Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BY9850

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
30-01-2013
Zaaknummer
C/09/330891 / HA ZA 09-0579
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2015:3588, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eindvonnis van de rechtbank Den Haag over de gestelde maar betwiste aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van Shell-vennootschappen voor schade door een olielekkage in 2005 bij het dorp Oruma in Nigeria. Vervolg op LJ-nummers BK8616 en en BU3535. Zie ook NJB 2012, blzz. 400-406.

Zie ook LJN BY9845 en LJN BY9854

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2013/651
JOR 2013/162
AA20130482 met annotatie van A.A.H. van Hoek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Vonnis van 30 januari 2013

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/09/330891 / HA ZA 09-0579 van:

1. FIDELIS AYORO OGURU,

2. ALALI EFANGA,

beiden wonende te Oruma, Bayelsa State, Nigeria,

3. de vereniging met rechtspersoonlijkheid VERENIGING MILIEUDEFENSIE,

gevestigd te Amsterdam,

eisers in de hoofdzaak,

zaakadvocaat: mr. Ch. Samkalden te Amsterdam,

procesadvocaat: mr. W.P. den Hertog te Den Haag,

tegen

1. de rechtspersoon naar buitenlands recht ROYAL DUTCH SHELL PLC,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk, maar kantoorhoudende te Den Haag,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht SHELL PETROLEUM DEVELOPMENT COMPANY OF NIGERIA LTD.,

gevestigd te Port Harcourt, Rivers State, Nigeria,

gedaagden in de hoofdzaak,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk te Amsterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/09/365498 / HA ZA 10-1677 van:

1. FIDELIS AYORO OGURU,

2. ALALI EFANGA,

beiden wonende te Oruma, Bayelsa State, Nigeria,

3. de vereniging met rechtspersoonlijkheid VERENIGING MILIEUDEFENSIE,

gevestigd te Amsterdam,

eisers in de hoofdzaak,

zaakadvocaat: mr. Ch. Samkalden te Amsterdam,

advocaat: mr. W.P. den Hertog te Den Haag,

tegen

1. de naamloze vennootschap SHELL PETROLEUM N.V.,

gevestigd te Den Haag,

2. de rechtspersoon naar buitenlands recht THE "SHELL" TRANSPORT AND TRADING COMPANY LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

gedaagden in de hoofdzaak,

advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk te Amsterdam.

De rechtbank zal de procespartijen hierna "Oguru", "Efanga", "Milieudefensie", "RDS", "SPDC", "Shell Petroleum" en "Shell T&T" noemen. De eisende partijen Oguru, Efanga en Milieudefensie zullen gezamenlijk ook worden aangeduid als "Milieudefensie c.s.", en de gedaagde partijen RDS, SPDC, Shell Petroleum en Shell T&T gezamenlijk als "Shell c.s.".

1. De beide procedures

De procedure met rolnummer 09-0579

1.1. De rechtbank heeft bij het wijzen van dit vonnis rekening gehouden met de volgende processtukken, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt:

- het vonnis in het bevoegdheidsincident van 30 december 2009 (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl onder nummer LJN BK8616), en alle daarin genoemde eerdere processtukken met alle producties;

- het vonnis in het exhibitie-incident van 14 september 2011 (LJN BU3535) en alle daarin genoemde eerdere processtukken met alle producties;

- de conclusie van repliek met eiswijziging van 14 december 2011, met producties;

- de conclusie van dupliek van 14 maart 2012, met producties;

- de akte overlegging producties met eiswijziging van Milieudefensie c.s. van (feitelijk) 11 september 2012, met producties;

- de akte overlegging producties van Shell c.s. van (feitelijk) 11 september 2012, met producties;

- de pleitnota van mr. Samkalden van 11 oktober 2012;

- de pleitnota van mr. De Bie Leuveling Tjeenk van 11 oktober 2012.

De procedure met rolnummer 10-1677

1.2. De rechtbank heeft bij het wijzen van dit vonnis rekening gehouden met de volgende processtukken, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt:

- het vonnis in het exhibitie-incident van 14 september 2011 (LJN BU3535) en alle daarin genoemde eerdere processtukken met alle producties;

- de conclusie van repliek met eiswijziging van 14 december 2011, met producties;

- de conclusie van dupliek van 14 maart 2012, met producties;

- de akte overlegging producties met eiswijziging van Milieudefensie c.s. van (feitelijk) 11 september 2012, met producties;

- de akte overlegging producties van Shell c.s. van (feitelijk) 11 september 2012, met producties;

- de pleitnota van mr. Samkalden van 11 oktober 2012;

- de pleitnota van mr. De Bie Leuveling Tjeenk van 11 oktober 2012.

In beide procedures

1.3. Op 11 oktober 2012 heeft in deze twee hoofdzaken het slotpleidooi plaatsgevonden, tegelijkertijd met de slotpleidooien in de drie andere samenhangende hoofdzaken. Ter zitting van 11 oktober 2012 heeft de rechtbank de vonnisdatum in deze vijf tegelijkertijd behandelde hoofdzaken bepaald op vandaag.

2. De feiten

2.1. In Nigeria is al jarenlang sprake van grote problemen voor mens en milieu bij de oliewinning door oliemaatschappijen. Het Shell-concern, een multinational met haar hoofdkantoor in Den Haag, is één van de al jarenlang actieve oliemaatschappijen in Nigeria. Ieder jaar vinden daar vele olielekkages plaats uit oliepijpleidingen en olie-installaties. Olielekkages kunnen ontstaan door gebrekkig en/of verouderd materiaal van de oliemaatschappijen of door sabotage in combinatie met feitelijk ontoereikende beveiligingsmaatregelen. Sabotage wordt dikwijls gepleegd om olie te stelen of om compensatie van oliemaatschappijen te ontvangen voor de olievervuiling in de vorm van geld of betaalde opdrachten voor het na een olielekkage te verrichten saneringswerk.

2.2. De gedaagden Shell c.s. zijn rechtspersonen die tot het Shell-concern behoren. Tot 20 juli 2005 stonden (kort gezegd) Shell Petroleum in Den Haag en Shell T&T in Londen als moedervennootschappen samen aan het hoofd van het Shell-concern en hielden zij samen via dochtervennootschappen alle aandelen in SPDC. RDS is gevestigd in Londen maar houdt hoofdkantoor in Den Haag. RDS staat sinds 20 juli 2005 aan het hoofd van het Shell-concern en houdt sinds die datum van herstructurering van het Shell-concern via dochtervennootschappen alle aandelen in haar kleindochtervennootschap SPDC. SPDC is de Nigeriaanse rechtspersoon die zich voor het Shell-concern bezig houdt met de oliewinning in Nigeria.

2.3. Eisers Oguru en Efanga zijn twee Nigeriaanse boeren en vissers die in het dorp Oruma in Bayelsa State in Nigeria wonen. In 2005 voorzagen Oguru en Efanga daar in hun levensonderhoud door bij Oruma landbouwgrond en visvijvers te exploiteren. Eiseres Milieudefensie is een Nederlandse organisatie die zich ten doel stelt om de zorg voor het milieu wereldwijd te bevorderen en die eisers Oguru en Efanga in deze procedures steunt.

2.4. Deze twee procedures gaan kort gezegd over een specifieke olielekkage uit een ondergrondse oliepijpleiding waarvan SPDC de operator is. Deze olielekkage is op 26 juni 2005 ontstaan bij het door Oguru en Efanga bewoonde dorp Oruma. Op

29 juni 2005 heeft SPDC na een eerste verificatie van de olielekkage de oliestroom door de pijpleiding bij Oruma zoveel mogelijk stilgelegd. Op 7 juli 2005 is het lek door medewerkers van SPDC definitief gerepareerd, nadat de olie bleek te hebben gelekt uit een min of meer rond gat met een diameter van ongeveer 8 mm. Op 7 juli 2005 waren er volgens het hierna te noemen JIT-rapport naar schatting 400 vaten (barrels) olie uit de oliepijpleiding bij Oruma gelekt.

2.5. In oktober 2004 - en dus vóór het ontstaan van deze olielekkage in juni 2005 bij Oruma - had SPDC een intern rapport opgesteld over de ondergrondse (hoofd)oliepijpleiding van operator SPDC die onder meer langs Oruma loopt. Daarin is onder meer het volgende geconcludeerd:

"SPDC proposes to replace the 20"Trunkline with carbon steel pipeline due to corrosion. The corrosion was deemed "unmanageable" by a recent engineering study carried out on the line in 1999.

The fact that the line is likely to leak before the year 2003/2004 informed the decision to replace the line with carbon steel pipes with adequate provision for frequent pigging and biocide injection.

Considering the rate of corrosion observed in the old pipelines proposed for replacement, if the replacement is not carried out, then there would be a very high risk of leakage which will result in oil spill and consequent contamination of the environmental resources."

2.6. Na uiteindelijk verkregen toestemming van de lokale gemeenschap van Oruma heeft een zogenoemd Joint Investigation Team (hierna: "JIT"), waarvan vertegenwoordigers van SPDC, van Nigeriaanse overheidsinstanties en van de gemeenschap van Oruma (waaronder Efanga) deel uitmaakten, op 7 juli 2005 de olielekkage van 26 juni 2005 onderzocht. Het JIT-rapport is niet voor akkoord ondertekend door de vertegenwoordigers van de gemeenschap van Oruma, maar wel door twee vertegenwoordigers van twee Nigeriaanse overheidsinstanties en door vier vertegenwoordigers van SPDC. In het A-deel van het JIT-rapport is over de oorzaak van deze olielekkage bij Oruma onder meer het volgende opgenomen:

Evidence of Previous Excavation: Yes

Soft Soil backfill: Yes

Coating Damage: Yes

Tool Marks: No

Drill Hole: Yes

External Corrosion: No

Estimated quantity of oil spilled: 400 BBLS

Still photographs and video coverage of the inspection provided: Yes

Size of Leak Point: 8 mm

Wall Thickness Measured Nominal Wall Thickness 9,52 mm"

In het B-deel van het JIT-rapport is onder meer het volgende opgenomen:

"Evidence of previous excavation noticed at leak site.

During excavation to expose pipe, the soil texture at the leak spot was softer than the surrounding soil.

The pipe is coated with coalton enamel material. During de-coating, there was satisfactory coating adhesion to the pipe, however, there was coating damage around the leak spot - suspectedly caused by a third party interference.

External surface condition of the pipe when de-coated was smooth without any sign of corrosion.

The leak hole was at 8.30 o'clock position. The hole measuring 8 mm in diameter was round and circular in shape with smooth edges consistent with damage done with a drilling device by unknown persons.

Ultrasonic thickness measurements taken with a (...)-meter around the leak hole and around the circumference of the pipe indicated no significant wall loss.

U.T. Around leak hole: a - 9.7 b - 9.6 c - 9.6 d - 9.6 e - 9.5 f - 9.6"

2.7. Ter illustratie heeft de rechtbank de hierna volgende twee afbeeldingen van het onderzoek van het JIT-team op 7 juli 2005 over de olielekkage bij Oruma geselecteerd uit het toen gemaakte videomateriaal:

Screenshot videomateriaal olielekkage

2.8. Na uiteindelijk verkregen toestemming van de lokale gemeenschap van Oruma heeft een Nigeriaans aannemersbedrijf (met onder meer Efanga als onderaannemer) in opdracht, onder leiding en op kosten van SPDC in de periode van augustus 2005 t/m juni 2006 de door de olielekkage van juni 2005 noodzakelijk geworden saneringswerkzaamheden in de omgeving van Oruma kunnen uitvoeren volgens de zogenoemde RENA-methode ("Remediation by Enhanced Natural Attenuation through land farming process").

2.9. In augustus 2006 is er over de sanering van de vervuilde gronden en visvijvers bij Oruma een Clean-up and Remediation Certification Format opgesteld door de Joint Federal and States Environmental Regulatory Agencies en ondertekend door drie vertegenwoordigers van drie Nigeriaanse overheidsinstanties. In dit certificaat is, voor zover van belang, onder meer het volgende opgenomen:

"FACILITY: 20" Trunkline at Oruma

Cause & Date of Spill: SABOTAGE 2005

Initial TPH Level 3.074 mg/kg

Final TPH Level 61 mg/kg

Completion date: June 2006

STATUS: Site Certified"

2.10. In februari 2008 heeft Bryjark Environmental Services Limited in opdracht van de Nigeriaanse zusterorganisatie van Milieudefensie een onderzoeksrapport uitbracht, waarin zij ingaat op de vraag of de olievervuiling door de olielekkage bij Oruma in 2005 voldoende is gesaneerd. Daarin heeft Bryjark, voor zover van belang, onder meer het volgende opgenomen:

"The objectives were achieved through detailed field and laboratory studies in June 2007.

