Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ0298

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
01-02-2013
Zaaknummer
AWB 12/25118 & 12/25119
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij de beoordeling is van belang dat sprake is van een belastend besluit waarbij de bewijslast dat sprake is van een verbreking van de (huwelijks)relatie vooreerst bij verweerder ligt. De Rb. stelt vast dat eiseres sinds haar binnenkomst in Nederland op hetzelfde GBA-adres als referent heeft verbleven en ingeschreven heeft gestaan. De Rb. is van oordeel dat verweerder gelet op de ten tijde van het bestreden besluit bekend geworden feiten of omstandigheden de beschikking in primo had dienen te heroverwegen en dat het beroep van eiseres derhalve dient te slagen. Voor dat oordeel acht de Rb. in de eerste plaats redengevend dat eiseres bij voortduring in de GBA stond ingeschreven op hetzelfde adres als referent en dat niet gebleken is dat eiseres en referente niet bij voortduring op dat adres hebben samengewoond. Verder is redengevend dat in bezwaar gebleken is dat de echtscheidingsbeschikking op verzoek van referent niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en derhalve geen juridische gelding heeft. Ten slotte is redengevend het verklaarde tijdens de hoorzitting, waaruit genoegzaam naar voren komt dat er ondanks het verzoek om echtscheiding en de brief van 9 maart 2012 niet daadwerkelijk sprake is of is geweest van een feitelijke verbreking van de relatie. De enkele verwijzing van verweerder naar eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 12 december 2005 (LJN: AU8502) is onvoldoende voor een ander oordeel, reeds omdat, anders dan in die zaak aan de orde was, in deze zaak eiseres niet op enig moment uitgeschreven is uit het GBA-register. De Rb. zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens schending van art. 7:12 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12 / 25118 (beroep)

AWB 12 / 25119 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 30 januari 2013 in de zaak tussen

[naam eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Marokkaanse nationaliteit,

eiseres, verzoekster

hierna te noemen eiseres,

(gemachtigde: mr. L. Louwerse, advocaat te Utrecht),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voorheen de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.P. Guerain, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage).

Procesverloop

Bij besluit van 11 mei 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier voor het doel “verblijf bij echtgenoot [naam echtgenoot]” met terugwerkende kracht tot 8 februari 2012 ingetrokken. Bij besluit van 31 juli 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiseres heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 december 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Voorts is verschenen de heer [naam echtgenoot] (referent). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Referent heeft de Marokkaanse en de Nederlandse nationaliteit. Hij is in Marokko op [...] 2007 met eiseres in het huwelijk getreden. Dat huwelijk is op [...] 2008 in Nederland in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) ingeschreven. Eiseres is op 21 september 2009 Nederland binnengekomen. Eiseres is op 5 oktober 2009 in bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij echtgenoot [naam echtgenoot]” in het kader van gezinsvorming. Op 14 oktober 2011 heeft referent een verzoek tot echtscheiding doen indienen bij de rechtbank Utrecht. Bij beschikking van 8 februari 2012 heeft de rechtbank de echtscheiding tussen eiseres en referent uitgesproken. Bij schrijven van 9 maart 2012 heeft referent aan verweerder gemeld bezig te zijn met een echtscheiding van eiseres. Bij besluit van 11 mei 2012 heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning ingetrokken.

Op 12 mei 2012 heeft referent aan verweerder schriftelijk medegedeeld dat de echtscheiding niet door gaat. Op 22 mei 2012 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 mei 2012. Bij brief van 4 juni 2012 zijn de aanvullende gronden van het bezwaarschrift ingebracht. Hierin is onder meer aangegeven dat het huwelijk nog immer wordt geconsumeerd aan het gemeenschappelijke woonadres waar eiseres en referent sedert 5 oktober 2009 staan ingeschreven. Bij brief van 14 juni 2012 heeft de gemachtigde van referent in de echtscheidingsprocedure aangegeven dat de echtscheidingbeschikking op verzoek van zijn cliënt niet zal worden ingeschreven. Voorts wordt aangegeven dat cliënt de echtscheidingsprocedure al eerder wilde staken, doch alvorens daartoe stappen te hebben kunnen zetten de rechtbank reeds de beschikking had geslagen. Op 19 juli 2012 is een ambtelijke hoorzitting gehouden, waarop eiseres en referent zijn verschenen. Uit het verslag blijkt onder meer dat referent het volgende heeft aangegeven. Het echtscheidingsverzoek dat heeft geleid tot de beschikking van 8 februari 2012 heeft hij ingediend omdat er thuis steeds ruzie was. Eiseres denkt dat referent nog steeds contact heeft met zijn ex-vrouw. De gedachten en handelingen van eisers vrouw komen voornamelijk voort uit jaloezie, waardoor er veel spanningen en stress ontstaan in de thuissituatie. Het gaat nu goed. Er is nog steeds wel stress, maar ze zijn altijd samen. Hij wil met eiseres getrouwd blijven en in dit huwelijk rust vinden. De voormelde amateuristische brief van 9 maart 2012 heeft referent geschreven omdat hij op dat moment weer boos was op zijn vrouw. Twee dagen later was hij niet meer jaloers.

