Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ0997

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-01-2013
Datum publicatie
07-02-2013
Zaaknummer
12/37321, 12/37320
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:961, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

'Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen, omdat de Hongaarse autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de aanvraag. Verzoekster stelt dat overdracht aan Hongarije een schending van artikel 3 EVRM oplevert, omdat uit de door haar overgelegde stukken, te weten een rapport van Pro Asyl van 23 januari 2012, een persbericht van Pro Asyl van 15 maart 2012, een notitie van de UNHCR van oktober 2012 en een brief ECRE van 25 september 2012, blijkt dat Dublin claimanten na hun overdracht in beginsel worden gedetineerd waartegen geen effectief rechtsmiddel kan worden ingesteld. Bovendien kan verzoekster geen adequate medische zorg ontvangen, te weten driemaal per week nierdialyse. Verweerder stelt dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en heeft in dit verband verwezen naar een brief van de Hongaarse minister van Binnenlandse Zaken van 11 oktober 2012. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder niet zonder nader onderzoek onder verwijzing naar de brief van de Hongaarse minister kon uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, gelet op de door verzoekster overgelegde informatie alsmede gelet op het feit dat zij specifieke medische zorg behoeft.'

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/37321 (voorlopige voorziening)

AWB 12/37320 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 januari 2013 in de zaak tussen

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum], van Eritrese nationaliteit,

verzoekster,

(gemachtigde: mr. L. Vellenga-van Nieuwkerk, advocaat te Alkmaar),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. L.T. Krabbenborg, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage).

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen omdat Hongarije verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Voorts heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2012. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

3. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: de Verordening).

4. Ter zitting heeft verzoekster allereerst een beroep gedaan op artikel 9, tweede en derde lid, aanhef en onder c, van de Verordening. Aan verzoekster is door de Hongaarse autoriteiten een visum afgegeven, maar verzoekster is doorgereisd. Uit het dossier blijkt niet wat er met het visum is gebeurd, bijvoorbeeld of het visum is geannuleerd. Indien het visum is geannuleerd voordat verzoekster asiel heeft aangevraagd zou dat betekenen dat de Nederlandse autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag.

4.1 In artikel 9, tweede lid, van de Verordening is bepaald dat wanneer de asielzoeker houder is van een geldig visum, de lidstaat die dit visum heeft afgegeven verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, tenzij de betrokken lidstaat bij de afgifte van dit visum optrad als vertegenwoordiger of op grond van een schriftelijke machtiging van een andere lidstaat. In dat geval is deze laatste lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek. Wanneer een lidstaat, onder andere om redenen van veiligheid, vooraf de centrale autoriteiten van een andere lidstaat raadpleegt, vormt het antwoord van deze lidstaat geen schriftelijke machtiging in de zin van deze bepaling.

In artikel 9, derde lid, van de Verordening is bepaald dat wanneer de asielzoeker houder is van verscheidene geldige verblijfstitels of visa die door verschillende lidstaten zijn afgegeven, de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek achtereenvolgens berust bij

a. de lidstaat die de verblijfstitel met het langste verblijfsrecht heeft afgegeven of, indien de geldigheidsduur niet verschilt, de lidstaat die de verblijfstitel heeft afgegeven waarvan de geldigheidsduur het laatst verstrijk;

b. de lidstaat die het visum heeft afgegeven waarvan de geldigheidsduur het laatst verstrijkt, indien het om gelijksoortige visa gaat;

c. wanneer de visa verschillend van aard zijn, de lidstaat die het visum met de langste geldigheidsduur heeft afgegeven of, indien de visa dezelfde geldigheidsduur hebben, de lidstaat die het visum heeft afgegeven waarvan de geldigheidsduur het laatst verstrijkt.

4.2 De voorzieningenrechter verwerpt dit betoog van verzoekster. Allereerst biedt het dossier geen concrete aanknopingspunten voor de stelling dat het visum zou zijn geannuleerd. Integendeel, in een bericht van 2 augustus 2012 bevestigen de autoriteiten van Hongarije dat aan verzoekster een Schengenvisum is afgegeven geldig van 5 juni 2012 tot 13 augustus 2012. Voorts is niet gebleken dat Hongarije zou zijn opgetreden als vertegenwoordiger of op grond van een machtiging van Nederland als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Verordening. Het derde lid van artikel 9 geeft ten slotte een rangorde voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. Ook hierin ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat Nederland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling van de asielaanvraag.