The study has shown that the Oruma study area is impacted by hydrocarbon from either the spill source or previous incidents of existing SPDC-activities in the area.

Total Petroleum Hydrocarbon Concentrations in Soil Samples

S/No. Study Station TPH (mg/kg)

1. Oruma 1 24.3

2. Oruma 2 4,348.0

3. Oruma 3 25.3

4. Oruma 4 27.6

5. Oruma 5 6,991.0

6. Oruma 6 12.0

The concentration of Total Petroleum Hydrocarbon (TPH) recorded in the surface water of the study area is 0.17 - 1.35 milligram/liter. This concentration has a negative impact on the resources of the area and the recruitment potential of the system.

The presence of hydrocarbon in soils and sediments of the study area is partly responsible for the stress observed in the ecology of the environment."

2.11. In een verklaring van 15 mei 2012, waaronder de namen met handtekeningen van 12 leden van de gemeenschap van Oruma zijn geplaatst, staat onder meer:

"The Oruma community hereby declares that the land and fish ponds subject of the suit in The Hague, The Netherlands, situated at Olumogbo-bara in Oruma Community, Ogbia Local Government Area of Bayelsa State as shown in the google earth map annexed hereunto are owned and used by [Oguru], and that he has the right to do so."

2.12. In een verklaring van 15 mei 2012 waaronder de namen met handtekeningen van 12 leden van de gemeenschap van Oruma zijn geplaatst, staat onder meer:

"The Oruma community hereby declares that the land and fish ponds subject of the suit in The Hague, The Netherlands, situated at Olumogbo-bara in Oruma Community, Ogbia Local Government Area of Bayelsa State as shown in the google earth map annexed hereunto are owned and used by [Efanga], and that he has the right to do so."

2.13. Op 3 september 2012 heeft de heer Kuprewicz van Accufacts Inc. in opdracht van de advocaat van Milieudefensie c.s. een onderzoeksrapport uitgebracht. Daarin is, voor zover relevant, onder meer het volgende vermeld:

"In the Oruma spill, amazingly, there is no video evidence or pictures to support SPDC or the JIT's claim of an eight-millimeter sabotage drill hole in the pipe. Video evidence does show coating damage at the failure site that is not indicative of a drill hole. Corrosion, especially internal corrosion, can also not be eliminated as a possible failure cause, as Shell's evidence attempting tot dismiss corrosion threats is deficient.

Given the approximate height of the individuals of almost 6 feet, the top of the 20-inch pipe is at least ten, but more likely, twelve feet below the general surface of the pipeline right of way. The pipe at this location is quite deep.

Coating damage at the release [site] at approximately the 8.00 o'clock position (toward the bottom of the pipe) is not indicative of drill damage.

The ILI pig information supplied is insufficient to rule out possible corrosion failure.

The UT measurements/processes/methods shown on the video are not appropriate and also do not rule out corrosion as a possible failure mechanism.

There is insufficient information to rule out corrosion, especially internal corrosion which external pipe coating doesn't prevent, as a bona fide cause of this failure.

This 20-inch pipeline and its predecessor have a history of severe and extensive corrosion from the fluids being moved on the system (oil with very high water cuts).

Suggestions that there are indications of previous digging activity are pure speculation given the soil conditions and the extreme pipe depth at the failure site shown in the video.

In reviewing the video, I find it odd that the video shows no real close-ups of the claimed "drilled" hole. The video indicates coating damage at approximately the 8 o'clock position not indicative of a drilled hole. A clear picture of the failure site with the coating removed would clarify and easily identify the most probable cause of this pipe failure.

I also find the assertion that soil had to be previously disturbed to allow oil released to bubble to the surface, without merit and disingenuous. The oil, being lighter than water, while it may not always rise to the surface immediately above the failure, usually finds a path to the surface, even in well-packed soil cover situations. The soil does not have to have been previous dug of fractured to permit the oil to rise/float to the surface from a pipeline release, especially given the pressure still in the pipeline as shown in the video to indicate a pipeline failure. Given the extreme depth of the pipeline as well as soil conditions clearly indicated in the video, claims of previous indications of prior digging to the pipeline are without merit.

Statements that corrosion does not generate round holes in pipe are false.

The coating at the leak site appears damaged from either rock impingement or activity that is associated with pipeline construction/installation actions.

The UT measurements and method performed in the video do not follow industry standards required to field measure actual corrosion loss or calibrate ILI runs to evaluate or eliminate corrosion as a possible cause of pipeline fracture.

Shell's arguments and evidence of UT readings and an ILI run are not sufficient to disallow possible corrosion as a cause of this pipeline's failure.

The video evidence does not substantiate Shell's assertion of sabotage for the Oruma spill."

2.14. Op 4 september 2012 heeft de heer Slenders van Arcadis Nederland BV in opdracht van Shell c.s. een onderzoeksrapport uitgebracht. Hierin is onder meer het volgende opgenomen over het in 2.10 vermelde rapport van Bryjark:

"De gebrekkige onderzoeksaanpak leidt ertoe dat conclusies op basis van de verkregen data bij voorbaat onzeker zijn.

Alhoewel de data van Bryjark maar zeer beperkt betrouwbaar zijn, is het aannemelijk dat bodem en water minerale olie componenten (TPH) bevatten. Het gehalte is echter dermate laag dat voor wat betreft TPH mag worden gesteld dat het overgrote deel van de bodem en het sediment op beide locaties geschikt zijn voor mens, plant en dier (kleiner of vergelijkbaar met de streefwaarde bodemkwaliteit, ofwel er is sprake van een "schone"bodem). Alleen twee van de zes bodemmonsters van de Oruma locatie laten hogere concentraties TPH zien. Het oppervlaktewater in de studiegebieden heeft een dermate dynamisch karakter dat de concentraties TPH op verschillende tijdstippen sterk zullen fluctueren en de relatie met de olielekkages bij voorbaat onzeker is.

Bryjark is er onvoldoende in geslaagd om de invloed van oliecomponenten op het milieu aan te tonen. Naar onze mening zijn er alleen mogelijk aanwijzingen gevonden voor milieustress (ecological stress) in de micro flora en fauna veroorzaakt door TPH. Deze mogelijke aanwijzingen zijn de verschillen in aantal soorten en hoeveelheid organismen tussen de verschillende bemonsteringspunten en de dominantie van blauwalgen. Het aantal soorten en de hoeveelheid organismen liggen echter doorgaans binnen de normale bandbreedtes. Bryjark geeft ook zelf aan dat deze stress niet alleen kan zijn veroorzaakt door TPH, maar ook door andere oorzaken, bijvoorbeeld de getijdenbeweging of het zoutgehalte."

2.15. In een e-mail van 6 september 2012 heeft de heer Von Scheibler van BKK Bodemadvies BV onder meer aan de advocaat van Milieudefensie c.s. geschreven:

"In de bijlage heb ik mijn commentaar gegeven over de documenten die over Goi gaan. Op de andere locaties zouden dezelfde redeneringen en berekening naar analogie kunnen worden toegepast. Op basis van de stukken zijn mij in elk geval de volgende algemene punten opgevallen.

Voor en na de sanering vergelijkt Shell de concentraties TPH. Dit betreft de som van de concentraties van heel veel oliecomponenten met verschillende toxische eigenschappen. Hierdoor is niets te zeggen over de zeer toxische BETX-concentraties, welke mogelijk nog steeds boven de toelaatbare grenswaarden liggen. Door hierin geen onderscheid te maken zijn de saneringsverslagen op zijn minst onvolledig.

3. De vorderingen in de hoofdzaken

De procedure met rolnummer 09-0579

3.1. Milieudefensie c.s. vorderen - na wijziging van eis bij pleidooi - om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I voor recht te verklaren dat RDS en SPDC jegens Oguru en/of Efanga op grond van de stellingen in de processtukken van Milieudefensie c.s. onrechtmatig hebben gehandeld en jegens Oguru en/of Efanga hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die zij geleden hebben en nog zullen lijden als gevolg van deze onrechtmatige gedragingen van RDS en SPDC, welke schade is op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

II voor recht te verklaren dat RDS en SPDC aansprakelijk zijn voor de aantasting van de lichamelijke integriteit van Oguru en Efanga door het leven in een vervuilde leefomgeving;

III voor recht te verklaren dat RDS en SPDC jegens Milieudefensie op grond van de stellingen in de processtukken van Milieudefensie c.s. onrechtmatig hebben gehandeld en hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade aan het milieu nabij Oruma als gevolg van deze onrechtmatige gedragingen van RDS en SPDC;

IV RDS en SPDC te gebieden om binnen twee weken na betekening van het vonnis aan te vangen met sanering van de bodem rondom de olielekkage, opdat deze zal voldoen aan de internationale en plaatselijke geldende milieunormen, en deze sanering binnen één maand na aanvang te voltooien, ten bewijze waarvan RDS en SPDC binnen één maand na voltooiing van de sanering aan Milieudefensie c.s. een door een panel van drie deskundigen op te stellen unanieme verklaring van sanering over zullen leggen, welke deskundigen zullen worden benoemd binnen twee weken na het vonnis zodanig dat één deskundige door RDS en SPDC gezamenlijk, één door Milieudefensie en één door de twee aldus aangewezen deskundigen wordt benoemd, althans binnen door de rechtbank vast te stellen termijnen en op een door de rechtbank vast te stellen wijze van bewijs van de sanering;

V RDS en SPDC te gebieden om binnen twee weken na betekening van het vonnis aan te vangen met het zuiveren van de waterbronnen in en nabij Oruma en deze zuivering binnen één maand na aanvang te voltooien, ten bewijze waarvan RDS en SPDC binnen één maand na voltooiing van de sanering aan Milieudefensie c.s. een door een panel van drie deskundigen op te stellen unanieme verklaring van zuivering over zullen leggen, welke deskundigen zullen worden benoemd binnen twee weken na het vonnis, zodanig dat één deskundige door RDS en SPDC gezamenlijk, één door Milieudefensie en één door de twee aldus aangewezen deskundigen wordt benoemd, althans binnen door de rechtbank vast te stellen termijnen en op een door de rechtbank vast te stellen wijze van bewijs van de zuivering;

VI RDS en SPDC te gebieden de oliepijpleiding nabij Oruma na vervanging in goede staat te houden, overeenkomstig de good oil field practice, waaronder tenminste wordt verstaan het voldoen aan de verplichte inspecties van de pijpleidingen, het opstellen dan wel in stand houden van een adequaat systeem van pijpleidinginspectie en het overeenkomstig daarmee zorgvuldig handelen, en daarbij RDS en SPDC te gebieden van deze inspecties telkens binnen twee weken nadat deze hebben plaatsgevonden schriftelijk verslag aan Milieudefensie c.s. over te leggen;

VII RDS en SPDC te bevelen een adequaat plan voor reactie op olielekkages te implementeren in Nigeria en ervoor zorg te dragen dat aan alle voorwaarden is voldaan voor een tijdige en adequate reactie voor het geval zich opnieuw een olielekkage nabij Oruma voordoet; hieronder verstaan Milieudefensie c.s. in ieder geval het beschikbaar stellen van voldoende materiaal en middelen - ten bewijze waarvan RDS en SPDC overzichten aan Milieudefensie c.s. zullen verstrekken - teneinde de schade van een potentiële olielekkage zoveel mogelijk te beperken;

VIII RDS en SPDC te bevelen om aan Milieudefensie c.s. een dwangsom van € 100.000,- te betalen (of een ander door de rechter in goede justitie te bepalen bedrag) voor elke keer dat RDS en SPDC ieder voor zich of gezamenlijk handelen in strijd met (naar de rechtbank begrijpt) de onder IV, V, VI en/of VII bedoelde geboden;

IX RDS en SPDC hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten;

X RDS en SPDC te veroordelen in de kosten van dit geding, althans de kosten van partijen te compenseren.

