Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ1720

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
20-02-2013
Zaaknummer
AWB 12/6110
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herziening bijstand op grond van vermoeden fraude. Onderzoek onzorgvuldig en motivering ondeugdelijk. Verweerder moet opnieuw beslissen op bezwaar, eerst of hij nader onderzoek wil verrichten. Als hij dat niet dat kan het besluit niet worden gehandhaafd. Termijn voor het nemen van die beslissing. Langere termijn voor het geval verweerder wel nader onderzoek gaat uitvoeren. Situatie leent zich niet voor bestuurlijke lus, daarom opdracht met boodschappenlijst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Bestuursrecht 1B

zaaknummer: AWB 12/6110

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2013 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats],

(gemachtigde: mr. D. Tap),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: I.M. Groen).

Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2011 heeft verweerder het recht van eiseres op bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb) over de periode van 26 juli 2011 tot en met 30 november 2011 herzien en een bedrag van € 525,78 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 19 december 2011 heeft verweerder het recht van eiseres op bijstand ingevolge de Wwb over de periode van 1 juli 2006 tot en met 7 augustus 2011 herzien en een bedrag van € 10.362,57 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 1 januari 2012 heeft verweerder de openstaande restantvordering van € 6.677,77 verhoogd met de daarover afgedragen belasting en premies ter grootte van € 3.684,80.

Bij besluit van 18 juni 2012 heeft verweerder de tegen die besluiten gerichte bezwaren ongegrond verklaard.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2012.

Daarbij is eiseres verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en heeft verweerder zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres ontvangt sinds 1 mei 1987 – bijstand, laatstelijk ingevolge de Wwb. Op 23 november 2010 heeft een inspecteur van het Haags Economisch Interventie Team gemeld dat de naam van eiseres voorkwam op de pachterslijst van het op 30 juli 2010 tot en met 1 augustus 2010 gehouden Milan Festival te Den Haag onder vermelding van "alg. eettent". Op 19 april 2011 is eiseres door medewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek gehoord. Bij brief van 28 april 2011 heeft verweerder eiseres gevraagd om over meerdere jaren originele bankafschriften over te leggen. Dat heeft eiseres gedaan. Bij brief van 4 juli 2011 heeft verweerder eiseres gevraagd een overzicht te maken van de betalingen die via haar bankrekening zijn gegaan voor haar kinderen. Op 26 juli 2011 heeft verweerder een huisbezoek bij eiseres afgelegd. Daarbij is gekeken naar de woonsituatie en aanwijzingen voor (zwarte) werkzaamheden. Verweerder heeft geconstateerd dat er een volledige garderobe van een dochter in de woning van eiseres aanwezig was. Verweerder bedoelt kennelijk dochter [A], hoewel in het verslag een andere dochter ([B]) genoemd wordt. Ook heeft verweerder een behoorlijke hoeveelheid cateringspullen aangetroffen. Het huisbezoek kon niet helemaal worden afgerond, omdat eiseres niet in staat bleek de schuurdeuren voor verweerder te openen. Wel heeft zij verweerder verteld dat er cateringspullen in de schuur stonden. Verweerder is aan de hand van de bevindingen van het huisbezoek tot de conclusie gekomen dat er sprake was van een inwonend kind. Ook is verweerder na inzage van de door eiseres ingeleverde bankafschriften tot de conclusie gekomen dat de bankrekening van eiseres onverklaarbare en onduidelijke geldstromen laat zien.

2. Eiseres heeft, in de kern weergegeven, betwist dat zij onjuiste inlichtingen heeft verstrekt omtrent haar woon- en leefsituatie en geen recht op bijstand meer zou hebben.

