Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BZ0041

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
SGR 12/5713
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bpm. Bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding omdat verweerder van verkeerde datum binnenkomst is uitgegaan. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/273
FutD 2013-0326
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 12/5713

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2013 in de zaak tussen

[X], te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst [te P], verweerder.

Procesverloop

Op 19 januari 2012 heeft eiser aangifte gedaan voor de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: Bpm).

Bij uitspraak op bezwaar van 20 juni 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de voldoening op aangifte niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 november 2012.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door

[B]. Namens verweerder zijn verschenen [C] en

[D], bijgestaan door [E], [F], [G],

[H] en [I].

Ter zitting zijn tevens de beroepen behandeld die door de gemachtigde zijn ingediend met de zaaknummers: SGR 12/4188, SGR 12/4755, SGR 12/4982, SGR 12/5067, SGR 12/5198, SGR 12/5461, SGR 12/5518, SGR 12/5674, SGR 12/5731, SGR 12/5823, SGR 12/5856, SGR 12/5859, SGR 12/5861, SGR 12/5893, SGR 12/5950, SGR 12/5974, SGR 12/5976, SGR 12/6062, SGR 12/6153, SGR 12/6232, SGR 12/6265, SGR 12/6266, SGR 12/6322, SGR 12/6353, SGR 12/6407, SGR 12/6637, SGR 12/6715, SGR 12/6720, SGR 12/6730, SGR 12/7099, SGR 12/7792, SGR 12/7793, SGR 12/7794, SGR 12/7795, SGR 12/7800, SGR 12/7801, SGR 12/7818, SGR 12/8277 en SGR 12/9572

Hetgeen in die zaken is aangevoerd en overgelegd wordt geacht tevens te zijn aangevoerd en overgelegd in deze zaak.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft op 19 januari 2012 aangifte Bpm (de aangifte) gedaan ter zake van de registratie in het Nederlands kentekenregister van een personenauto van het merk BMW, type 3 serie Touring 320d Executive voor een bedrag van € 2.880.

2. Naar aanleiding van de aangifte heeft verweerder aan eiser een betalingsbericht verstrekt waarop het betalingskenmerk staat vermeld dat eiser moet gebruiken bij de voldoening van de volgens de aangifte verschuldigde belasting.

3. Het volgens de aangifte verschuldigde bedrag is op 26 januari 2012 bijgeschreven op het rekeningnummer van de Belastingdienst.

4. Bij brief van 5 maart 2012 heeft eiser pro forma bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte, dit bezwaar is door verweerder ontvangen op 6 maart 2012 en later bij brief van 5 april 2012 nader gemotiveerd.

5. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Verweerder heeft het bezwaar op grond van het Besluit van de staatssecretaris van Financiën van 16 december 2010, nr, DGB2010/6799M tevens aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en dit verzoek afgewezen.

Geschil

6. In geschil is de niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaarschrift. Eiser vindt dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard omdat hem niet kan worden verweten dat het bezwaarschrift te laat is ingediend. Ook stelt eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. Verder is de hoogte van de verschuldigde belasting in geschil en stelt eiser dat verweerder ten onrechte niet ambtshalve aan het bezwaar is tegemoet gekomen.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en vernietiging van de uitspraak op bezwaar. Ter zitting heeft eiser verzocht om terugwijzing naar verweerder teneinde een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Eiser verzoekt verweerder te veroordelen tot vergoeding van de werkelijke kosten van het bezwaar en het beroep.

7. Verweerder stelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat eiser niet binnen zes weken na de voldoening op aangifte een bezwaarschrift heeft ingediend. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

8. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

9. Artikel 22j, aanhef en onder b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, bepaalt dat de termijn voor het instellen van bezwaar aanvangt met ingang van de dag na die van de voldoening. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

10. Niet in geschil is dat de Bpm is voldaan op 26 januari 2012. De laatste dag van de bezwaartermijn is derhalve 8 maart 2012. Uit de door verweerder overgelegde stukken (het bezwaarschrift en de ontvangstbevestiging daarvan) blijkt dat het bezwaarschrift voor het einde van de bezwaartermijn, te weten op 6 maart 2012, door verweerder is ontvangen. Het bezwaarschrift is dus gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend. Verweerder is bij de uitspraak op bezwaar kennelijk uitgegaan van de motivering van het bezwaar van 5 april 2012 en heeft het bezwaarschrift ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep dient reeds om die reden gegrond te worden verklaard. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd behoeft daarom geen behandeling.

11. Nu eiser ter zitting heeft verzocht de zaak terug te wijzen naar verweerder, ziet de rechtbank geen aanleiding zelf op grond van artikel 8:72, vierde lid van de Awb in de zaak te voorzien.

Proceskosten

12. Eiser heeft verzocht om vergoeding van de werkelijke proceskosten. Voor een toekenning van een proceskostenvergoeding in afwijking van de forfaitaire bedragen van het Besluit proceskosten bestuursrecht is grond indien verweerder het verwijt treft dat hij de uitspraak op bezwaar doet, terwijl op dat moment duidelijk is dat die uitspraak in de daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (Hoge Raad 13 april 2007, nr. 41 235, LJN: BA2802, BNB 2007/260).

13. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die het oordeel rechtvaardigen dat verweerder een dergelijk verwijt kan worden gemaakt. Gezien de inhoud van het beroepschrift ging ook eiser uit van een te laat ingediend bezwaarschrift. De rechtbank wijst het verzoek om een integrale kostenvergoeding daarom af.

14. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 944 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van

€ 472 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met

inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 944, te

betalen aan eiser;

- draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht van € 156 aan eiser te

vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, mr. T. van Rij en

mr. K.M. Braun, leden, in aanwezigheid van H.J. Habetian, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 januari 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.