3.2. Aan deze tien vorderingen in de hoofdzaak leggen Milieudefensie c.s. - na de voorlopige oordelen en de overige regie aanwijzingen in het tussenvonnis van de rechtbank van 14 september 2011 - bij repliek en bij pleidooi in aanvulling op de dagvaardingen samengevat nog het volgende ten grondslag. Milieudefensie c.s. verwijten SPDC dat zij niet heeft voldaan aan haar zorgplicht om op zorgvuldige wijze olie te winnen en daarbij te voorkomen dat olielekkages plaatsvinden. SPDC zou volgens Milieudefensie c.s. meer en betere preventieve maatregelen tegen het ontstaan van olielekkages moeten nemen, zowel tegen olielekkages door gebrekkig en/of verouderd materiaal als door sabotage als rechtstreekse oorzaak. Verder heeft SPDC niet adequaat op deze lekkage in 2005 gereageerd en de olievervuiling niet tijdig en niet volledig opgeruimd. Gelet hierop heeft SPDC volgens Milieudefensie c.s. voor wat betreft de olielekkage uit de oliepijpleiding in 2005 bij Oruma naar Nigeriaans recht een tort of negligence, een tort of nuisance, of een tort of trespass to chattel tegen Milieudefensie c.s. gepleegd, of is zij naar Nigeriaans recht aansprakelijk voor de schade van Milieudefensie c.s. op grond van de rule in Rylands v Fletcher.

Naast SPDC heeft ook RDS naar Nigeriaans recht een tort of negligence gepleegd jegens Milieudefensie c.s. bij deze olielekkage in 2005. De moedervennootschap RDS in Den Haag heeft immers niet voldaan aan de op haar rustende verplichting om door het uitvaardigen van richtlijnen en het doen naleven daarvan haar (klein)dochtervennootschap SPDC ertoe te bewegen deze olielekkage bij Oruma in 2005 te voorkomen, daarop adequaat te reageren en de olievervuiling adequaat te saneren, en te bewerkstelligen dat SPDC over voldoende financiële middelen en technische expertise beschikte om deze activiteiten adequaat uit te voeren, aldus stellen Milieudefensie c.s.

Milieudefensie heeft op grond van artikel 3:305a BW een zelfstandig belang bij vaststelling van de onrechtmatigheid van het handelen en nalaten van RDS en SPDC. Artikel 3:305a BW creëert de juridische fictie dat de schade aan het milieu nabij Oruma de schade van Milieudefensie is. Milieudefensie heeft ter voorbereiding van deze procedure buitengerechtelijke kosten gemaakt in de zin van artikel 6:96 lid 2 sub b BW, aldus stelt Milieudefensie.

De procedure met rolnummer 10-1677

3.3. Voor het geval dat de rechtbank in de procedure met rolnummer 09-0579 het verweer van RDS zou accepteren dat RDS in verband met de hiervoor in 2.2 vermelde herstructurering per 20 juli 2005 van het Shell-concern niet aansprakelijk kan zijn voor schade die is veroorzaakt en/of is opgetreden vóór 20 juli 2005, stellen Milieudefensie c.s. dezelfde vorderingen die zij in de procedure met rolnummer 09-0579 hebben ingesteld tegen RDS, ook in tegen Shell Petroleum en Shell T&T in de procedure met rolnummer 10-1677.

3.4. Aan die vorderingen in de hoofdzaak leggen Milieudefensie c.s. - kort weergegeven - het volgende ten grondslag. Volgens RDS is zij pas op 20 juli 2005 aan het hoofd van het Shell-concern komen te staan en werd het Shell-concern voordien geleid door Shell Petroleum en Shell T&T. Voor zover de rechtbank van oordeel is dat RDS in dat verband niet aansprakelijk kan zijn voor schade die veroorzaakt is en/of is opgetreden vóór 20 juli 2005, geldt dat Shell Petroleum en Shell T&T daarvoor aansprakelijk zijn, aldus stellen Milieudefensie c.s.

In beide procedures

3.5. Shell c.s. hebben de vorderingen in beide procedures gemotiveerd betwist. Op hun verweren zal, voor zover relevant, hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling in beide zaken

4.1. Beide zaken betreffen dezelfde olielekkage en daarin zijn dezelfde procespartijen eisers. Verder zijn in beide zaken naar de kern genomen dezelfde vorderingen ingesteld en hangen de verweren in beide zaken nauw samen. Daarom zal de rechtbank beide zaken hierna gezamenlijk beoordelen.

Internationale bevoegdheid van de rechtbank Den Haag

4.2. In het tussenvonnis in het bevoegdheidsincident van 30 december 2009 (LJN BK8616) heeft de rechtbank in de zaak met rolnummer 09-0579 geoordeeld - samengevat - dat zij in die procedure op grond van artikel 7 Rv bevoegd is om kennis te nemen van de daarin naast RDS ook tegen SPDC ingestelde vorderingen. Dit omdat er een zodanige samenhang tussen enerzijds de tegen RDS en anderzijds de tegen SPDC ingestelde vorderingen bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen, en omdat toen ook onvoldoende gesteld of gebleken was dat er sprake zou zijn van misbruik van procesrecht.

4.3. Shell c.s. hebben bij dupliek en bij pleidooi geconcludeerd dat de rechtbank zal moeten terugkomen op haar beslissing uit het tussenvonnis dat zij bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen tegen SPDC. De rechtbank heeft op dit punt bij tussenvonnis echter een bindende eindbeslissing genomen. Daarom kan de rechtbank haar eindbeslissing dat zij rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vorderingen tegen SPDC slechts heroverwegen, indien is gebleken dat die bindende eindbeslissing op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag berust (zie HR 25 april 2008, NJ 2008, 553).

4.4. Shell c.s. hebben betoogd dat de beslissing over de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ten aanzien van de vorderingen tegen SPDC op een onjuiste juridische grondslag berust. Zij voeren daartoe in de eerste plaats aan dat na het tussenvonnis in het exhibitie-incident en in de hoofdzaak van 14 september 2011 (LJN BU3535) is gebleken dat de vorderingen tegen RDS naar Nigeriaans recht op voorhand evident kansloos waren en dat Milieudefensie c.s. dat wisten of moesten begrijpen. Daarom hebben Milieudefensie c.s. volgens Shell c.s. wel degelijk misbruik van procesrecht gemaakt door deze vorderingen tegen RDS en SPDC gezamenlijk in te stellen en door aldus via de gedaagde rechtspersoon RDS in Den Haag en via artikel 7 Rv bevoegdheid te scheppen voor de rechtbank Den Haag ten aanzien van de ook tegen de Nigeriaanse rechtspersoon SPDC ingestelde vorderingen. De rechtbank verwerpt dit betoog. De vorderingen tegen RDS konden in deze procedure niet als op voorhand evident kansloos worden aangemerkt, omdat op voorhand niet onverdedigbaar was dat een moedervennootschap van een dochtervennootschap onder omstandigheden op grond van het Nigeriaanse recht aansprakelijk kan zijn wegens een tort of negligence tegen personen die schade hebben geleden door de activiteiten van die (klein)dochtervennootschap. Dat blijkt immers uit de hierna nog te bespreken beslissing in de zaak Chandler v. Cape. Van misbruik van procesrecht door Milieudefensie c.s. was en is naar het oordeel van de rechtbank daarom in dit geval geen sprake.

4.5. In de tweede plaats hebben Shell c.s. bij pleidooi een beroep gedaan op het zogenoemde Painer-arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van

1 december 2011, nr. C-145/10. In het Painer-arrest is in alinea 81 overwogen dat wanneer tegen diverse verweerders ingestelde vorderingen verschillende rechtsgrondslagen hebben, dat feit op zich niet in de weg staat aan toepassing van artikel 6 lid 1 EEX-Verordening, mits voor de verweerders voorzienbaar was dat zij konden worden opgeroepen in de lidstaat waar tenminste één van hen zijn woonplaats had. Volgens Shell c.s. kan die rechtsregel uit het Painer-arrest analogisch worden toegepast op artikel 7 lid 1 Rv. Shell c.s. betogen dat het voor het Nigeriaanse SPDC niet voorzienbaar was dat zij met betrekking tot de onderhavige olielekkage in Nederland zou worden gedagvaard en dat ook daaruit volgt dat aan de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt voor de tegen SPDC ingestelde vorderingen.

4.6. De rechtbank volgt Shell c.s. niet in dat betoog. Ten eerste zijn de vorderingen tegen RDS en SPDC niet gebaseerd op verschillende rechtsgrondslagen maar (mede) op dezelfde juridische grondslag, namelijk een tort of negligence naar Nigeriaans recht. Ten tweede bestaat er al wat langer (zie Enneking in NJB 2010, blzz. 400 t/m 406) een internationale trend om moedervennootschappen van multinationals in hun eigen land aansprakelijk te stellen voor schadeveroorzakend handelen van buitenlandse (klein)dochtervennootschappen, waarbij al meerdere keren tegelijkertijd met de moedervennootschap ook de desbetreffende buitenlandse (klein)dochtervennootschap is gedagvaard. Dat maakt dat het voor SPDC naar het oordeel van de rechtbank ook in de zin van het pas na de dagvaarding gewezen Painer-arrest "voorzienbaar" was dat zij in verband met de gestelde aansprakelijkheid voor de lekkage bij Oruma samen met RDS in Nederland zou kunnen worden gedagvaard. Daarom kan in het midden blijven of de rechtsregel uit het Painer-arrest onverkort analogisch kan worden toegepast op artikel 7 Rv en op de feiten in deze procedure bij de rechtbank Den Haag.

4.7. Indien de vorderingen tegen RDS in Den Haag door de rechtbank bij eindvonnis zouden worden afgewezen, roept dat op voorhand de vraag op of de Nederlandse rechter de beoordeling van de tegen SPDC ingestelde vorderingen daarna wellicht zou moeten overlaten aan de Nigeriaanse rechter. Oguru, Efanga en SPDC zijn immers Nigeriaanse partijen, die naar Nigeriaans recht procederen over schade door een olielekkage in 2005 op Nigeriaans grondgebied. De zogenoemde forum non conveniens restrictie speelt echter in het huidige internationale privaatrecht geen rol meer. De rechtbank is van oordeel dat de op artikel 7 Rv gebaseerde bevoegdheid van de Nederlandse rechter in de zaak tegen SPDC naar de bedoeling van de Nederlandse wetgever niet ophoudt te bestaan indien de vorderingen tegen RDS zouden worden afgewezen, ook niet als er daarna feitelijk niet of nauwelijks nog een band met de Nederlandse rechtssfeer resteert.

4.8. De conclusie luidt dat de rechtbank niet zal terugkomen op haar bindende eindbeslissing dat zij op grond van artikel 7 Rv bevoegd is om kennis te nemen van de in de procedure met rolnummer 09-0579 niet alleen tegen de rechtspersoon RDS in Den Haag maar ook tegen de Nigeriaanse rechtspersoon SPDC ingestelde vorderingen. De bevoegdheid van de rechtbank in de procedure met rolnummer

10-1677 is tussen die procespartijen niet in geschil en volgt ook uit de artikelen 2, 6 en 60 van de daarop toepasselijke EEX-Verordening.

Toepasselijk recht

4.9. De vorderingen hebben betrekking op een specifieke olielekkage die in juni 2005 bij Oruma in Bayelsa State in Nigeria is ontstaan, waarbij Shell c.s. volgens Milieudefensie c.s. aansprakelijk zijn uit onrechtmatige daad voor de daardoor veroorzaakte schade. De gestelde schadeveroorzakende gebeurtenissen hebben zich voorgedaan vóór 11 januari 2009, zodat de zaak valt buiten het temporeel toepassingsgebied van de Europese Verordening (EG) nr. 864/2007 over het recht dat van toepassing is op niet contactuele verbintenissen. Verwezen wordt naar de artikelen 31 en 32 van die Europese Verordening en naar het arrest van het Hof van Justitie EU van 17 november 2011, NJ 2012, 109. Daarom is de Nederlandse Wet Conflictenrecht Onrechtmatige Daad (WCOD) van toepassing op de vraag naar welk recht de rechtbank de ingestelde vorderingen inhoudelijk moet beoordelen.

4.10. Indien sprake is van een onrechtmatige daad gepleegd door SPDC, heeft deze plaatsgevonden op het grondgebied van Nigeria. Indien RDS, Shell Petroleum en/of Shell T&T voor wat betreft het ontstaan van deze olielekkage een onrechtmatige daad zou(den) hebben gepleegd, geldt dat die onrechtmatige daad van deze rechtspersonen in Nigeria schadelijk heeft ingewerkt. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vorderingen in de beide hoofdzaken op grond van artikel 3 leden 1 en 2 WCOD materieel moeten worden beoordeeld naar het Nigeriaanse recht, meer in het bijzonder het recht dat geldt in de deelstaat Bayelsa State waar deze olielekkage heeft plaatsgevonden. De rechtbank blijft dus bij dit voorlopig oordeel uit het tussenvonnis van 14 september 2011. Op grond van het Nederlandse conflictenrecht gelden daarbij de volgende uitzonderingen. Het Nigeriaanse recht wordt niet toegepast, indien de toepassing ervan in dit concrete geval kennelijk onverenigbaar zou zijn met de Nederlandse openbare orde in de zin van artikel 10:6 BW of indien er voorrangsregels van Nederlands recht van toepassing zijn in de zin van artikel 10:7 BW. Aan de artikelen van Titel 1 van Boek 10 BW, dat op 1 januari 2012 in werking is getreden, kan immers terugwerkende kracht worden verleend, omdat zij een codificatie van het tot

1 januari 2012 geldende ongeschreven recht behelzen (MvT 32 137, nr. 3, p. 95). Onvoldoende gesteld of gebleken is echter dat die uitzonderingen zich in dit geval voordoen.

