Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ0643

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-01-2013
Datum publicatie
05-02-2013
Zaaknummer
Awb 13 / 353
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

In verband met het ontbreken van een geregistreerde tolk heeft verweerder bij het eerste en het nader gehoor gebruik gemaakt van een niet-geregistreerde tolk die niet op de uitwijklijst staat. Volgens verweerder kunnen tolken die op de uitwijklijst staan en tolken die niet op de uitwijklijst staan als kwalitatief gelijkwaardig worden beschouwd. De kwaliteitscriteria zijn voor alle tolken gelijk, ongeacht of zij geregistreerd of niet-geregistreerd zijn. Ook beschikken alle door verweerder ingezette tolken over een verklaring omtrent het gedrag (VOG) op basis van het screeningsprofiel voor registertolken en hanteert verweerder een gedragscode die mede is gebaseerd op de gedragscode voor registertolken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in de gegeven omstandigheid afdoende aannemelijk gemaakt dat hij genoodzaakt is geweest om bij de gehoren gebruik te maken van een niet-geregistreerde tolk. Aldus is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan aan het bepaalde in artikel 28, derde lid, van de Wbtv. Nu de bewuste tolken beschikken over een VOG op basis van het screeningsprofiel voor registertolken, hetgeen door verzoeker niet is betwist, is tevens voldaan aan het bepaalde in artikel 28, vierde lid, van de Wbtv.

(...)

De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet op voorhand is uit te sluiten dat de rapportage van het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO), wat zich na zorgvuldige bestudering van de voorhanden zijnde juridische en medische stukken bereid heeft verklaard om verzoeker op korte termijn medisch te onderzoeken, een begin van een onderbouwing van het asielrelaas van verzoeker kan opleveren. Als het iMMO concludeert dat de verwondingen passen bij het gestelde relaas, dan is het vervolgens aan verweerder om een ter zake deskundige in te schakelen in het geval dat verweerder blijft twijfelen aan het relaas. Die gevolgtrekking kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden gemaakt op grond van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 maart 2010 in de zaak R.C. tegen Zweden, LJN: BM4069, meer in het bijzonder rechtsoverweging 53. De voorzieningenrechter neemt voorts hoofdstuk C14, paragraaf 3.5.2, van de Vreemdelingencirculaire 2000 in ogenschouw. Hieruit volgt dat verweerder een rapportage van het iMMO meeneemt bij de beoordeling van het asielrelaas, indien de vreemdeling de gestelde medische klachten met een dergelijk rapport heeft gestaafd. In de omstandigheden dat verweerder doorgaans belang hecht aan een rapportage van iMMO, dat iMMO de aanvraag tot het uitbrengen van een rapportage na beoordeling daarvan in behandeling heeft genomen en dat iMMO daarbij een tamelijk concrete einddatum heeft genoemd (onderzoek binnen uiterlijk drie maanden gereed), had verweerder aanleiding moeten zien de beoordeling van de asielaanvraag in de verlengde procedure te doen. Door de korte termijnen die binnen de algemene asielprocedure gelden, kon van verzoeker in redelijkheid niet meer en concretere inspanning verwacht worden om zijn relaas te onderbouwen. Het standpunt van verweerder dat het relaas ongeloofwaardig is en een medisch onderzoek aan dat standpunt op voorhand niet kan afdoen, snijdt in het licht van het vorenstaande geen hout.

Het verzoek wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/353 (voorlopige voorziening)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 januari 2013 in de zaak van

[verzoeker], geboren op 5 juli 1988 en van Oegandese nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde mr. B.M.A. Scholten,

tegen

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M.A.M. Janssen.

Procesverloop

Bij besluit van 2 januari 2013, genomen in de algemene asielprocedure, heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Verzoeker heeft op 3 januari 2013 tegen dit besluit beroep ingesteld. Dit beroepschrift is geregistreerd onder zaaknummer AWB 13/352. Tevens heeft verzoeker op diezelfde datum de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van

18 januari 2013, waar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van deze rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De voorzitter gaat eerst in op het tussen partijen bestaande geschilpunt omtrent het gebruik van een niet-geregistreerde tolk.