3. Verweerder heeft in het verweerschrift erkend dat aan het bestreden besluit gebreken kleven, die maken dat dit niet ongewijzigd in stand kan blijven. Zo is de terugvorderingsperiode niet correct vastgesteld en daardoor ook het bedrag niet. Anders dan verweerder meent (naar ter zitting is toegelicht), kunnen deze gebreken niet worden hersteld door het overleggen van een aangepaste standpunt over de herzieningsperiode en een daaruit voortvloeiende gewijzigde berekening van de terugvordering. Aangezien de gebreken die in ieder geval aan het bestreden besluit kleven maken dat de rechtsgevolgen van het besluit niet ongewijzigd in stand kunnen blijven, vereist herstel van de gebreken een zogeheten wijzigingsbesluit zoals bedoeld in artikel 6:18 en artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Nu verweerder zo'n besluit niet heeft genomen, zal het beroep gegrond worden verklaard reeds vanwege de door verweerder zelf erkende gebreken en het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, Awb.

4. Vervolgens dient de rechtbank een keuze te maken tussen het toepassen van de bestuurlijke lus of het opdragen van het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar. De eerste mogelijkheid zou aangewezen zijn als de reeds door verweerder erkende gebreken de enige waren die het bestreden besluit aankleven. Dat is evenwel niet het geval. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit tevens in andere opzichten onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. Dit zal hierna worden gemotiveerd. Ook daarom is het beroep gegrond en zal het bestreden besluit worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, Awb. Verweerder zal daarom worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van wat hierna zal worden overwogen.

5. Het gaat in dit beroep om een voor eiseres belastend besluit. Het is daarom in beginsel aan verweerder om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de voorwaarden voor herziening en terugvordering van bijstand. Dat betekent dat verweerder aannemelijk moet maken dat eiseres relevante informatie omtrent haar woon- en leefsituatie en haar inkomsten heeft verzwegen en dat deze verzwegen informatie tot het oordeel moet leiden dat zij over de in geding zijnde periode geen recht meer heeft op bijstand dan wel dat dit recht niet meer kan worden vastgesteld.

5.1. Het bestreden besluit berust hoofdzakelijk op verweerders veronderstelling dat eiseres in de in geding zijnde periode betrokken is geweest bij cateringactiviteiten – onder meer tijdens het Milan festival – welke activiteiten, noch de verdiensten daaruit, zij aan verweerder heeft opgegeven. Verweerder gaat ervan uit dat eiseres de pacht voor een stand op die beurs heeft betaald en bij een huisbezoek heeft verweerder vastgesteld dat de woning van eiseres voor cateringactiviteiten wordt gebruikt op grond van de in grote hoeveelheden aanwezige etenswaren alsmede plastic bestek e.d.. Het ruim bovengemiddelde waterverbruik van eiseres ziet verweerder klaarblijkelijk ook als aanwijzing voor deze activiteiten. Daarnaast zou dochter [A], ook volgens de bevindingen van het huisbezoek, bij eiseres inwonen, vanwege de aangetroffen kleding. Ten slotte zijn de onduidelijke geldstromen op de bankrekening van eiseres het gevolg van stortingen door haar dochters.

5.2. Eiseres heeft ter zitting betwist [C] van de Milan beurs de pacht te hebben betaald en heeft verder betoogd dat [C] haar zelfs niet kent. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen navraag heeft gedaan bij de organisatoren van het Milan festival, omdat dit – volgens het aan het verweerschrift gehechte rapport van [D] – veel moeite en tijd kost. Wel is een en ander via e-mail gevraagd en beantwoord, maar uit het antwoord van het Milan festival kan niet worden afgeleid wie achter de stand op dat festival heeft gestaan. Evenmin is geheel duidelijk wie de pacht voor de stand heeft betaald. Dit zou contant zijn gebeurd door [achternaam eiseres] (eiseres), aldus de e-mail, maar welke initialen bij die naam horen wordt niet vermeld. Eiseres heeft verklaard dat haar dochters [E] en [B] en de zus van eiseres [F] op de Milan beurs hebben gestaan. De betalingen zouden via haar zus zijn gegaan.

5.3. Ten aanzien van de vermeende inwoning van dochter [A] bij eiseres stelt de rechtbank vast dat verweerder geen onderzoek heeft gedaan op het adres waarop [A] in de gemeentelijke basisadministratie voorkomt. Verweerder heeft dus ook niet kunnen vaststellen dat zij daadwerkelijk niet op dat adres woonde. Voor het hoge waterverbruik dat volgens verweerder op inwoning zou duiden, heeft eiseres een plausibele verklaring gegeven. Haar dochters [B] en [E] zouden cateringactiviteiten in haar woning hebben ondernomen, omdat dat in hun eigen woningen niet mogelijk zou zijn.