4.11. Om het Nigeriaanse recht te kunnen toepassen heeft de rechtbank in de eerste plaats kennis genomen van enerzijds de door Shell c.s. geproduceerde legal opinions van professor Oditah en anderzijds van de opinie van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) en van de legal opinions van professor Ladan en dr. Ako en van professor Duruigbo die zijn geproduceerd door Milieudefensie c.s. Daarnaast heeft de rechtbank bij haar rechtsvinding van het Nigeriaanse recht Engelse literatuur geraadpleegd over common law, waaronder handboeken over de door Milieudefensie c.s. specifiek gestelde torts. Het Nigeriaanse recht is immers een common law systeem dat is gebaseerd op het Engelse recht.

Ontvankelijkheid van Milieudefensie

4.12. Shell c.s. hebben aangevoerd dat Milieudefensie niet ontvankelijk is in haar vorderingen in de hoofdzaak. Zij hebben daartoe onder meer gesteld dat artikel 3:305a BW onderdeel uitmaakt van het materiële Nederlandse recht, omdat het is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek, terwijl het materieel toepasselijke Nigeriaanse recht geen (vergelijkbaar) recht op collectieve actie kent. De rechtbank heeft echter in het tussenvonnis van 14 september 2011 al definitief geoordeeld dat en waarom artikel 3:305a BW een regel van Nederlands procesrecht is. Niet gesteld of gebleken is dat die bindende eindbeslissing op een onjuiste grondslag berust. Voorts heeft de rechtbank in dat tussenvonnis voorlopig geoordeeld dat Milieudefensie ontvankelijk is in haar vorderingen, omdat - anders dan Shell c.s. betogen - aan de door artikel 3:305a BW gestelde vereisten is voldaan.

4.13. De rechtbank verwerpt nu ook definitief het betoog van Shell c.s. bij antwoord dat Milieudefensie niet ontvankelijk is in haar vorderingen. Volgens Shell c.s. is sprake van zuiver individuele belangenbehartiging, biedt deze collectieve actie geen voordeel boven het procederen op naam van de belanghebbenden zelf, ontplooit Milieudefensie onvoldoende feitelijke activiteiten ten behoeve van het milieu in Nigeria en/of betreft deze procedure een zuiver lokaal belang. De rechtbank blijft erbij dat een aantal vorderingen van Milieudefensie c.s. het individueel belang van (slechts) Oguru en Efanga duidelijk overstijgt, omdat het saneren van de bodem, het reinigen van de visvijvers, het zuiveren van de waterbronnen en het opstellen van een adequaat plan voor toekomstige reacties op olielekkages - indien bevolen - niet alleen Oguru en Efanga maar ook de rest van de gemeenschap en het milieu in de omgeving van Oruma ten goede zal komen. Het procederen op naam van de belanghebbenden kan, nu het mogelijk gaat om vele personen, wel degelijk bezwaarlijk zijn. Verder beschouwt de rechtbank - anders dan Shell c.s. - het voeren van campagnes gericht op het stoppen van milieuvervuiling bij de oliewinning in Nigeria, als een feitelijke activiteit die Milieudefensie heeft ontplooid ter behartiging van de milieubelangen in Nigeria. Ten slotte heeft Milieudefensie als statutaire doelomschrijving de bescherming van het milieu op mondiaal niveau. Dat doel is veelomvattend, maar daardoor nog niet onvoldoende specifiek. Ook bestaat er onvoldoende reden om aan te nemen dat lokale milieuschade in het buitenland buiten die doelomschrijving van Milieudefensie of buiten de werking van artikel 3:305a BW zou vallen.

4.14. Shell c.s. hebben er bij dupliek en bij pleidooi op gewezen dat een collectieve actie niet op zijn plaats is als de belangen van de personen voor wie met de collectieve actie wordt opgekomen, niet voldoende zijn gewaarborgd. Deze situatie doet zich volgens Shell c.s. voor, omdat Milieudefensie niet aangeeft voor de belangen van welke andere personen zij opkomt en omdat Milieudefensie onvoldoende kennis zou hebben van de uiterst complexe situatie in Nigeria. Ook deze stelling wordt door de rechtbank gepasseerd. Milieudefensie vordert Shell c.s. te gebieden een aantal maatregelen te nemen om het risico op olielekkages bij Oruma in Nigeria te verkleinen en om de gevolgen daarvan te minimaliseren. Niet valt in te zien dat dit in strijd zou kunnen zijn met de belangen van de Nigeriaanse burgers die door olielekkages kunnen worden getroffen. Verder blijkt uit de hiervoor in 2.11 en 2.12 geciteerde verklaringen dat de gemeenschap van Oruma geen bezwaar heeft tegen het optreden van Milieudefensie in deze procedure, zodat niet op grond van artikel 3:305a lid 4 BW kan worden geoordeeld dat Milieudefensie niet ontvankelijk is in haar vorderingen.

4.15. Het voorgaande brengt de rechtbank nu definitief tot het oordeel dat Milieudefensie ontvankelijk is in haar vorderingen.

Inhoudelijke beoordeling

4.16. De rechtbank stelt bij de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen het volgende voorop. In Nigeria vinden elk jaar vele olielekkages plaats. Dat heeft ingrijpende gevolgen voor de plaatselijke bevolking en voor het milieu. Vast staat dat een deel van deze olielekkages plaatsvindt uit oliepijpleidingen en olie-installaties van SPDC. Milieudefensie c.s. stellen dat deze lekkages (te) vaak het gevolg zijn van achterstallig onderhoud van oliepijpleidingen en olie-installaties en van tekortschietend beleid van Shell c.s. Volgens Shell c.s. worden de olielekkages meestal veroorzaakt door sabotage en verricht SPDC alle in redelijkheid te vergen inspanningen om olievervuiling in Nigeria te voorkomen en te saneren. In deze twee procedures kan en zal door de Nederlandse rechter echter geen oordeel worden gegeven over het debat van Milieudefensie c.s. en Shell c.s. over het beleid in algemene zin van Shell c.s. bij de oliewinning in Nigeria. De rechtbank mag en zal in deze twee procedures slechts oordelen over de door Milieudefensie c.s. ingestelde specifieke vorderingen naar aanleiding van deze specifieke olielekkage in 2005 bij Oruma en de daartegen door Shell c.s. gevoerde verweren.

Vorderingsgerechtigdheid van Oguru en Efanga

4.17. De procespartijen verschillen van mening over de vraag of Oguru en Efanga naar Nigeriaans recht gerechtigd zijn een vordering tot vergoeding van hun schade in te stellen. Milieudefensie c.s. hebben bij dagvaarding gesteld dat Oguru en Efanga eigenaar zijn van (grond en) visvijvers die door deze olielekkage zijn vervuild en dat Oguru en Efanga daardoor onder meer inkomensverlies hebben geleden. Shell c.s. hebben bij antwoord gemotiveerd betwist dat Oguru en Efanga exclusief eigenaar zijn van de grond en visvijvers, met de stelling dat grond en daarop gelegen visvijvers in niet-stedelijke gebieden naar Nigeriaans gewoonterecht in beginsel gemeenschappelijk eigendom zijn van de lokale gemeenschap. De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 14 september 2011 nog aangenomen dat het bestaan van het gestelde eigendomsrecht van Oguru en Efanga van belang was voor hun vorderingsrechten. Daarna is echter duidelijk geworden dat dit niet het geval is. Shell c.s. voeren in de conclusie van dupliek immers aan dat Oguru en Efanga ook een vordering tot schadevergoeding kunnen instellen, indien zij geen eigenaar maar slechts bezitter (in possession) zijn van de grond en visvijvers in kwestie, hetgeen Oguru en Efanga volgens Shell c.s. dan wel eerst moeten bewijzen. Ook moeten in de visie van Shell c.s. de exacte locaties worden aangeduid van de door Oguru en Efanga geëxploiteerde grond en visvijvers die door deze olielekkage zouden zijn vervuild.

4.18. Oguru en Efanga hebben gesteld dat zij het bezit van de grond en de visvijvers hebben gekregen door deze in gebruik te nemen en te cultiveren. Naar Nigeriaans gewoonterecht kan dit leiden tot bezit van grond en visvijvers, zoals onder meer volgt uit de zaak Mogaji & Ors. v. Cadbury Fry Export Ltd. (1972). Daarin overweegt de Nigeriaanse rechter immers dat als een persoon aantoont dat hij landbouwgrond cultiveert, dat afdoende bewijs oplevert om te kunnen vaststellen dat hij de bezitter is van die grond. Datzelfde zal gelden voor de op grond gelegen visvijvers. Voorts hebben Milieudefensie c.s. na het tussenvonnis van 14 september 2011 de hiervoor in 2.11 en 2.12 beschreven verklaringen geproduceerd van de gemeenschap van Oruma, waaruit de rechtbank begrijpt dat Oguru en Efanga volgens de lokale gemeenschap in ieder geval het vereiste bezit hadden en hebben van het vervuilde land en de vervuilde visvijvers in kwestie. Shell c.s. hebben niets concreets aangevoerd dat erop wijst dat Oguru en Efanga niet als bezitter hebben te gelden. Daarmee staat naar het oordeel van de rechtbank voldoende vast dat Oguru en Efanga de bezitters zijn van de door de lekkages vervuilde grond en visvijvers en dat zij daarom vorderingsgerechtigd zijn. In de verklaringen van de gemeenschap zijn ook de locaties van de vervuilde grond en visvijvers voldoende concreet aangeduid, zodat daarover, anders dan Shell c.s. menen, geen onduidelijkheid meer bestaat. Uit het feit dat Shell c.s. betogen dat SPDC de grond en visvijvers heeft laten saneren, volgt bovendien dat Shell c.s. voldoende hebben begrepen op welke vervuilde grond en visvijvers bij Oruma in deze procedure door Milieudefensie c.s. wordt gedoeld.

Oorzaak van de olielekkage in juni 2005 bij Oruma

4.19. Uit de alinea's 4.7 t/m 4.10 van het tussenvonnis van 14 september 2011 volgt dat de feitelijke oorzaak van een olielekkage naar het toepasselijke Nigeriaanse recht relevant is voor de beoordeling van de vorderingen. Immers, anders dan in het geval van gebrekkig materiaal of gebrekkig onderhoud is in het geval van sabotage een operator zoals SPDC naar Nigeriaans recht als hoofdregel niet aansprakelijk voor de door een olielekkage veroorzaakte schade. Mede gelet op die hoofdregel van het Nigeriaanse recht en op het verzoek van beide advocaten om regie aanwijzingen van de rechtbank voor het verdere procesverloop in de hoofdzaken (zie alinea 5.1 van dat tussenvonnis), heeft de rechtbank in haar tussenvonnis als voorlopig oordeel aan de procespartijen gegeven dat deze specifieke lekkage van juni 2005 bij Oruma in die stand van het partijdebat vooralsnog veroorzaakt leek te zijn door sabotage. Daartoe heeft de rechtbank toen het volgende overwogen: Shell c.s. hebben aangevoerd dat de olie lekte uit een gaatje met een diameter van 8 mm, rond en met gladde randen, gelijk een boorgat, dat het oppervlak van de pijpleiding rondom het gat vlak was en geen tekenen van putjes of corrosie vertoonde en dat de wanddikte op die plek normaal was. Shell c.s. wijzen daarbij op videobeelden die Milieudefensie c.s. in het geding hebben gebracht, waarop te zien is dat de lekkage wordt gedicht en dat de metingen van de wanddikte worden uitgevoerd. Voorts is de stelling van Shell c.s. ondersteund door een rapport van het Joint Investigation Team (JIT) dat de lekkage heeft onderzocht. Dat rapport is mede ondertekend door vertegenwoordigers van de ministeries van Milieuaangelegenheden van zowel de federale overheid als van Bayelsa State. Shell c.s. hebben voorts onderzoeksgegevens overgelegd van een onderzoek van de wanddikte van de bewuste pijpleiding door een intelligent pig run van SPDC uit december 2004. Een intelligent pig is een soort robot die de wanddikte van de pijpleiding van binnenuit meet, terwijl die robot zich door de pijpleiding beweegt. Op de positie van de lekkage is daarbij geen verdunning van de buis gemeten. Volgens Shell c.s. blijkt uit deze omstandigheden dat de lekkage hoogstwaarschijnlijk door sabotage is veroorzaakt; niet in de rede ligt dat de beschadiging van de pijpleiding het gevolg zou zijn van een slechte toestand van de pijpleiding en/of van corrosie.