3. Op grond van artikel 28, eerste lid, onder d, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Wbtv) maakt de Immigratie- en Naturalisatiedienst in het kader van het vreemdelingenrecht uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers. Op grond van het derde lid van dat artikel, voor zover van belang, kan in afwijking van het eerste lid gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is of van een vertaler die geen beëdigde vertaler is, indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat. Ingevolge het vierde lid wordt, indien van het eerste of tweede lid wordt afgeweken, dit met redenen omkleed schriftelijk vastgelegd. Ingeval geen sprake is van spoedeisende inzet van een tolk of vertaler, dient deze voorafgaand aan zijn inzet een recente verklaring omtrent het gedrag dan wel een integriteitsverklaring over te leggen. Indien het vanwege de spoedeisendheid niet mogelijk is voorafgaand aan de inzet een verklaring omtrent het gedrag over te leggen, geschiedt dit na de inzet.

4. Niet in geschil is dat verweerder tijdens de gehoren niet conform artikel 28, eerste lid, onder d, van de Wbtv, gebruik heeft gemaakt van een beëdigde tolk en dat dit het gevolg is van het gegeven dat er in Nederland geen beëdigde tolken in het Luganda beschikbaar zijn. Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek in de asielprocedure onzorgvuldig is geweest, nu de door verweerder ingeschakelde tolk voorafgaand aan diens inzet niet de vereiste integriteitsverklaring, in de vorm van een verklaring omtrent het gedrag (VOG), heeft overgelegd.

5. In verband met het ontbreken van een geregistreerde tolk in het Luganda heeft verweerder bij het eerste en het nader gehoor gebruik gemaakt van een niet-geregistreerde tolk die niet op de uitwijklijst staat. Volgens verweerder kunnen tolken die op de uitwijklijst staan en tolken die niet op de uitwijklijst staan als kwalitatief gelijkwaardig worden beschouwd. De kwaliteitscriteria zijn voor alle tolken gelijk, ongeacht of zij geregistreerd of niet-geregistreerd zijn. Ook beschikken alle door verweerder ingezette tolken over een VOG op basis van het screeningsprofiel voor registertolken en hanteert verweerder een gedragscode die mede is gebaseerd op de gedragscode voor registertolken.

6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in de gegeven omstandigheid afdoende aannemelijk gemaakt dat hij genoodzaakt is geweest om bij de gehoren gebruik te maken van een niet-geregistreerde tolk. Aldus is naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldaan aan het bepaalde in artikel 28, derde lid, van de Wbtv. Nu de bewuste tolken beschikken over een VOG op basis van het screeningsprofiel voor registertolken, hetgeen door verzoeker niet is betwist, is tevens voldaan aan het bepaalde in artikel 28, vierde lid, van de Wbtv. Dat in de onderhavige zaak de VOG laatst op

29 april 2009 is verstrekt, doet daaraan niet af.

7. De voorzieningenrechter komt thans toe aan de bespreking van het geschilpunt over de medische toestand van verzoeker. Verzoeker is voorafgaand aan zijn eerste en nader gehoor onderzocht door MediFirst. Uit het advies van MediFirst van 15 november 2012 komt naar voren dat verzoeker gehoord kan worden, maar dat verzoeker zelf heeft aangegeven dat het zitten voor hem pijnlijk is. Verder is in het advies opgemerkt dat verzoeker bij het Gezondheidscentrum Asielzoekers (GCA) bekend is met lichamelijke klachten. Er zijn bij verzoeker littekens waargenomen op het rechterbovenbeen, in zijn gezicht bij de neus en op zijn linkerringvinger.

8. Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft verzoeker aangevoerd dat hij afkomstig is uit Oeganda en tot de Mulange bevolkingsgroep behoort. Zijn ouders zijn gescheiden toen hij vier jaar oud was. De vader van verzoeker is toen weggegaan. In 2005 is de moeder van verzoeker overleden. In 2007 heeft verzoeker zijn vader weer ontmoet. Zijn vader bleek beroepsmilitair te zijn; hij droeg een uniform van het regeringsleger. Hij vertelde verzoeker dat hij hout en goud kocht uit de Democratische Republiek Congo. Verzoeker heeft tussen 2007 en november 2010 ongeveer tien keer legertassen voor zijn vader bij militairen van het regeringsleger bezorgd. Verzoeker gebruikte het pasje van zijn vader om toegang te krijgen tot de kazerne. Het was een pasje van de militaire politie met daarop de naam en foto van zijn vader. Verzoeker kreeg op een gegeven moment van zijn vader te horen dat hij de militairen niet mocht vertellen dat hij een zoon van hem was. De laatste keer heeft verzoeker gekeken wat er in de tas zat. Hij zag een geweer, geld en een bebloed T-shirt met daarop de letters UPDF (United People’s Defence Forces). Verder heeft verzoeker met het pasje van zijn vader benzine gehaald bij de militaire barakken. Verzoeker heeft altijd getekend voor ontvangst van de benzine. In november 2010 kreeg verzoeker van zijn vader een geldbedrag en twee eigendomsakten van grond. Zijn vader is vervolgens verdwenen. In februari 2011 werd verzoeker opgepakt door mannen van wie hij dacht dat het vrienden van zijn vader waren. Ze vroegen waar zijn vader was en of verzoeker ooit van zijn vader een tas had gekregen om ergens naartoe te brengen. Verzoeker zei dat hij zijn vader al een poos niet meer had gezien en ontkende dat hij voor zijn vader een tas had afgeleverd. Van februari 2011 tot 9 oktober 2012 werd verzoeker op een onbekende plaats gevangen gehouden door militairen. Verzoeker werd tijdens zijn detentie mishandeld en verkracht. Er is een stukje van zijn ringvinger afgesneden en hij heeft onder meer littekens op zijn bovenbeen. Hij werd beschuldigd van landverraad, wapenbezit, samenwerking met de rebellen en diefstal van benzine van het leger. Verzoeker kreeg te horen dat zijn vader een rebel was. Verzoeker zou worden voorgeleid bij een rechter. Tijdens zijn gevangenschap raakte verzoeker bevriend met een soldaat, [persoon 1] genaamd. Met hulp van [persoon 1] wist verzoeker op 9 oktober 2012 te ontsnappen. Eind oktober 2012 heeft verzoeker zijn land van herkomst verlaten. Hij is per auto naar Kenia gegaan. Op 3 november 2012 is verzoeker op een Keniaans paspoort naar Nederland gevlogen.

9. Verweerder heeft de asielaanvraag van verzoeker afgewezen op grond van het eerste lid van artikel 31 van de Vw 2000 in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Verweerder stelt zich – kort gezegd – op het standpunt dat het aan verzoeker is toe te rekenen dat hij geen reisdocumenten heeft overgelegd, omdat verzoeker het voor de reis gebruikte paspoort en het vliegticket in Nederland heeft afgestaan aan de reisagent. Voorts is verweerder van mening dat het relaas van verzoeker positieve overtuigingskracht mist en daarom ongeloofwaardig dient te worden bevonden. Volgens verweerder bieden de littekens en medische klachten van verzoeker geen uitleg voor de geconstateerde vage en summiere verklaringen. Ook kan aan de hand hiervan geen conclusie worden getrokken omtrent de omstandigheden waaronder de littekens, dan wel klachten, zijn ontstaan. Verweerder meent derhalve dat een en ander geen aanleiding geeft tot een andere conclusie over de geloofwaardigheid van het relaas. Daarnaast is verweerder van mening dat in het geval van verzoeker geen sprake is van een ziekte in een vergevorderd en direct levensbedreigend stadium, nu verzoeker geen medische stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij onder behandeling staat.