5. Verzoekster heeft voorts aangevoerd dat overdracht aan Hongarije voor haar een reëel risico op schending van artikel 3 Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) oplevert, omdat uit de verschillende overgelegde stukken blijkt dat Dublin claimanten na hun overdracht in beginsel worden gedetineerd waartegen geen effectief rechtsmiddel kan worden aangewend. Verweerder is hier onvoldoende op ingegaan in zijn besluit. Bovendien kan verzoekster, indien zij wordt gedetineerd, geen adequate medische zorg ontvangen, te weten drie maal per week nierdialyse. Indien zij van deze medische zorg wordt onthouden dan loopt zij een risico als bedoeld in artikel 3 EVRM. Door na te laten de Hongaarse autoriteiten te melden dat zij direct na aankomst medische behandeling nodig heeft handelt verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en zal verzoekster in strijd met artikel 5 EVRM gedetineerd worden. Verzoekster verwijst in dit verband naar diverse uitspraken, waaronder een arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 23 oktober 2012 (13457/11), een arrest van het EHRM van 17 januari 2012 (8139/09) en het M.S.S.-arrest van 21 januari 2011 (30696/09). Ter onderbouwing van haar beroep op artikel 3 en 5 EVRM en onder verwijzing naar de zienswijze heeft verzoekster onder meer een rapport van Pro Asyl van 23 januari 2012 overgelegd, een persbericht van Pro Asyl van 15 maart 2012, een notitie van de UNHCR van oktober 2012 en een brief van de European Council on Refugees and Exiles (ECRE) van 25 september 2012.

In het persbericht van Pro Asyl van 15 maart 2012 staat onder meer:

‘Effektive Rechtsmittel gegen die Verhängung von Abschiebehaft werden ihnen geweigert.’

‘Es liegen viel Berichte von Asylsuchenden vor, die angeben, durch ungarische Polizeikräfte mishandelt werden zu sein.’

In de brief van ECRE van 25 september 2012 staat onder meer:

‘As regards vulnerable persons, the Hungarian authorities have inadequate infrastructures to meet their special needs for example insufficiënt medical services or rehabilitation services for torture survivors are available and problematic age assessment procedures are undertaken for unaccompanied children.’

5.1 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de Hongaarse autoriteiten expliciet hebben aangegeven middels een akkoordverklaring dat verzoekster zal worden toegelaten tot de Hongaarse asielprocedure en dat er ten aanzien van Hongarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan dat Hongarije de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en het EVRM zal naleven. Verweerder heeft in dit verband verwezen naar de brief van de Hongaarse minister van Binnenlandse Zaken van 11 oktober 2012 waarin de Hongaarse minister beklemtoont dat het naleven van de internationale verplichtingen jegens asielzoekers in het Hongaarse stelsel is gewaarborgd en dat de asielzoekers gedurende de eerste beoordelingsprocedure worden ondergebracht in een open opvanglocatie. Daaruit volgt volgens verweerder dat asielzoekers bij hun eerste aanvraag in beginsel niet worden gedetineerd. Voorts blijkt uit het rapport van Hungarian Helsinki Committee ‘Access tot Territory and Asylum Procedure in Hungary 2010’ van (onbekende datum in) 2011 dat er een rechtsmiddel tegen detentie kan worden ingesteld. Voorts is niet duidelijk hoe Pro Asyl zijn onderzoek heeft verricht. Zo geven de bronnen geen inzicht in de wijze waarop het onderzoek is verricht, blijkt uit de bronnen niet hoeveel gedetineerden zijn bevraagd dan wel welke instellingen zijn bezocht en blijkt nergens uit dat de gestelde mishandelde gedetineerden hebben geklaagd bij de Hongaarse autoriteiten dan wel dat deze informatie is geverifieerd. Bij overdracht van verzoekster aan Hongarije zal haar hulpbehoefte kenbaar worden gemaakt, aldus verweerder.

5.2 Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening, voor zover thans van belang, kan verweerder, in afwijking van het eerste lid, een bij hem ingediend asielverzoek van een onderdaan van een derde land behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

5.3 Volgens paragraaf C3/2.3.6.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, voor zover hier van belang, wordt ten principale op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgegaan dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 van het EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichting niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, van de Verordening. Het ligt op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging door verdragspartijen van het Vluchtelingenverdrag en van artikel 3 van het EVRM wordt weerlegd.

5.4 In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Hongarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan verzoekster om op grond van concrete, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat dit in dit geval wat betreft Hongarije anders is. Eerst indien verzoekster daarin is geslaagd, kan verweerder niet langer volstaan met een algemeen beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel en is het aan verweerder om concreet te weerleggen dat verzoeker de in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM genoemde risico’s loopt.

5.5 De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval niet zonder nader onderzoek kon uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zij overweegt daartoe het volgende.