4.20. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 14 september 2011 voorts overwogen dat Milieudefensie c.s. tot nu toe onvoldoende hebben onderbouwd dat deze lekkage in juni 2005 ondanks al het voorgaande feitelijk toch kan zijn veroorzaakt door corrosie of door een anderszins gebrekkige toestand van de pijpleiding, dan wel dat het ook door de deelstatelijke en federale autoriteiten ondertekende JIT-rapport onbetrouwbaar is. Gelet hierop heeft de rechtbank in haar tussenvonnis geoordeeld dat Milieudefensie c.s. de stelling van Shell c.s. dat deze lekkage door sabotage is veroorzaakt, vooralsnog onvoldoende gemotiveerd hebben weersproken, zodat deze stelling van Shell c.s., in de huidige stand van het debat, vooralsnog voor juist moet worden gehouden. Daardoor lag het in deze twee procedures na het tussenvonnis van 14 september 2011 op de weg van Milieudefensie c.s. om bij repliek het feitelijk verweer van Shell c.s. dat er in 2005 bij Oruma sprake was van sabotage, alsnog goed onderbouwd en zo concreet mogelijk gemotiveerd te weerspreken.

4.21. De rechtbank overweegt nu voorts dat de door de rechtbank in het tussenvonnis al beoordeelde videobeelden zijn gemaakt tijdens het hiervoor in 2.6 beschreven JIT-rapport over deze olielekkage. In dat JIT-rapport is geconcludeerd dat er geen sprake was van corrosie en dat er wel sprake was van recente graafsporen en van een boorgat en dus van sabotage. Shell c.s. hebben die in dit JIT-rapport vastgelegde feiten en de tijdens het JIT-onderzoek op 7 juli 2005 gemaakte videobeelden (zie daartoe ook de illustraties in 2.7) aan hun feitelijk verweer ten grondslag gelegd.

4.22. Milieudefensie c.s. hebben naar het oordeel van de rechtbank na het tussenvonnis van 14 september 2011 in het verdere procesverloop onvoldoende concreet en/of gemotiveerd betwist dat de stelling van Shell c.s. dat deze olielekkage bij Oruma in 2005 feitelijk is veroorzaakt door sabotage via het op de videobeelden zichtbare boorgat, in deze twee procedures voor feitelijk juist moet worden gehouden. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.23. Milieudefensie c.s. hebben zich in dit verband (niet al bij repliek maar pas bij pleidooi) na het tussenvonnis van 14 september 2011 ten eerste beroepen op het hiervoor door de rechtbank in 2.13 gedeeltelijk geciteerde rapport van Accufacts. Die citaten van Accufacts scheppen slechts algemene twijfels. Voldoende concrete aanwijzingen die tot de conclusie kunnen leiden dat de onderhavige olielekkage een andere oorzaak heeft dan sabotage, zoals bijvoorbeeld het door Accufacts gesuggereerde corrosiegat, bevat het rapport van Accufacts niet en zijn ook niet zichtbaar op de beschikbare videobeelden.

4.24. De videobeelden van het lekgat bij Oruma van 7 juli 2005 zijn weliswaar niet van goede kwaliteit, maar tonen wel voldoende zichtbaar een min of meer rond gat dat meer duidt op sabotage met een boor of soortgelijk werktuig dan op een corrosiegat. Het JIT-rapport bevestigt dat er sprake is van een (boor)gat na graafwerkzaamheden en niet van een corrosiegat. Verder volgt uit de in het JIT-rapport beschreven UT-metingen (Ultrasonic Thickness) van de dikte van de stalen pijpwand rondom het lekgat dat de wanddikte toen niet significant dunner was dan de oorspronkelijke dikte van de pijpwand. Dit betekent dat, als die UT-metingen juist zijn, er sprake moet zijn van een door saboteurs aangebracht (boor)gat en dat de olielekkage niet het gevolg kan zijn van corrosie. Tussen partijen is immers niet in geschil dat bij een door saboteurs aangebracht gat de wanddikte rondom het gat niet significant zal zijn afgenomen, terwijl er bij corrosie juist wel sprake zal zijn van een verdunning van de wand rondom het gat. De in het JIT-rapport vastgelegde meetwaarden stemmen voorts overeen met de meetwaarden die de desbetreffende onderzoeker bij zijn UT-metingen op 7 juli 2005 duidelijk hoorbaar roept op de toen gemaakte videobeelden. Het rapport van Accufacts legt onvoldoende uit wat er concreet mis kan zijn gegaan bij die UT-metingen en hoe Accufacts dat op de videobeelden heeft kunnen waarnemen. Er is dus in dit geval onvoldoende concrete reden om te twijfelen aan de juistheid van de in het (door twee Nigeriaanse overheidsinstanties voor akkoord ondertekende) JIT-rapport vastgestelde waarden van de UT-metingen.

4.25. Voorts sluit het feit dat de ondergrondse oliepijpleiding bij Oruma relatief diep was ingegraven niet uit dat er sprake was van sabotage. Als het medewerkers van SPDC lukt om de oliepijpleiding binnen relatief korte tijd bloot te leggen, moet het voor een groep saboteurs ook mogelijk zijn om dat te doen. Ook het feit dat het lekgat zich niet aan de bovenzijde maar aan de onderzijde van de pijpwand bevond, betekent niet dat sabotage als oorzaak niet voor de hand ligt. Door aan de onderkant van de pijpwand een gat te boren of te slaan voorkomen de saboteurs immers dat de ruwe olie onmiddellijk over hen heen spuit nadat zij het lekgat hebben gemaakt. Een niet voor de hand liggende plek voor sabotage is de onderkant van de pijpleiding dus niet. Milieudefensie c.s. wijzen er nog op dat het niet logisch is dat saboteurs in één keer de juiste positie van de ondergrondse pijpleiding zouden vinden. Dat de saboteurs niet op meer plekken hebben gegraven, blijkt echter nergens uit.

4.26. Milieudefensie c.s. hebben zich bij pleidooi ten tweede beroepen op het hiervoor in 2.5 beschreven interne rapport van SPDC van oktober 2004, waaruit volgens Milieudefensie c.s. blijkt dat het lekgat in juni 2005 bij Oruma wel degelijk het gevolg kan zijn van interne corrosie van de pijpwand, zodat sabotage niet vaststaat. Uit dat interne rapport van oktober 2004 van SPDC blijkt inderdaad dat er bij deze oliepijpleiding in 2005 een groot risico bestond op lekkage door interne corrosie. Alles afwegende ziet de rechtbank de interne corrosie waarvoor in het rapport uit 2004 in algemene zin wordt gewaarschuwd, echter niet als een reële alternatieve oorzaak voor de onderhavige lekkage bij Oruma. De reden daarvoor is dat in het rapport van SPDC uit 2004 is beschreven dat de gehele oliepijpleiding van vele kilometers lang aan ernstige corrosie onderhevig is. De oorzaak van dit probleem was dat de ruwe olie die door die leiding werd getransporteerd, bovengemiddeld veel waterbestanddelen bevatte. De oliepijpleiding in kwestie is echter in ieder geval tot in 2009 feitelijk in gebruik gebleven. Als het corrosiegevaar waarvoor wordt gewaarschuwd in het interne rapport van SPDC uit 2004 had kunnen leiden tot lekgaten zoals het onderhavige lekgat in juni 2005 bij Oruma, valt zonder concrete toelichting - die ontbreekt - niet te verklaren waarom er in de periode van juli 2005 tot 2009 bij Oruma of elders geen lekkages uit deze verouderde en corrosiegevoelige oliepijpleiding met vergelijkbare kenmerken zijn gesteld en/of gebleken. Ook dit duidt er op dat er in juni 2005 bij Oruma geen sprake was van corrosie maar van sabotage.

4.27. Om deze redenen blijft de rechtbank bij haar voorlopig oordeel uit het tussenvonnis van 14 september 2011 en oordeelt zij alles afwegende nu definitief dat deze olielekkage in 2005 bij Oruma feitelijk veroorzaakt is door sabotage.

Niet contractuele verbintenissen tot schadevergoeding naar Nigeriaans recht

4.28. Het Nigeriaanse rechtssysteem met betrekking tot niet contractuele verbintenissen tot schadevergoeding is gebaseerd op het common law rechtssysteem van Engeland. Het common law rechtssysteem maakt deel uit van het federale recht van Nigeria en is in alle deelstaten van Nigeria van toepassing. Uitspraken van Engelse rechters die dateren van na de onafhankelijkheid van Nigeria in 1960 zijn formeel niet bindend voor de Nigeriaanse rechter, maar hebben wel persuasive authority en worden in de Nigeriaanse rechtspraak daarom vaak gevolgd. Common law rechtssystemen kennen niet zoals het Nederlandse rechtssysteem een in de wet geregeld overkoepelend begrip onrechtmatige daad. Zij kennen wel een aantal in de jurisprudentie ontwikkelde niet contractuele verbintenissen tot schadevergoeding, aangeduid als specifieke torts, die ieder eigen maatstaven kennen. In het Nigeriaanse recht is de aansprakelijkheid van operators zoals SPDC voor schade als gevolg van olielekkages op grond van common law voorts gedeeltelijk gecodificeerd in de Nigeriaanse Oil Pipelines Act 1956 (hierna: "OPA").

Tort of negligence en duty of care

4.29. Uit de uitspraak Donoghue v. Stevenson (1932) van de Engelse House of Lords is af te leiden dat een tort of negligence is gepleegd indien er door de verwerende partij een duty of care is geschonden die heeft geleid tot schade bij de eisende partij. Inmiddels wordt naar Nigeriaans recht aan de hand van drie criteria die zijn af te leiden uit de Engelse uitspraak Caparo Industries plc v Dickman (1990, House of Lords), bepaald of op een verwerende partij een duty of care rust tegenover de eisende partij. Deze drie criteria zijn:

(i) de voorzienbaarheid (foreseeability) voor de verwerende partij dat de eisende partij schade zou lijden;

(ii) de band (proximity) tussen de eisende en de verwerende partij;

(iii) of het redelijk en billijk (fair, just and reasonable) is om aan te nemen dat in een bepaalde specifieke situatie een duty of care bestaat.

Ook in de Nigeriaanse rechtspraak wordt aan de hand van deze drie criteria bepaald of op een partij een duty of care rust jegens een andere partij. In de Nigeriaanse en Engelse rechtspraak wordt voorts stapsgewijs en door het zoeken naar parallellen met vergelijkbare eerdere rechtszaken (precedenten) per geval vastgesteld of een duty of care bestaat. Deze aanpak wordt de incremental approach genoemd.

4.30. In common law rechtssystemen, inclusief dat van Nigeria, bestaat geen algemene duty of care om te voorkomen dat anderen schade lijden door het handelen van derden. Dat volgt uit de Engelse uitspraak Smith v Littlewoods (1987, House of Lords). Uit de overwegingen van Lord Goff in die uitspraak is af te leiden dat een eisende partij in de volgende bijzondere omstandigheden wél met succes kan stellen dat de verwerende partij een duty of care had om te voorkomen dat een derde schade aan de eisende partij zou toebrengen:

(i) er is een bijzondere verhouding tussen de eisende partij en de verwerende partij ontstaan doordat de verwerende partij een duty of care op zich heeft genomen jegens de eisende partij;

(ii) er bestond een bijzondere verhouding tussen de verwerende partij en de derde, op grond waarvan de verwerende partij toezicht op de derde moest houden of controle op de derde moest uitoefenen;

(iii) de verwerende partij heeft een gevaarlijke situatie in het leven geroepen die door een derde kon worden misbruikt en zo tot schade kon leiden;

(iv) de verwerende partij wist dat een gevaarlijke situatie was gecreëerd door een derde, terwijl die situatie onder de invloed van de verwerende partij stond.