10. De voorzieningenrechter stelt vast dat het instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek (iMMO), voorheen de Medische Onderzoeksgroep (MOG) van Amnesty International en het Meldpunt Asielzoekers met Psychische Problemen (MAPP), zich bij brief van 11 januari 2013 na zorgvuldige bestudering van de voorhanden zijnde juridische en medische stukken bereid heeft verklaard om verzoeker op korte termijn medisch te onderzoeken. Het rapport van dit onderzoek zal over uiterlijk drie maanden gereed zijn. Het doel van het medisch onderzoek is om vast te stellen of de littekens en de lichamelijke en psychische klachten passen bij martelingen die verzoeker gesteld heeft te hebben ondergaan. Tevens zal door het iMMO worden onderzocht of sprake is van psychische problematiek die van invloed kan zijn om compleet, coherent en consistent te kunnen verklaren.

11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet op voorhand is uit te sluiten dat de rapportage van het iMMO een begin van een onderbouwing van het asielrelaas van verzoeker kan opleveren. De voorzieningenrechter laat daarbij meewegen dat verzoeker heeft aangegeven dat hij nog steeds open wonden heeft rond zijn anus. Dit wordt ten dele gestaafd door het patiëntendossier van 11 januari 2013, waaruit blijkt dat hij hiervoor behandeld wordt met medicijnen en crème. Verder is niet in geschil dat verzoeker op diverse lichaamsdelen littekens heeft. Als het iMMO concludeert dat de verwondingen passen bij het gestelde relaas, dan is het vervolgens aan verweerder om een ter zake deskundige in te schakelen in het geval dat verweerder blijft twijfelen aan het relaas. Die gevolgtrekking kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter worden gemaakt op grond van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 9 maart 2010 in de zaak R.C. tegen Zweden, LJN: BM4069, meer in het bijzonder rechtsoverweging 53. De voorzieningenrechter neemt voorts hoofdstuk C14, paragraaf 3.5.2, van de Vreemdelingencirculaire 2000 in ogenschouw. Hieruit volgt dat verweerder een rapportage van het iMMO meeneemt bij de beoordeling van het asielrelaas, indien de vreemdeling de gestelde medische klachten met zo’n rapport heeft gestaafd. In de omstandigheden dat verweerder doorgaans belang hecht aan een rapportage van iMMO, dat iMMO de aanvraag tot het uitbrengen van een rapportage na beoordeling daarvan in behandeling heeft genomen en dat iMMO daarbij een tamelijk concrete einddatum heeft genoemd, had verweerder aanleiding moeten zien de beoordeling van de asielaanvraag in de verlengde procedure te doen. Door de korte termijnen die binnen de algemene asielprocedure gelden, kon van verzoeker in redelijkheid niet meer en concretere inspanning verwacht worden om zijn relaas te onderbouwen. Het standpunt van verweerder dat het relaas ongeloofwaardig is en een medisch onderzoek aan dat standpunt op voorhand niet kan afdoen, snijdt in het licht van het vorenstaande geen hout.

12. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt de voorzieningenrechter dat het beroep op voorhand niet kansloos is. Verzoeker heeft er belang bij dat verweerder de resultaten van het medisch onderzoek in de besluitvorming betrekt. Om die reden zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden toegewezen, in die zin dat verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten totdat op het beroep is beslist. De overige geschilpunten laat de voorzieningenrechter onbesproken.

13. De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van het – aanvullend – verzoekschrift; 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt van € 472,- en wegingsfactor 1).

14. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in die zin dat het verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten totdat op zijn beroepschrift is beslist;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,- te betalen aan verzoeker.

Aldus gedaan door mr. R.J.A. Schaaf als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van mr. S. Kriekaard als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2013.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschriften verzonden:

?