kwaliteitscontrole staat. Niettemin dient verweerder, indien en voor zover hij tot het laten verrichten van een taalanalyse overgaat en deze aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2 van de Awb van te vergewissen dat de taalanalyse – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is.

Indien de taalanalyse zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is, kan de desbetreffende vreemdeling, gegeven de ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 op hem rustende last, de bij verweerder gerezen en door de taalanalyse niet weggenomen twijfel slechts door het laten verrichten van een contra-expertise alsnog trachten weg te nemen. Daartoe kan hij de opname van het ten behoeve van de taalanalyse gevoerde gesprek door een deskundige laten beoordelen. Om als contra-expertise te kunnen dienen, moet de op verzoek van een vreemdeling verrichte taalanalyse eveneens zorgvuldig, inzichtelijk en concludent zijn. Indien de uitkomst van de contra-expertise de door de desbetreffende vreemdeling gestelde herkomst niet bevestigt, wordt – gelet op artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 – de gerezen twijfel niet weggenomen.

4.2. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het bestreden besluit en de schriftelijke reactie van verweerder van 3 juli 2012 op de schriftelijke vragen van de rechtbank van 6 juni 2012 dat verweerder zich er voldoende van heeft vergewist dat de taalanalyse op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en voldoende inzichtelijk en concludent is. Hierbij is van belang dat verweerder ter voorbereiding van het bestreden besluit het BLT om een reactie heeft verzocht op de door eiseres overgelegde contra-expertise en deze reactie van 10 november 2011 bij de besluitvorming heeft betrokken. Bovendien blijkt uit deze reactie dat het BLT de Zweedse bureaus Sprakab en Verified heeft verzocht een controle te verrichten en dat beide bureaus de bevindingen van het BLT hebben bevestigd, althans evenals het BLT tot de conclusie zijn gekomen dat de spraak van eiseres niet valt te herleiden tot Somalië. Verweerder heeft de rapporten van Sprakab en Verified overgelegd bij brief van 3 juli 2012.

Eiseres stelt dat het onzorgvuldig is dat de tolk die bij het gesprek ten behoeve van de taalanalyse is ingezet het Bajuni niet machtig is en verklaringen van eiseres onjuist heeft vertaald, terwijl op basis van dat gesprek de door eiseres gesproken Bajuni taal is geanalyseerd. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiseres door de tolk zodanig is beïnvloed in haar spraak of dat de tolk verklaringen van eiseres dermate onjuist heeft vertaald dat het niet mogelijk was om op grond van dat gesprek een taalanalyse uit te voeren en een conclusie te trekken over de spraak van eiseres. Het BLT, Sprakab, Verified en de door eiseres ingeschakelde contra-expert hebben het allemaal mogelijk geacht om op basis van het met eiseres gevoerde gesprek een taalanalyse te verrichten en hieraan conclusies te verbinden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat niet is gebleken dat de taalanalist van het BLT onvoldoende deskundig zou zijn. Zoals in 4.1. is overwogen, mag ervan worden uitgegaan dat de taalanalist door het BLT op zorgvuldige wijze is geselecteerd en onder voortdurende kwaliteitscontrole staat. Dat de taalanalist geen moedertaalspreker is van het Bajuni doet er niet aan af dat hij gelet op de informatie van het BLT in staat kan worden geacht een taalanalyse bij eiseres te verrichten. De taalanalist is een moedertaalspreker van het Swahili en is volgens het BLT tijdens de selectieprocedure uitgebreid getest en in staat gebleken om authentiek Bajuni te herkennen en te onderscheiden van Swahili. Bovendien is de conclusie van de door deze taalanalist uitgevoerde taalanalyse bevestigd door de analyses van Verified en Sprakab, terwijl de analist van Verified wel een moedertaalspreker van het Bajuni is. Eiseres kan mede gelet op het voorgaande niet worden gevolgd in haar stelling dat de taalanalist van het BLT niet voldoet aan de vereisten zoals opgenomen in de Vakbijlage taalanalyse. Anders dan eiseres lijkt te stellen, volgt uit de genoemde vakbijlage niet dat de taalanalist een moedertaalspreker moet zijn van de taal die de vreemdeling stelt te spreken.

4.3. Nu de taalanalyse zorgvuldig, inzichtelijk en concludent kan worden geacht, staat gelet op hetgeen in 4.1. is overwogen vervolgens ter beoordeling of de door eiseres overgelegde contra expertise eveneens zorgvuldig, inzichtelijk en concludent is en of de uitkomst van de contra-expertise de door eiseres gestelde herkomst bevestigt. Eiseres heeft een contra expertise overgelegd van Lowani – Afrika Talencentrum die is verricht door twee personen, [naam contra-expert] en een anonieme moedertaalspreker van het Bajuni. Eiseres heeft geen gegevens verstrekt over de bij de contra-expertise ingeschakelde anonieme moedertaalspreker. Het is niet duidelijk hoe deze persoon is geselecteerd en hoe diens deskundigheid is gewaarborgd. Gelet hierop kan verweerder niet vaststellen en kan de rechtbank niet toetsen of de contra-expertise met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit het schrijven van [naam contra-expert] van 12 september 2011 kan worden afgeleid dat de inbreng van een moedertaalspreker nodig werd geacht voor de totstandkoming van de contra-expertise.

De rechtbank overweegt voorts dat de conclusie in de contra-expertise, ook indien deze gevolgd zou worden, de twijfel over de herkomst van eiseres niet wegneemt, nu deze conclusie de door eiseres gestelde herkomst niet eenduidig bevestigt. De conclusie van de contra-expertise luidt dat eiseres een moedertaalspreker van het Bajuni is en niet dat eiseres, zoals zij stelt, afkomstig is [aanduiding herkomst eiseres]. Dit is relevant, omdat het Bajuni niet alleen in Zuid Somalië wordt gesproken.

4.4. De nadere standpunten van [naam contra-expert] die eiseres in beroep heeft ingebracht, liggen in het verlengde van de contra-expertise en doen dan ook niet af aan de conclusie van verweerder dat eiseres haar herkomst met de contra-expertise niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt.

4.5. De publicaties van Derek Nurse waar eiseres zich op beroept, bevatten algemene informatie en geen contra-expertise die specifiek betrekking heeft op de spraak van eiseres. Deze publicaties doen ook overigens niet af aan de conclusie dat de taalanalyse zoals uitgevoerd door het BLT voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

4.6. Ter zitting is, op verzoek van eiseres, haar partner [getuige] gehoord als getuige. Hij heeft verklaard dat eiseres Bajuni spreekt en afkomstig is [aanduiding herkomst eiseres]. Niet is gebleken dat de partner van eiseres beschikt over deskundigheid op het gebied van spraakherkenning. Uit zijn verklaringen volgt evenmin dat hij persoonlijk heeft waargenomen dat eiseres [aanduiding herkomst eiseres] heeft gewoond. Reeds hierom doet de verklaring van deze getuige niet af aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit, zodat in het midden kan blijven of de getuigenverklaring voldoende objectief is – het gaat tenslotte om de partner van eiseres – om bij de beoordeling van het beroep te worden betrokken.

4.7. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, voorzitter, en mrs. A.P. Hameete en J.J. Klomp, leden, in aanwezigheid van mr. J. Houtman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2013.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.