4.31. Als sprake is van één van deze uitzonderingssituaties, is voldaan aan de vereisten dat er sprake is van proximity tussen de eisende en de verwerende partij en dat het fair, just and reasonable is om een duty of care aan de verwerende partij op te leggen om te voorkomen dat een derde partij schade toe zou brengen aan de eisende partij. De rechtbank gaat ervan uit dat deze uitzonderingssituaties ook naar Nigeriaans recht redenen vormen om aan te nemen dat er een duty of care bestaat om te voorkomen dat anderen schade lijden door het handelen van derden, voor zover die schade van de eisende partij voor de verwerende partij foreseeable was. Professor Oditah heeft in zijn legal opinions namens Shell c.s. ter discussie gesteld dat het Nigeriaanse recht de door Lord Goff beschreven mogelijkheden voor het ontstaan van een duty of care kent. Die mogelijkheden maken echter deel uit van het positieve recht onder common law, zodat de rechtbank die criteria ook naar Nigeriaans recht van toepassing acht, gelet op hetgeen in 4.28 is overwogen.

Tort of negligence van de moedervennootschappen RDS in Den Haag, Shell Petroleum in Den Haag en Shell T&T in Londen?

4.32. Hierna zal de rechtbank uitgaan van de veronderstelling dat zowel de huidige moedervennootschap (RDS in Den Haag) als ook de vorige twee moedervennootschappen (Shell Petroleum in Den Haag en Shell T&T in Londen) van het Shell-concern naar Nigeriaans recht aansprakelijk kunnen zijn voor de schadeposten die eventueel zijn toe te rekenen aan deze olielekkage bij Oruma in de periode van 26 juni 2005 t/m 29 juni of 7 juli 2005, hoewel de desbetreffende herstructurering van het Shell-concern feitelijk plaatsvond op 20 juli 2005 (zie hiervoor in 2.2).

4.33. Uit de rechtsregel naar Nigeriaans recht dat men geen algemene duty of care heeft om te voorkomen dat derden schade toebrengen aan anderen, volgt dat ook moedervennootschappen zoals RDS, Shell Petroleum en Shell T&T naar Nigeriaans recht in het algemeen geen verplichting hebben om te voorkomen dat hun (klein)dochtervennootschappen zoals SPDC door hun bedrijfsactiviteiten schade toebrengen aan anderen. Op die hoofdregel kan slechts een uitzondering worden gemaakt indien sprake is van één van de bijzondere omstandigheden genoemd door Lord Goff (zie hiervoor in 4.30).

4.34. Milieudefensie c.s. stellen dat de moedervennootschappen RDS, Shell Petroleum en Shell T&T kennis hadden van de problematische situatie van olielekkages in Nigeria en dat zij zich in Den Haag en Londen in veel opzichten hebben bemoeid met en invloed hebben uitgeoefend op de activiteiten van SPDC in Nigeria. Bovendien hebben de moedervennootschappen er een speerpunt van gemaakt om milieuschade als gevolg van de activiteiten door hun werkmaatschappijen, waaronder SPDC in Nigeria, te voorkomen en beroepen zij zich daar publiekelijk ook op. Volgens Milieudefensie c.s. kan daaruit worden afgeleid dat de moedervennootschappen van het Shell-concern een duty of care op zich hebben genomen voor de wijze waarop de olieoperaties van SPDC in Nigeria plaatsvinden. De beschreven situatie is gelijk te stellen aan die in de Engelse rechtszaak Chandler v Cape PLC, aldus nog steeds Milieudefensie c.s.

4.35. In de zaak Chandler v Cape stond de vraag centraal of een moedervennootschap een duty of care kan hebben jegens de werknemers van een dochtervennootschap voor wat betreft het gezondheids- en veiligheidsbeleid. Het ging daarbij om schade door blootstelling aan asbeststof. In hoger beroep is geoordeeld dat dit het geval kan zijn indien de moedervennootschap deze duty of care op zich heeft genomen. Daarvan is sprake onder de volgende bijzondere omstandigheden:

(i) de ondernemingen van de moedervennootschap en van de dochtervennootschap zijn in essentie dezelfde;

(ii) de moedervennootschap heeft meer kennis of zou meer kennis moeten hebben van een relevant aspect van gezondheid en veiligheid in de bedrijfstak dan de dochtervennootschap;

(iii) de moedervennootschap wist of had moeten weten dat de werkomstandigheden bij haar dochtervennootschap ongezond waren;

(iv) de moedervennootschap wist of had moeten voorzien dat de dochtervennootschap of haar werknemers erop zouden vertrouwen dat de moedervennootschap haar superieure kennis zou gebruiken voor de bescherming van die werknemers.

In Chandler v Cape is voorts overwogen dat kan worden geacht te zijn voldaan aan de voorwaarde onder (iv), indien duidelijk is dat (v) de moedervennootschap al vaker had ingegrepen bij en in de bedrijfsactiviteiten van de dochtervennootschap.

4.36. De rechtbank overweegt dat de bijzondere relatie ofwel proximity tussen een moedervennootschap en de werknemers van haar in hetzelfde land opererende dochtervennootschap niet zonder meer gelijk kan worden gesteld met de band tussen de moedervennootschap van een internationaal olieconcern en de omwonenden van oliepijpleidingen en olie-installaties van haar (klein)dochtervennootschappen in andere landen. Die laatste relatie is naar het oordeel van de rechtbank veel minder nauw, zodat minder snel aan het vereiste van proximity zal zijn voldaan. De duty of care van een moedervennootschap jegens de werknemers van een in hetzelfde land opererende dochtervennootschap omvat verder slechts een relatief beperkte groep mensen, terwijl een eventuele duty of care van een moedervennootschap van een internationaal opererend olieconcern jegens omwonenden van oliepijpleidingen en olie-installaties van (klein)dochters een duty of care ten aanzien van een vrijwel onbeperkte groep mensen in vele landen zou creëren. Dat maakt naar het oordeel van de rechtbank dat het in deze zaak veel minder snel dan in Chandler v Cape fair, just and reasonable is om het bestaan van een dergelijke duty of care van de moedervennootschappen van het Shell-concern aan te nemen.

4.37. Aan SPDC kan hooguit worden verweten dat zij niet heeft voorkomen dat derden door sabotage indirect schade toebrachten aan omwonenden en dat zij die schade onvoldoende heeft beperkt, terwijl in Chandler v Cape de dochtervennootschap zelf rechtstreeks schade toebracht aan haar werknemers door deze te laten werken in een ongezonde werkomgeving. Aan de moedervennootschappen RDS, Shell Petroleum en Shell T&T kan dus hooguit worden verweten dat zij hun (klein)dochtervennootschap SPDC er niet toe hebben bewogen en/of er niet toe in staat hebben gesteld om schade door sabotage voor omwonenden te voorkomen en te beperken. Dat is een wezenlijk andere situatie dan in Chandler v Cape.

4.38. Voorts doen de omstandigheden die volgens Chandler v Cape een duty of care van een moedervennootschap in het leven kunnen roepen, zich hier niet (alle) voor. Een gelijke omstandigheid is dat de moedervennootschappen van het Shell-concern wisten en weten dat de bedrijfsactiviteiten van SPDC gezondheidsrisico's met zich meebrengen voor derden. De ondernemingen van de moedervennootschappen en SPDC zijn echter in essentie juist niet dezelfde, omdat de moedervennootschappen vanuit Den Haag en/of Londen algemene beleidslijnen uitzetten en zich bezig houden met strategie en risicomanagement wereldwijd, terwijl SPDC zich bezig houdt met het winnen van olie in Nigeria. Verder valt niet in te zien waarom de moedervennootschappen meer kennis zouden hebben van de specifieke risico's van de bedrijfstak van SPDC in Nigeria dan SPDC zelf, en daarom ook niet waarom omwonenden zoals Oguru en Efanga erop zouden hebben vertrouwd dat de moedervennootschappen van het Shell-concern die eventuele superieure specifieke kennis zouden gebruiken ter bescherming van de lokale gemeenschap bij Oruma.

4.39. De conclusie luidt dat de bijzondere omstandigheden op basis waarvan de moedervennootschap in Chandler v Cape aansprakelijk is gehouden, niet zodanig vergelijkbaar zijn met die in de onderhavige zaak, dat alleen al op grond daarvan kan worden aangenomen dat een duty of care op RDS, Shell Petroleum en Shell T&T is komen te rusten ten aanzien van Milieudefensie, Oguru en Efanga. Met andere woorden: Chandler v Cape heeft naar het oordeel van de rechtbank geen precedentwerking in de onderhavige zaak.

4.40. Ook op andere gronden kan in de omstandigheden van dit geval niet worden aangenomen dat de moedervennootschappen in Den Haag en Londen de verplichting op zich hebben genomen om in te grijpen in het beleid van SPDC terzake van het voorkomen van en het reageren op sabotage van oliepijpleidingen en olie-installaties in Nigeria. De algemene omstandigheid dat de moedervennootschappen een speerpunt hebben gemaakt van het voorkomen van milieuschade door activiteiten van hun (klein)dochters en dat zij in zekere mate bemoeienis hebben met het beleid van SPDC, vormt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende reden om te oordelen dat die moedervennootschappen naar Nigeriaans recht een duty of care op zich hebben genomen ten opzichte van de omwonenden van de oliepijpleidingen en olie-installaties van SPDC. Die omstandigheden maken niet dat er proximity is ontstaan tussen enerzijds de moedervennootschappen in Den Haag en/of Londen en anderzijds die omwonenden in Nigeria en dat het fair, just and reasonable zou zijn om aan te nemen dat er in 2005 bij Oruma een specifieke duty of care op de moedervennootschappen van het Shell-concern rustte. Er zijn ook geen andere omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan kan worden geoordeeld dat aan deze vereisten van het Nigeriaanse recht is voldaan.

4.41. Gelet op al het voorgaande hebben de moedervennootschappen in Den Haag en Londen daarom naar het oordeel van de rechtbank naar het toepasselijke Nigeriaanse recht in dit geval geen tort of negligence jegens Milieudefensie, Oguru en Efanga gepleegd. Daarom zal de rechtbank alle tegen RDS, Shell Petroleum en Shell T&T ingestelde vorderingen afwijzen.

Tort of negligence van SPDC tegen Milieudefensie in Amsterdam?

4.42. Milieudefensie in Amsterdam vordert onder III een verklaring voor recht dat SPDC jegens Milieudefensie een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Die vordering is echter niet toewijsbaar. Milieudefensie betoogt dat artikel 3:305a BW de juridische fictie creëert dat de belangen van al degenen die door het schadeveroorzakend handelen zijn getroffen in Milieudefensie zijn geïncorporeerd. Die stelling vindt echter geen steun in het Nigeriaanse recht, en overigens ook niet in het Nederlandse recht. Dat Milieudefensie op grond van artikel 3:305a BW in rechte kan opkomen voor de belangen van derden, betekent immers niet dat schade van die derden als schade van Milieudefensie zelf kan worden beschouwd. Er is dus geen schade opgetreden bij Milieudefensie als gevolg van de lekkage in 2005 bij Oruma, zodat er geen sprake kan zijn van een tort of negligence van SPDC tegen Milieudefensie. Voorts merkt de rechtbank op dat er naar common law ook onvoldoende proximity bestaat tussen SPDC in Nigeria en Milieudefensie in Amsterdam voor in Nigeria bij Oruma opgetreden schade. Reeds daarom hebben Shell c.s. ook geen duty of care geschonden jegens Milieudefensie. De rechtbank zal de onder III door en voor Milieudefensie ingestelde vorderingen dus afwijzen.

Aansprakelijkheid van SPDC jegens Oguru en Efanga wegens the rule in Rylands v Fletcher?

4.43. In section 11 (5) (c) OPA is het volgende bepaald: "The holder of a license shall pay compensation (...) to any person suffering damage (other than on account of his own default or on account of the malicious act of a third person) as a consequence of any breakage or leakage from the pipeline or an ancillary installation for any such damage not otherwise made good".

Deze Nigeriaanse wetsbepaling is een codificatie van de aansprakelijkheid van een vergunninghouder zoals SPDC op grond van the rule in Rylands v Fletcher. Uit deze Nigeriaanse wetsbepaling volgt als hoofdregel dat SPDC aansprakelijk is voor schade van Oguru en Efanga door de olielekkage in 2005 bij Oruma, tenzij die lekkage is veroorzaakt door de schuld van Oguru en/of Efanga of door sabotage door derden. De rechtbank heeft hiervoor in 4.27 definitief geoordeeld dat deze lekkage door sabotage is veroorzaakt. Daarom kan SPDC op grond van section 11 (5) (c) OPA of op grond van the rule in Rylands v. Fletcher niet aansprakelijk zijn voor schade die is veroorzaakt door het ontstaan van deze olielekkage. Milieudefensie c.s. stellen echter dat SPDC op deze grond nog steeds aansprakelijk kan zijn wegens het niet adequaat reageren op de olielekkages en wegens het niet goed saneren van de olievervuiling. De rechtbank volgt Milieudefensie c.s. hierin niet, omdat die stelling niet te verenigen is met de tekst en strekking van section 11 (5) (c) OPA. Er wordt in deze Nigeriaanse wetsbepaling immers wel aansprakelijkheid gevestigd voor de gevolgen van het ontstaan van een lekkage, maar niet voor de gevolgen van een inadequate reactie daarop of voor de gevolgen van het niet goed saneren daarvan.