5.6 Hoewel in de brief van de Hongaarse minister van 11 oktober 2012 is opgenomen dat asielzoekers niet standaard in bewaring worden gehouden maar alleen “against those aliens who were transferred under the Dublin procedure and whose application for asylum lodged in Hungary was already rejected in a final decision and against whom expulsion was ordered by the immigration authorities” en dit laatste bij verzoekster niet aan de orde lijkt, acht de voorzieningenrechter het volgende van belang. Uit de notitie van de UNHCR van oktober 2012, waarnaar verzoekster in haar zienswijze heeft verwezen en in de gronden van beroep en het verzoek heeft ingelast, staat het volgende: “UNHCR maintains its preciously expressed concerns regarding Hungary’s ongoing practise of treating the asylum claims of most Dublin transferees as subsequent applications, without guaranteed protection from removal to third countries before an examination of the merits of asylum claims”. De voorzieningenrechter maakt daaruit op, dat de Hongaarse autoriteiten de aanvraag van de meeste Dublinclaimanten als herhaalde aanvraag zien. Het is aldus niet uitgesloten dat verzoekster zal worden gedetineerd. Voorts kan uit het door verzoekster overgelegde persbericht van Pro Asyl en het rapport van Pro Asyl worden opgemaakt dat er aanknopingspunten zijn voor de stelling dat er geen effectief rechtsmiddel kan worden aangewend tegen detentie. Verweerders argument ter zitting met betrekking tot het ontbreken van bronnen bij de stellingen van Pro Asyl, volgt de voorzieningenrechter niet. In de inleiding van het rapport van Pro Asyl wordt uiteengezet hoe het onderzoek heeft plaatsgevonden en welke bronnen zijn gebruikt. Voorts ziet de reactie van de Hongaarse minister niet op het al dan niet bestaan van een effectief rechtsmiddel, zodat verweerder in dit verband met een verwijzing hiernaar niet kan volstaan. Ter zitting heeft verweerder weliswaar aangegeven dat in het rapport van de Hungarian Committee blijkt dat er wel een effectief rechtsmiddel bestaat, doch verweerder heeft het paginanummer niet kunnen geven en de voorzieningenrechter heeft niet een dergelijke zinsnede aangetroffen.

Voorts komt uit de eerdergenoemde brief van de ECRE naar voren dat voor kwetsbare personen de Hongaarse autoriteiten inadequate infrastructuur bieden om te voorzien in hun speciale behoeften. Nu de Hongaarse minister zich in zijn brief ook niet uitlaat over de toegankelijkheid van de medische zorg voor asielzoekers, kan verweerder zich niet op deze brief beroepen. De verwijzing door verweerder naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 13 november 2012 (AWB 12/24743), treft evenmin doel, nu deze uitspraak betrekking heeft op een rapport van de UNHCR van 17 oktober 2011 en niet op het persbericht van Pro Asyl van 15 maart 2012 en de brief van ECRE van 25 september 2012.

5.7 Daarnaast is niet in geschil dat verzoekster specifieke medische zorg behoeft, te weten driemaal per week een nierdialyse. Uit een door verzoekster overgelegd schrijven d.d. 12 september 2012 van de internist-nefroloog blijkt bovendien dat het achterwege blijven van behandeling haar binnen enkele dagen fataal kan worden.

Nu de brief van ECRE aanknopingspunten biedt voor de stelling dat kwetsbare personen onvoldoende hulp krijgen, heeft verweerder onvoldoende onderzocht, dat bij overdracht eiseres voldoende medische zorg zal krijgen. Verweerder heeft weliswaar gesteld, dat voorafgaande aan iedere overdracht de Hongaarse autoriteiten op de hoogte worden gebracht van de hulpbehoeften, echter dit acht de voorzieningenrechter onvoldoende. Dit geldt temeer nu verweerder ter zitting heeft aangegeven geen toezeggingen te verwachten van de Hongaarse autoriteiten. Daar komt bij dat in het claimverzoek ten onrechte is vermeld dat het een man betreft en dat betrokkene is gedetineerd.

6. Gelet op het bovenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel, dat verweerder zonder nader onderzoek niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.

7. De voorzieningenrechter zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb. Nu het beroep op grond van het vorenoverwogene gegrond zal worden verklaard behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

8. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. De voorzieningenrechter ziet gelet op de aard van het gebrek geen aanleiding de rechtsgevolgen in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.

9. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

10. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoekster heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 472,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoekster een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, worden deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 472,- in verband met het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.L.L. van den Akker, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2013.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het de hoofdzaak betreft, kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.