Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BY9459

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-01-2013
Datum publicatie
25-01-2013
Zaaknummer
Awb 12 / 19054
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dient de vraag of de weigering om aan een vreemdeling in Nederland verblijf toe te staan, tot gevolg heeft dat het kind zijn aan art. 20 VWEU ontleende recht op het grondgebied van de Unie te verblijven, wordt ontzegd, te worden onderscheiden van de vraag of het in art. 8 EVRM vervatte recht op bescherming van het gezinsleven verweerder noodzaakt tot het toestaan van een verblijf van de vreemdeling hier te lande (zie de uitspraak van 20 december 2012, LJN: BY8239). Zoals de Rb. in haar uitspraak van 10 januari 2013 (LJN: BY8363) heeft overwogen, dient verweerder aan een vreemdeling, die rechtstreeks een verblijfsrecht ontleent aan art. 20 VWEU, een document als bedoeld in art. 9, lid 1 van de Vw 2000 af te geven. De door eiseres ingediende aanvraag strekt niet tot afgifte van een dergelijk document, maar tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Verweerder was dan ook niet gehouden te beoordelen of eiseres rechtstreeks aan art. 20 van de VWEU een verblijfsrecht ontleent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/19054

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 januari 2013 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (voorheen: de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel), verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.M. Post).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “uitoefenen van het gezinsleven conform artikel 8 EVRM bij [naam A]” afgewezen.

Bij besluit van 11 juni 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Bij brief van 15 juli 2012 heeft zij de gronden ingediend.

Bij brieven van 17 juli 2012, 10 augustus 2012, 12 september 2012 heeft eiseres stukken overgelegd en de gronden van beroep nader aangevuld.

Het onderzoek ter zitting van de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 27 september 2012.

Bij brief van 2 oktober 2012 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat de zaak ter verdere behandeling is verwezen naar een meervoudige kamer.

Bij brieven van 5 oktober 2012, 2 november 2012, 8 november 2012, 14 november 2012 heeft eiseres de gronden van beroep aangevuld.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 16 november 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiseres heeft de Chinese nationaliteit. Zij is op onbekende datum Nederland binnengekomen. Op 9 mei 2010 is zij bevallen van een dochter, [naam B]. Deze dochter is erkend door haar biologische vader, [naam C], en heeft, net als haar vader, de Nederlandse nationaliteit. De relatie tussen eiseres en [naam C] is na de geboorte van [naam B] geëindigd.

2. Op 30 juni 2011 heeft eiseres de aanvraag ingediend.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).

4. In de bezwaarfase is gebleken dat eiseres inmiddels in het bezit is van een Italiaanse verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Verweerder twijfelt er daarom thans niet meer aan dat eiseres in het bezit is van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en heeft haar alsnog vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van artikel 17, eerste lid, onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

5. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres vervolgens ongegrond verklaard, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de door haar gevraagde vergunning.

6. Eiseres heeft aangevoerd dat de weigering haar een verblijfsvergunning te verlenen in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Over deze beroepsgrond overweegt de rechtbank als volgt.

7. In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is – kort gezegd – bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven en zijn familie- en gezinsleven. Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, het economisch welzijn, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van rechten en vrijheden van anderen.

8. Niet in geschil is dat tussen eiseres en haar dochter, [naam B], sprake is van familie- en gezinsleven in vorenbedoelde zin. Verder is geen sprake van inmenging in het recht op uitoefening van dat familie- en gezinsleven. Eiseres heeft in Italië weliswaar een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, maar eiseres is in Nederland nooit in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning op grond waarvan zij het gezinsleven rechtmatig kon uitoefenen.

9. Uit bijvoorbeeld het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 25 april 2007 inzake Konstantinov tegen Nederland (LJN: BA6629) blijkt dat ongeacht of sprake is van een positieve of negatieve verplichting, een “fair balance” dient te worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds en het Nederlands algemeen belang anderzijds. Bij deze afweging komt verweerder een zekere beoordelingsruimte toe.

10. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden – zoals bekend ten tijde van het nemen van het bestreden besluit – in zijn belangenafweging heeft betrokken. Voorts heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de belangen van eiseres, gelegen in het hier te lande kunnen uitoefenen van het familie- en gezinsleven, niet opwegen tegen het algemeen belang, welk belang onder meer wordt gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Meer in het bijzonder overweegt de rechtbank als volgt.

11. Verweerder heeft in het kader van die belangenafweging gewicht kunnen toekennen aan het feit dat eiseres het familie- en gezinsleven is aangegaan en heeft voortgezet gedurende een periode dat zij illegaal verbleef in Nederland en heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat die omstandigheid voor haar rekening en risico dient te komen (vgl. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 10 december 2010, LJN: BO8060, r.o. 2.7, en de daar aangehaalde jurisprudentie van het EHRM). Voorts acht de rechtbank van belang dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van objectieve belemmeringen voor eiseres om het gezinsleven met haar dochter [naam B] in Italië dan wel in China voort te zetten. Gelet op de jeugdige leeftijd van [naam B], kan van haar verwacht worden dat zij zich in Italië dan wel in China zal weten aan te passen, maar van haar wordt niet gevergd eiseres te volgen naar Italië dan wel China. Als Nederlandse heeft zij het recht om in Nederland te verblijven. De uiteindelijke keuze met wie en waar zij het gezinsleven zal uitoefenen berust bij eiseres. Voorts heeft verweerder in de belangenafweging betekenis kunnen toekennen aan de door eiseres op

2 juni 2008 aanvaarde transactie van een geldboete van € 250,00 terzake van winkeldiefstal. Aan de stelling van eiseres dat niet zij maar een ander onder haar personalia dat feit heeft gepleegd, gaat de rechtbank voorbij, omdat verweerder en de rechtbank, gegeven die transactie, ervan mogen uitgaan dat eiseres dat strafbare feit heeft gepleegd.

