Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ1436

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-01-2013
Datum publicatie
19-02-2013
Zaaknummer
C/09/435086 / KG ZA 13-45
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering strekt tot verbod verdere tenuitvoerlegging (t.u.l.) van gevangenisstraf. Eiser stelt dat ‘te veel’ gezeten dagen (119) in voorarrest verrekend dienen te worden met de t.u.l. van een voorwaardelijk opgelegde straf in een andere zaak.

Art. 27 ziet echter op verrekening van dagen in voorarrest t.a.v. een veroordeling tot hetzelfde feit. Daarvan is i.c. geen sprake.

Geen wettelijke grond voor verrekening. Vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/435086 / KG ZA 13-45

Vonnis in kort geding van 28 januari 2013

in de zaak van

[eiser],

verblijvende in de Penitentiaire Inrichting (PI) te [plaats instelling],

eiser,

advocaat mr. J.M. van Dam te Den Haag,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. W.M. Limborgh te Den Haag.

1.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 21 januari 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij onherroepelijk arrest van 12 maart 2010 (rolnummer 22-003109-09; hierna ook: zaak 1) heeft het gerechtshof Den Haag eiser wegens het plegen van een opiumwetdelict en een geweldsmisdrijf een gevangenisstraf opgelegd van 120 dagen waarvan 54 dagen voorwaardelijk (met een proeftijd van twee jaar).

1.2. Bij onherroepelijk vonnis van 11 juli 2012 heeft de meervoudige strafkamer van de sector strafrecht (parketnummer 09/754150-11; hierna ook: zaak 2) eiser wegens het medeplegen van een opiumwetdelict veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee maanden met -zakelijk weergegeven- aftrek van voorarrest.

1.3. In het vonnis in zaak 2 heeft de rechtbank voorts de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf van 54 dagen in zaak 1 gelast.

1.4. De omstandigheid dat eiser in zaak 2 119 dagen in voorarrest had gezeten bracht met zich dat eiser inzake zijn straf in zaak 2 niet (opnieuw) gedetineerd hoefde te worden.

1.5. Bij brief van 18 december 2012 heeft de advocaat van eiser de officier van justitie (OvJ) verzocht om het ten uitvoer gelegde deel van 54 dagen te verrekenen met de 57 dagen die eiser in zaak 2 te veel in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

1.6. Op 7 januari 2013 is eiser aangehouden in het kader van de tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Op 8 januari 2013 is de tenuitvoerlegging van meergenoemde 54 dagen gevangenisstraf aangevangen. In dit verband verblijft eiser in de PI [plaats instelling].

1.7. Bij brief van 8 januari 2013 heeft de OvJ de advocaat van eiser geantwoord dat niet tot verrekening kan worden overgegaan. Daarbij is erop gewezen dat het in het kader van de rechtsgelijkheid niet mogelijk is om tenuitvoerleggingen te verrekenen met de voorlopige hechtenis in andere strafzaken. In dat verband is gewezen op een arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2009 (LJN: BG5977) waarin is overwogen dat de omstandigheid dat de duur van de in de hoofdzaak opgelegde gevangenisstraf aanmerkelijk korter is dan de ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis niet betekent dat de tenuitvoerlegging van een (korte) vrijheidsstraf niet zou mogen worden gelast.

2.Het geschil

2.1. Eiser vordert - zakelijk weergegeven - gedaagde te verbieden tot verdere tenuitvoerlegging over te gaan van de aan eiser opgelegde gevangenisstraf van 54 dagen, zulks op straffe van een dwangsom.

2.2. Daartoe voert eiser onder meer het volgende aan.

Gedaagde handelt jegens eiser onrechtmatig. Eiser ondergaat ten onrechte de tenuitvoerlegging van 54 dagen omdat op grond van artikel 27 eerste lid Wetboek van Strafrecht (Sr) ook de aan eiser opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf in aanmerking wordt genomen. In het betreffende vonnis van de rechtbank is dat ook met zoveel woorden bepaald. Daarom had verrekening moeten plaatsvinden met de door eiser in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3.De beoordeling van het geschil

3.1. Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter -in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding- tot kennisneming van de vordering gegeven.

3.2. Vooropgesteld wordt dat in het wettelijk stelsel besloten ligt dat een veroordelende beslissing van de strafrechter, waartegen geen gewoon rechtsmiddel meer openstaat, niet alleen mag maar ook moet worden ten uitvoer gelegd. Uit artikel 561 van het Wetboek van Strafvordering volgt dat een vonnis zo spoedig mogelijk ten uitvoer gelegd wordt. Het staat gedaagde niet vrij naar eigen inzicht wijzigingen te brengen in een door de strafrechter gegeven beslissing of af te zien van (gedeeltelijke) tenuitvoerlegging van straffen, tenzij de wet daartoe een grondslag biedt. Gesteld noch gebleken is dat een bij de wet gegeven grondslag in deze zaak van toepassing is. De kennelijke stelling van eiser dat voorgenomen wetgeving mogelijkheden biedt om ook te verrekenen met tenuitvoerlegging van aanvankelijk voorwaardelijk opgelegde straffen in een andere strafzaak gaat eraan voorbij dat op dat punt geen sprake is van vigerende wetgeving. Zoals eiser heeft erkend gaat het in de onderhavige zaak immers niet om een aftrek van voorarrest met betrekking tot hetzelfde feit waarvoor hij is veroordeeld als bedoeld in artikel 27 Sr.. De betreffende rechtsoverweging in voormeld vonnis van de rechtbank van 11 juli 2012 ziet ook niet op aftrek inzake de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf in voormeld arrest van 12 maart 2010. Het beroep van eiser op een vonnis van deze rechtbank van 23 juli 2010 (LJN BN9724) gaat eraan voorbij dat die zaak niet te vergelijken is met de onderhavige omdat het in die zaak niet ging om verschillende strafzaken zoals in casu het geval is.

3.3. De vaststelling dat er geen wettelijke grond voor verrekening bestaat, betekent dat eiser niet onrechtmatig in detentie wordt gehouden. Reeds daarom moet zijn vordering worden afgewezen.

3.4. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4.De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.405,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 589,-- aan griffierecht;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2013.