5.4. Uit het dossier komt naar voren dat [B] en [E] zich inderdaad met catering bezig schijnen te houden. Verder is, voorshands onweersproken, gesteld dat zij op een flat op de vierde verdieping wonen en om die reden het huis van hun moeder gebruiken als thuisbasis voor de cateringactiviteiten. De door verweerder waargenomen feiten en omstandigheden, met inbegrip van het hoge waterverbruik, laten deze verklaring toe. Daarom had verweerder grondiger onderzoek behoren te verrichten naar de vraag wie er nu precies wel en niet achter deze activiteiten zit. In dat verband had verweerder ook de betrokken dochters om informatie kunnen vragen en had hij hen toestemming voor een bezoek aan hun woning kunnen vragen teneinde na te gaan of cateringactiviteiten daarvanuit mogelijk zijn. Verweerder dient tevens nader met bewijsmiddelen te staven dat er geknoeid zou zijn met de energiemeter in het huis van eiseres.

5.5. Over de stortingen van de dochters van bedragen op de bankrekening van eiseres, heeft eiseres verklaard dat zij haar bankrekening mochten gebruiken voor hun zaken. Die verklaring acht de rechtbank evenmin onaannemelijk, waarbij de rechtbank wel aantekent dat verweerder terecht de bewijslast van de verklaringen voor de aangetroffen betalingen bij eiseres legt. De omstandigheid dat eiseres haar rekening door derden – ook al zijn dat mogelijk haar dochters – laat gebruiken komt voor haar rekening en is bovendien iets dat zij aan verweerder had behoren te melden op grond van artikel 17 Wwb.

5.6. Verweerder heeft zijn standpunt dat de dochter [A] bij eiseres inwoont niet getracht nader te onderzoeken door te proberen deze dochter te horen of anderszins binnen de grenzen van de geoorloofde onderzoeksmethoden haar woon- en leefsituatie na te gaan.

5.7. De aard en omvang van het onderzoek dat verweerder alsnog dient te (laten) verrichten maken dat een bestuurlijke lus niet is aangewezen, omdat niet valt in te schatten hoeveel tijd ermee is gemoeid en al evenmin veel zicht bestaat op de uitkomst ervan, zodat ook geenszins vaststaat dat de gebreken aan het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk hersteld kunnen worden. Daarom draagt de rechtbank verweerder op:

- te overwegen of hij alsnog nader onderzoek wil doen naar de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden;

- als hij daartoe besluit, dit onderzoek uit te voeren;

- en dat gelet op de belasting die deze gehele procedure voor eiseres en haar familieleden meebrengt met voortvarendheid te doen;

- eiseres gelegenheid te geven te reageren op de uitkomsten van dit onderzoek;

- en op grond van de uitkomsten van dit onderzoek te besluiten of het primaire besluit wordt herroepen dan wel in gewijzigde vorm geheel of gedeeltelijk gehandhaafd.

5.8. Indien verweerder besluit af te zien van het in de vorige overweging bedoelde nader onderzoek kan hij slechts beslissen tot gegrondverklaring van het bezwaar van eiseres. In dat geval dient hij daartoe te beslissen binnen zes weken na de verzending van deze uitspraak. Indien verweerder wel overgaat tot een nader onderzoek zoals hiervoor omschreven dient hij binnen uiterlijk 16 weken na de verzending van deze uitspraak de nieuwe beslissing op bezwaar te nemen en bekend te maken.

6. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 944,--, te weten € 472,-- voor het indienen van het beroepschrift en € 472,-- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht. Omdat ten behoeve van eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak, met name hetgeen is opgedragen in overweging 5.7. en met inachtneming van de termijnen vervat in overweging 5.8.;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 944,--, welke kosten aan de griffier moeten worden vergoed;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht, te weten € 42,--, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, rechter, in aanwezigheid van mr. W. Goederee, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden naar partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.