12. Voor zover eiseres een beroep doet op het gezinsleven tussen [naam C] en [naam B] heeft verweerder terecht vastgesteld dat – kort gezegd – twijfels bestaan of zij daadwerkelijk invulling geven aan de uitoefening van dat gezinsleven. Voorts heeft verweerder, ervan uitgaande dat de band tussen vader en dochter zich thans aan het vormen is, niet aannemelijk gemaakt hoeven achten dat sprake is van een objectieve belemmering voor [naam C] om het gezinsleven elders uit te oefenen.

13. De conclusie is dat de weigering eiseres de gevraagde verblijfsvergunning te verlenen niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Dit betekent dat de beroepsgrond faalt.

14. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder heeft miskend dat zij op grond van artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) recht heeft op toelating tot Nederland.

15. Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling dient de vraag of de weigering om aan een vreemdeling in Nederland verblijf toe te staan, tot gevolg heeft dat het kind zijn aan artikel 20 van het VWEU ontleende recht op het grondgebied van de Unie te verblijven, wordt ontzegd, te worden onderscheiden van de vraag of het in artikel 8 van het EVRM vervatte recht op bescherming van het gezinsleven verweerder noodzaakt tot het toestaan van een verblijf van de vreemdeling hier te lande (zie de uitspraak van 20 december 2012, 201200899/1 /V1, www.raadvanstate.nl). Zoals de rechtbank in haar uitspraak van 10 januari 2013 (AWB 12/18256, LJN: BY8363) heeft overwogen, dient verweerder aan een vreemdeling, die rechtstreeks een verblijfsrecht ontleend aan artikel 20 van het VWEU, een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 af te geven. De door eiseres ingediende aanvraag strekt niet tot afgifte van een dergelijk document, maar tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Verweerder was dan ook niet gehouden te beoordelen of eiseres rechtstreeks aan artikel 20 van de VWEU een verblijfsrecht ontleent.

16. Eiseres heeft zich verder beroepen op artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Verweerder heeft hieraan ten onrechte niet getoetst, aldus eiseres.

17. Deze beroepsgrond faalt. Niet is gebleken dat de situatie van eiseres binnen de werkingssfeer van het Unierecht valt en er is geen sprake van het ten uitvoer brengen van dat recht. Van een situatie als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 8 maart 2011 (inzake Ruiz Zambrano, LJN: BI8689) is hier geen sprake, reeds omdat eiseres een verblijfsvergunning heeft in Italië en haar kind, indien zij eiseres zou volgen, niet het grondgebied van de Europese Unie dient te verlaten. Gelet op het bepaalde in artikel 51 van het Handvest komt eiseres geen beroep toe op de bepalingen van het Handvest.

18. Eiseres heeft voorts aangevoerd dat sprake is van (omgekeerde) discriminatie van een Nederlands staatsburger en daarom van een ongerechtvaardigde inbreuk op diens privéleven.

19. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit vaste rechtspraak van het Hof (bijvoorbeeld het arrest van 27 oktober 1982 in de zaken Morson en Jhanjan, LJN: AC7752), volgt dat Nederlanders die geen gebruik hebben gemaakt van het recht van vrij verkeer, waardoor geen enkel aanknopingspunt bestaat met een van de situaties waarvoor het unierecht is geschreven, geen aanspraken kunnen ontlenen aan dat unierecht.

20. Verder heeft eiseres zich beroepen op de artikelen 3, 27, 28 en 29 van het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK).

21. Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2007 (LJN: AZ 9524) blijkt dat de Afdeling de woorden ‘de eerste overweging’ in artikel 3, eerste lid, van het IVRK, mede in aanmerking genomen de bewoordingen in de Engelse versie – ‘a primary consideration’ – zo verstaat dat het belang van het kind een eerste overweging is, maar ruimte geeft voor het zwaarder laten wegen van andere belangen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 13 september 2005 (LJN: AU3122) bevat deze verdragsbepaling, gelet op haar formulering, geen norm die vatbaar is voor rechtstreekse toepassing door de rechter, aangezien zij niet voldoende concreet is voor zodanige toepassing en derhalve nadere uitwerking behoeft in nationale wet en regelgeving. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 1 maart 2005 (LJN: AS9909) hetzelfde overwogen ten aanzien van artikel 27 van het IVRK. Naar het oordeel van de rechtbank geldt voor de artikelen 28 en 29 van het IVRK hetzelfde.

22. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, voorzitter, en mr. Y.S. Klerk en

mr. drs. M.L.L. Wijnen, leden, in aanwezigheid van P.L.M.M. Mulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2013.

Griffier Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, hoger beroep vreemdelingenzaken.