Tort of nuisance van SPDC jegens Oguru en Efanga?

4.44. De door Milieudefensie c.s. gestelde tort of nuisance - welk begrip de rechtbank in dit verband vertaalt als een inbreuk op een genotsrecht of gebruiksrecht van grond en daarop gelegen visvijvers - is voor operators zoals SPDC gecodificeerd in section 11 (5) (a) OPA, waarin het volgende is bepaald: "[The operator shall pay compensation] to any person whose land or interest in land (...) is injuriously affected by the exercise of the rights conferred by the licence, for any such injurious affection not otherwise made good."

Naar het oordeel van de rechtbank kan het nalaten om sabotage te voorkomen niet worden aangemerkt als een tort of nuisance die is veroorzaakt door het uitoefenen van de vergunningsrechten die de Nigeriaanse overheid aan SPDC heeft verstrekt. Het niet adequaat reageren op een olielekkage of het niet goed saneren daarvan kan evenmin worden aangemerkt als een tort of nuisance door het uitoefenen van de vergunningsrechten door SPDC. Verder is naar het Engelse en ook naar het Nigeriaanse common law geen sprake van een tort of nuisance indien die inbreuk is veroorzaakt door sabotage door een derde. Daarom heeft SPDC door het nalaten de sabotage te voorkomen geen tort of nuisance tegen Oguru en Efanga gepleegd.

Tort of negligence van SPDC jegens Oguru en Efanga bij het ontstaan van de olielekkage in 2005 bij Oruma?

4.45. Vervolgens komt aan de orde of SPDC een tort of negligence heeft gepleegd tegen Oguru en Efanga. De omstandigheden waaronder een operator zoals SPDC in Nigeria een tort of negligence kan plegen in verband met haar bedrijfsactiviteiten, zijn gecodificeerd in artikel 11 (5) (b) OPA. Daarin is het volgende bepaald:

"[The operator shall pay compensation] to any person suffering damage by reason of any neglect on the part of [the operator] or his agents, servants or workmen to protect, maintain or repair any work structure or thing executed under the licence, for any such damage not otherwise made good."

De rechtbank gaat ervan uit dat de jurisprudentie over de tort of negligence in het algemeen ook van toepassing is in het kader van de uitleg van deze Nigeriaanse wetsbepaling. Milieudefensie c.s. stellen in dit verband onder meer dat SPDC jegens Oguru en Efanga de verplichting had om meer en betere maatregelen te nemen ter preventie van sabotage.

4.46. Volgens Milieudefensie c.s. is sabotage aan oliepijpleidingen en olie-installaties in Nigeria steeds foreseeable, bestaat er proximity tussen SPDC en de omwonenden en is het fair, just and reasonable om aan SPDC een algemene duty of care op te leggen om sabotage te voorkomen. In de visie van Milieudefensie c.s. heeft SPDC door oliepijpleidingen en olie-installaties aan te leggen en in gebruik te houden voor omwonenden daarvan een gevaarlijke situatie in het leven geroepen en gehouden die door derden kan worden uitgebuit. Daarom heeft SPDC volgens Milieudefensie c.s. naar Nigeriaans recht een algemene duty of care jegens omwonenden zoals Oguru en Efanga om sabotage aan haar oliepijpleidingen en olie-installaties te voorkomen door het nemen van meer en betere preventieve maatregelen. Shell c.s. betwisten dat.

4.47. In de Nigeriaanse rechtspraak bestaat er tot dusver geen precedent waarin een operator zoals SPDC aansprakelijk is gehouden voor schade als gevolg van een olielekkage op grond van een tort of negligence, omdat de operator een algemene duty of care had geschonden om sabotage door derden aan haar oliepijpleiding of olie-installatie te voorkomen. In Nigeriaanse uitspraken waarin is geconstateerd dat sprake was van sabotage, is tot dusver steeds geoordeeld dat de operator niet aansprakelijk was. Daaruit blijkt duidelijk dat operators naar Nigeriaans recht niet een algemene duty of care hebben tegenover de omwonenden van hun oliepijpleidingen en olie-installaties om sabotage daarvan te voorkomen. Kennelijk wordt in de Nigeriaanse rechtspraak tot dusver het aanleggen en het houden van een oliepijpleiding of een olie-installatie niet uit de aard der zaak aangemerkt als het in het leven roepen of houden van een gevaarlijke situatie die een algemene duty of care doet ontstaan, hoewel sabotage in Nigeria dikwijls plaatsvindt.

4.48. Zoals alle door partijen geraadpleegde professoren in hun geproduceerde legal opinions ook erkennen, is echter naar Nigeriaans recht niet uitgesloten dat een operator in geval van sabotage in een concreet geval een tort of negligence kan hebben gepleegd doordat deze in een specifieke situatie onvoldoende heeft gedaan om het risico van sabotage van een specifieke oliepijpleiding of olie-installatie te beperken. Dat volgt ook uit de Nigeriaanse uitspraak Shell Petroleum Development Company (Nigeria) Limited v Otoko (1990). In die uitspraak is immers (vrij vertaald) beslist dat "waar de directe oorzaak van de [olielekkage] [sabotage] is, de [operator] niet aansprakelijk is, tenzij [de operator] (...) de sabotage heeft moeten voorzien en daartegen maatregelen had moeten nemen."

4.49. Indien een olielekkage plaatsvindt uit een oliepijpleiding of installatie van SPDC, is steeds voorzienbaar dat dit schadelijke gevolgen heeft voor de mensen die in de omgeving van de oorsprong van de lekkage wonen en daar landbouw of visserij bedrijven. Aan de in 4.29 beschreven eis van foreseeability is daarmee voldaan.

4.50. Naar het oordeel van de rechtbank zijn er in dit specifieke geval echter geen bijzondere omstandigheden gesteld en/of gebleken die een specifieke duty of care van SPDC jegens Oguru en Efanga zouden rechtvaardigen. In de onderhavige zaak was de sabotage aan de ondergrondse oliepijpleiding in juni 2005 bij Oruma niet eenvoudig te realiseren. De oliepijpleiding was immers ingegraven, waarbij er eerst relatief diep moest worden gegraven om de stalen oliepijpleiding te bereiken. Die moest vervolgens met een werktuig zodanig worden beschadigd dat er olie uit kon gaan lekken. Er was daarom in juni 2005 bij Oruma geen specifiek en/of buitengewoon risico op sabotage voor omwonenden zoals Oguru en Efanga, dat aanzienlijk groter of wezenlijk anders was dan het algemene risico op sabotage voor alle andere omwonenden van oliepijpleidingen en olie-installaties van SPDC in Nigeria. Er kan daarom niet worden geoordeeld dat SPDC in juni 2005 door de ondergrondse oliepijpleiding te gebruiken een bijzonder risico in het leven heeft geroepen en laten voortbestaan dat door een derde kon worden misbruikt in de zin zoals bedoeld door Lord Goff (zie hiervoor onder 4.30).

4.51. Verder had SPDC het algemene risico op sabotage bij Oruma in 2005 slechts tegen een zeer hoge prijs kunnen beperken of uitsluiten. Milieudefensie c.s. hebben gesteld dat SPDC meer maatregelen had kunnen en moeten nemen ter preventie van sabotage, zoals het plaatsen van camera's of meetinstrumenten die sabotagepogingen bij de ondergrondse oliepijpleiding (eerder) hadden kunnen signaleren en/of het inzetten van (meer of betere) bewakingsploegen. Van de genoemde camera's of meetinstrumenten moet gezegd worden dat die ook gesaboteerd kunnen worden. Verder hebben Shell c.s. bij dupliek in alinea 108 gesteld dat SPDC op haar kosten al dagelijks bewakingsploegen bij deze ondergrondse oliepijpleiding liet surveilleren, toezicht hield met helikopters en een systeem hanteerde dat de druk in de pijpleidingen meet. Milieudefensie c.s. hebben die feitelijke stellingen van Shell c.s. bij pleidooi niet of onvoldoende weersproken, waardoor de rechtbank die feitelijke stellingen van Shell c.s. in deze twee procedures voor juist zal houden. Ook deze door SPDC getroffen extra preventieve maatregelen hebben de onderhavige sabotage in 2005 bij Oruma echter niet kunnen voorkomen. Niet gesteld of gebleken is dat verdergaande beveiligingsmaatregelen van de ondergrondse oliepijpleiding naar Nigeriaans recht in 2005 bij Oruma in redelijkheid van SPDC konden worden gevergd.

4.52. Gelet op het voorgaande bestond er in juni 2005 naar het oordeel van de rechtbank naar Nigeriaans recht geen proximity tussen enerzijds SPDC en anderzijds Oguru en Efanga en is het ook niet fair, just and reasonable om te oordelen dat toen op SPDC een specifieke duty of care rustte jegens Oguru en Efanga om de door Milieudefensie c.s. gestelde of andere extra beveiligingsmaatregelen tegen sabotage van haar ingegraven oliepijpleiding bij Oruma te nemen. Van een tort of negligence van SPDC jegens Oguru en Efanga is onder die omstandigheden in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake.

Tort of negligence van SPDC jegens Oguru en Efanga bij de reactie op de olielekkage bij Oruma?

4.53. Milieudefensie c.s. hebben voorts betoogd dat SPDC jegens Oguru en Efanga een tort of negligence heeft gepleegd door niet adequaat te reageren op deze lekkage in 2005 bij Oruma. De rechtbank overweegt dat er - voor zover de rechtbank heeft kunnen nagaan - geen met deze zaak vergelijkbare eerdere Nigeriaanse rechtspraak bestaat, waaruit volgt dat SPDC een tort of negligence kan hebben gepleegd door niet adequaat op een lekkage te reageren. Zoals hiervoor al is overwogen doet zich voorts in dit geval geen van de uitzonderingssituaties voor zoals voorgeschreven door Lord Goff. Daar komt nog bij dat SPDC in dit geval op 29 juni en 7 juli 2005 de lekkage (kort gezegd) in feite zo snel als redelijkerwijs mogelijk heeft gestopt en verholpen, zodat niet kan worden geoordeeld dat haar reactie feitelijk niet adequaat is geweest. De conclusie is dat SPDC ook op dit punt geen tort of negligence heeft gepleegd jegens Oguru en Efanga.

Tort of negligence van SPDC jegens Oguru en Efanga bij de sanering van de olievervuiling bij Oruma?

4.54. De procespartijen verschillen van mening over de vraag of op operator SPDC naar Nigeriaans recht de verplichting rustte om de olievervuiling bij Oruma naar behoren te saneren. In de Environmental Guidelines and Standards for the Petroleum Industry in Nigeria (EGASPIN) is het volgende bepaald: "An operator shall be responsible for the containment and recovery of any Spill discovered within his operational area, whether or not its source is known. The operator shall take prompt and adequate steps to contain, remove and dispose of the spill." Shell c.s. voeren aan dat SPDC in geval van sabotage desondanks geen duty of care tot sanering heeft jegens omwonenden zoals Oguru en Efanga, omdat de EGASPIN slechts aanbevelingen bevatten en niet juridisch bindend zijn. Uitgaande van de juistheid van de veronderstelling van Milieudefensie c.s. dat de EGASPIN de in de Nigeriaanse olie-industrie gebruikelijke wijze van handelen (industry custom) weergeven en dat er op die grond een duty of care bestaat voor SPDC jegens omwonenden zoals Oguru en Efanga om ook door sabotage veroorzaakte olievervuiling zoals de onderhavige bij Oruma naar behoren te doen saneren, overweegt de rechtbank als volgt. Shell c.s. voeren als verweer dat de hiervoor in 2.8 vermelde feitelijke sanering bij Oruma in opdracht en op kosten van SPDC naar Nigeriaanse maatstaven in orde is geweest, zodat SPDC ook in dat opzicht niet de door Milieudefensie c.s. gestelde tort of negligence heeft gepleegd. Shell c.s. voeren daartoe aan dat SPDC die saneringswerkzaamheden heeft laten verrichten volgens de gebruikelijke RENA-methode en dat de Nigeriaanse overheid door het afgeven van het in 2.9 beschreven ondertekende certificaat die sanering heeft goedgekeurd.