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergunning op goede gronden is ingetrokken nu sprake is van een feitelijke verbreking van de (huwelijks)relatie. Op het moment van indienen van het verzoek tot echtscheiding op 14 oktober 2011 was sprake van verbreking van de relatie. Ter adstructie verwijst verweerder naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 12 december 2005 (LJN: AU8502). Het feit dat de echtscheidingsbeschikking niet is ingeschreven en dat eiseres en referent in de GBA op hetzelfde adres staan ingeschreven is daarbij niet doorslaggevend.

3. Eiseres voert aan dat geen sprake is van een feitelijke dan wel juridische verbreking van de relatie. De samenwoning tussen eiseres en haar echtgenoot heeft altijd bestaan. Ze staan nog altijd ingeschreven op hetzelfde GBA-adres. De echtscheidingsbeschikking is nimmer ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, mitsdien komt de beschikking te zijner tijd van rechtswege te vervallen.

3.1 Op grond van artikel 19 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) juncto artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of aan een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

3.2 In B2/9.3 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) - zoals die paragraaf luidde ten tijde van het bestreden besluit - is bepaald dat, tenzij op grond van B16 een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf kan worden verleend, de verblijfsvergunning wordt ingetrokken als sprake is van verbreking van de huwelijksrelatie. Er is sprake van een verbreking indien de huwelijksrelatie op grond waarvan verblijf was toegestaan feitelijk of juridisch is verbroken. Dit kan onder meer blijken uit het feit dat de vreemdeling en de hoofdpersoon niet meer op hetzelfde adres staan ingeschreven in de GBA.

3.3 Bij de beoordeling van de onder rechtsoverweging 3 vermelde beroepsgrond is van belang dat sprake is van een belastend besluit waarbij de bewijslast dat sprake is van een verbreking van de (huwelijks)relatie vooreerst bij verweerder ligt.

3.4 De rechtbank stelt vast dat eiseres sinds haar binnenkomst in Nederland op hetzelfde GBA-adres als referent heeft verbleven en ingeschreven heeft gestaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op de ten tijde van het bestreden besluit bekend geworden feiten of omstandigheden de beschikking in primo had dienen te heroverwegen en dat het beroep van eiseres derhalve dient te slagen. Voor dat oordeel acht de rechtbank in de eerste plaats redengevend dat eiseres bij voortduring in de GBA stond ingeschreven op hetzelfde adres als referent en dat niet gebleken is dat eiseres en referente niet bij voortduring op dat adres hebben samengewoond. Verder is redengevend dat in bezwaar gebleken is dat de echtscheidingsbeschikking op verzoek van referent niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en derhalve geen juridische gelding heeft. Ten slotte is redengevend het verklaarde tijdens de hoorzitting, waaruit genoegzaam naar voren komt dat er ondanks het verzoek om echtscheiding en de brief van 9 maart 2012 niet daadwerkelijk sprake is of is geweest van een feitelijke verbreking van de relatie. De enkele verwijzing van verweerder naar eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 12 december 2005 (LJN: AU8502) is onvoldoende voor een ander oordeel, reeds omdat, anders dan in die zaak aan de orde was, in deze zaak eiseres niet op enig moment uitgeschreven is uit het GBA-register.

4. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens schending van artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De overige gronden behoeven geen bespreking meer.

5. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt dit bedrag op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

6. Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

Verzoek om een voorlopige voorziening

7. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningen¬rechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

8. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

9. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 472,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toe¬voe¬ging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, worden deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

10. Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb gelast de voorzieningenrechter dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem in verband met het beroep;

- draagt verweerder op € 156,- aan eiseres te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht voor het beroep.

De voorzieningenrechter

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 472,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening;

- draagt verweerder op € 156,- aan eiseres te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van A.J. Vervoordeldonk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.