4.55. Milieudefensie c.s. betwisten dat voldoende is gesaneerd. Zij voeren daartoe in de eerste plaats aan dat de gebruikte saneringsmethode, de RENA-methode, niet tot een voldoende resultaat kan hebben geleid. Zij baseren zich daarbij op een rapport van het United Nations Environment Programme (UNEP) over de milieuvervuiling in Ogoniland (Environmental Assessment of Ogoniland, 2011). In dat UNEP-rapport wordt geconcludeerd dat de RENA-methode onder bepaalde omstandigheden niet bruikbaar is en in de praktijk in sommige gevallen ook niet goed wordt uitgevoerd. Milieudefensie c.s. hebben zich op het algemene standpunt gesteld dat de omstandigheden die volgens het UNEP-rapport in Ogoniland tot gevolg kunnen hebben dat de RENA-methode niet effectief is, ook van toepassing zijn op de onderhavige olieverontreiniging bij Oruma. Zij wijzen daarbij vooral op het feit dat er tussen de lekkage en de sanering bij Oruma meer dan een jaar is verstreken, zodat blootstelling aan zon, lucht en regen heeft plaatsgevonden en olie heeft kunnen doorsijpelen naar het grondwater. Milieudefensie c.s. hebben naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende concreet onderbouwd dat die algemene omstandigheden de RENA-methode al op voorhand ongeschikt maken, terwijl zij ook niet concreet hebben onderbouwd dat ook alle andere voor de RENA-methode bezwaarlijke omstandigheden die in het UNEP-rapport worden genoemd, zich in de voor deze procedures relevante periode op deze locatie bij Oruma ook daadwerkelijk hebben voorgedaan. De rechtbank verwerpt daarom het standpunt van Milieudefensie dat alleen al uit het enkele gebruik van de RENA-methode in samenhang met het UNEP-rapport de conclusie kan worden getrokken dat deze specifieke olievervuiling bij Oruma door SPDC onvoldoende is gesaneerd.

4.56. Milieudefensie c.s. voeren in de tweede plaats aan dat documenten van de Nigeriaanse overheid in het algemeen niet betrouwbaar zijn, zodat volgens Milieudefensie c.s. niet op de juistheid van het hiervoor in 2.9 genoemde en door Shell c.s. aan hun feitelijk verweer ten grondslag gelegde certificaat van de Nigeriaanse overheid over de sanering bij Oruma kan worden vertrouwd. De rechtbank volgt Milieudefensie c.s. ook niet in dat argument en overweegt daartoe het volgende.

4.57. Milieudefensie c.s. stellen in dit verband ten eerste dat in de EGASPIN is opgenomen dat bij een sanering van olievervuiling een eindresultaat van 50 mg/kg Total Petroleum Hydrocarbons (TPH) olieresten moet worden bereikt, en dat in dit geval bij Oruma volgens het JIT-rapport en het certificaat slechts een eindresultaat van 61 mg/kg TPH is behaald. Shell c.s. hebben daartegen ingebracht dat 50 mg/kg TPH slechts een streefwaarde is en dat het eindresultaat bij Oruma ver onder de interventiewaarde van 5.000 mg/kg ligt. Milieudefensie c.s. hebben die stelling van Shell c.s. niet of onvoldoende weersproken, zodat de rechtbank het ervoor houdt dat 50 mg/kg TPH naar Nigeriaans recht slechts een streefwaarde is. Op basis van dit argument van Milieudefensie c.s. kan dus niet worden aangenomen dat SPDC ondanks het door de Nigeriaanse overheid afgegeven certificaat de onderhavige olievervuiling bij Oruma onvoldoende heeft gesaneerd.

4.58. Ten tweede stellen Milieudefensie c.s. dat uit het bij dagvaarding geproduceerde Bryjark-rapport (zie hiervoor in 2.10) blijkt dat onvoldoende is gesaneerd. Shell c.s. hebben echter bij pleidooi gemotiveerd gesteld en Milieudefensie c.s. hebben bij pleidooi onvoldoende weersproken dat uit het latere rapport van Arcadis (zie hiervoor in 2.14) voldoende blijkt dat (kort gezegd) de conclusies uit het eerdere Bryjark-rapport onvoldoende betrouwbaar zijn wegens een gebrekkige onderzoeksmethode en dat - als de meetresultaten van Bryjark al juist zijn - het gehalte TPH in de bodem bij Oruma toen dermate laag was dat sprake was van een "schone bodem". Slechts op twee plaatsen heeft Bryjark bij Oruma in juni 2007 een sterk verhoogd TPH gehalte gemeten, maar dat kan andere oorzaken hebben zoals ook in het rapport van Bryjark is vermeld. Onvoldoende gesteld of gebleken is dat die twee hoge meetresultaten van Bryjark in juni 2007 zijn toe te rekenen aan de gevolgen van de onderhavige olielekkage in juni 2005, ook gelet op het door de Nigeriaanse overheid in augustus 2006 afgegeven certificaat voor de toen in opdracht en op kosten van SPDC voltooide sanering. Uit het rapport van Bryjark blijkt volgens Milieudefensie c.s. ook nog dat SPDC onjuist heeft gesaneerd door ruwe olie in opslagputten ongecontroleerd te verbranden, wat tot schade aan omringende gewassen zou hebben geleid. Uit het rapport van Bryjark blijkt echter niet hoe Bryjark dat bij haar onderzoek in juni 2007 - ongeveer een jaar na de in juni 2006 bij Oruma voltooide sanering - heeft kunnen vaststellen. Ook deze stelling van Milieudefensie c.s. zal de rechtbank dus verwerpen omdat die stelling onvoldoende concreet is onderbouwd.

4.59. Ten derde doen Milieudefensie c.s. een beroep op de bij pleidooi door hun advocaat geproduceerde e-mail van de heer Von Scheibler (zie hiervoor in 2.15). Zoals Shell c.s. terecht hebben aangevoerd blijkt daaruit slechts dat de hoeveelheid TPH in het algemeen niet doorslaggevend is voor de vraag of er voldoende gesaneerd is. Uit de e-mail van Von Scheibler blijkt echter niet of onvoldoende concreet dat het door de Nigeriaanse overheid afgegeven certificaat voor deze specifieke sanering bij Oruma na deze specifieke olielekkage in 2005 inhoudelijk onjuist is of op andere wijze ten onrechte is verstrekt.

4.60. Dit alles brengt de rechtbank tot de slotsom dat ook de door Milieudefensie c.s. gestelde maar door Shell c.s betwiste tort of negligence van SPDC, die zou bestaan uit het onvoldoende saneren van de omgeving van Oruma, in deze twee procedures feitelijk niet is komen vast te staan.

Tort of trespass to chattel van SPDC jegens Oguru en Efanga?

4.61. Milieudefensie c.s. stellen dat SPDC ook een tort of trespass to chattel jegens Oguru en Efanga heeft gepleegd, welk begrip de rechtbank vertaalt als een inbreuk op roerende zaken. In common law rechtssystemen kan van een tort of trespass to chattel alleen sprake zijn indien opzettelijk of negligent inbreuk wordt gemaakt op de roerende zaak van een ander. Er is echter geen opzet gesteld of gebleken, terwijl de rechtbank in al het voorgaande al heeft geoordeeld dat van negligence van SPDC jegens Oguru en Efanga naar Nigeriaans recht geen sprake is. Reeds daarom kan er ook geen sprake zijn van een tort of trespass to chattel van SPDC jegens Oguru en Efanga.

Aansprakelijkheid wegens inbreuk op mensenrechten van Oguru en Efanga?

4.62. Milieudefensie c.s. hebben onder II gevorderd te verklaren voor recht dat SPDC aansprakelijk is voor de aantasting van de lichamelijke integriteit van Oguru en Efanga door het leven in een vervuilde leefomgeving. Milieudefensie c.s. verwijzen daartoe naar de uitspraak in de Nigeriaanse rechtszaak Gbemre v. Shell Petroleum Development Company and others (2005). De rechtbank overweegt dat er een wezenlijk verschil is aan te wijzen tussen die zaak en de onderhavige kwestie. In de zaak Gbemre v. Shell Petroleum Development Company and others werd geoordeeld dat SPDC inbreuk op een mensenrecht had gemaakt door een actieve gedraging, namelijk door het opzettelijk affakkelen van gas gedurende een lange periode. In dit geval kan SPDC echter geen actieve gedraging maar hooguit nalatigheid worden verweten. In al het voorgaande heeft de rechtbank echter geoordeeld dat er geen sprake is van laakbaar handelen door nalatigheid (een tort of negligence). Er bestaan - voor zover de rechtbank heeft kunnen nagaan - tot dusver ook geen uitspraken van Nigeriaanse rechters (precedenten) waarin een laakbaar nalaten in horizontale verhoudingen zoals deze en in het geval van sabotage door derden als een inbreuk op een mensenrecht wordt beschouwd. De onder II gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden afgewezen.

Slotsom van de rechtbank over de ingestelde hoofdvorderingen

4.63. Al het voorgaande betekent dat de rechtbank de in deze procedures onder I t/m III ingestelde hoofdvorderingen zal afwijzen.

De ingestelde nevenvorderingen

4.64. Milieudefensie c.s. hebben onder IV t/m VII ook gevorderd dat de rechtbank SPDC zal gebieden om meerdere maatregelen te nemen. Het betreft nevenvorderingen die strekken tot het geven van zogenoemde injunctions naar Nigeriaans recht. De rechtbank kan alleen besluiten tot een injunction indien er naar Nigeriaans recht een tort is gepleegd en indien de rechtbank een injunction in dat verband passend en geboden acht. In dat geval heeft de rechtbank daarbij een ruime discretionaire bevoegdheid. Reeds omdat de rechtbank echter in al het voorgaande heeft geoordeeld dat Shell c.s. in dit geval naar Nigeriaans recht geen tort jegens Milieudefensie, Oguru en Efanga hebben gepleegd zodat de hoofdvorderingen onder I t/m III moeten worden afgewezen, moeten ook de onder IV t/m VII gevorderde maatregelen, de onder VIII gevorderde dwangsommen en de onder IX gevorderde buitengerechtelijke kosten als nevenvorderingen worden afgewezen.

Het verzoek tot productie van bewijsstukken

4.65. Milieudefensie c.s. hebben bij repliek gesteld dat zij "hun verzoek handhaven om Shell c.s. te bevelen de relevante stukken te verstrekken". Naar de rechtbank evenals Shell c.s. begrijpt, verzoeken Milieudefensie c.s. de rechtbank in dit stadium van de procedure op grond van art. 22 Rv Shell c.s. te bevelen om alsnog de bewijsstukken te produceren waarvan de rechtbank in haar tussenvonnis van 14 september 2011 al heeft geoordeeld dat de desbetreffende incidentele vorderingen op grond van art. 843a Rv moesten worden afgewezen. Gelet op de inhoud van alle voorgaande overwegingen van de rechtbank en gelet op haar discretionaire bevoegdheid bij de toepassing van art. 22 Rv, wijst de rechtbank dit verzoek van Milieudefensie c.s. af.

Proceskosten en uitvoerbaar verklaring bij voorraad

4.66. Milieudefensie, Oguru en Efanga moeten als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten van Shell c.s. in beide procedures. Die proceskostenveroordelingen zal de rechtbank - zoals door Shell c.s. verzocht en zoals gebruikelijk - uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5. De beslissingen

De rechtbank in de procedure met rolnummer 09-0579:

5.1. wijst alle door Milieudefensie, Oguru en Efanga ingestelde vorderingen af;

5.2. veroordeelt Milieudefensie, Oguru en Efanga hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan RDS en SPDC, tot vandaag begroot op € 262,-- aan betaald griffierecht en op € 1.808,-- aan forfaitair salaris advocaat, met de bepaling dat deze proceskosten binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis moeten zijn betaald, bij gebreke waarvan Milieudefensie, Oguru en Efanga na die 14 dagen in verzuim zullen zijn;

5.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

De rechtbank in de procedure met rolnummer 10-1677:

5.4. wijst alle door Milieudefensie, Oguru en Efanga ingestelde vorderingen af;

5.5. veroordeelt Milieudefensie, Oguru en Efanga hoofdelijk tot betaling van de proceskosten aan Shell Petroleum en Shell T&T, tot vandaag begroot op € 263,-- aan betaald griffierecht en op € 1.808,-- aan forfaitair salaris advocaat, met de bepaling dat deze proceskosten binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis moeten zijn betaald, bij gebreke waarvan Milieudefensie, Oguru en Efanga na die 14 dagen in verzuim zullen zijn;

5.6. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door de rechters mr. H. Wien, mr. M. Nijenhuis en mr. F.M. Bus en in het openbaar uitgesproken op woensdag 30 januari 2013, in tegenwoordigheid van de griffier mr. F.L.M. Munter.