Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BY9267

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
407324 FA RK 11-8975 eindbeschikking
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

alimentatie eindbeschikking (tussenbeschikking onder LJN:9265)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2013/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 11-8957

Zaaknummer: 407324

Datum beschikking: 7 januari 2013

Alimentatie

Beschikking op het op 16 november 2011 ingekomen verzoek van:

Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: LBIO),

gevestigd te Rotterdam,

optredende - mede in naam van [de moeder], wonende te Zweden (hierna te noemen: de moeder) - in zijn hoedanigheid van ontvangende instelling in het kader van de Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van de Europese Unie van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats],

advocaat: mr. A.J. van Ommeren te Amsterdam.

Procedure

Bij beschikking van 1 mei 2012 van deze rechtbank is iedere beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie en proceskosten aangehouden tot 1 oktober 2012 pro forma teneinde partijen in de gelegenheid te stellen over en weer stukken in het geding te brengen.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- de brief d.d. 30 augustus 2012 met bijlagen van de zijde van het LBIO;

- de brief d.d. 3 september 2012 met bijlagen van de zijde van de vader;

- de brief d.d. 6 september 2012 met bijlagen van de zijde van het LBIO;

- de brief d.d. 25 september 2012 van de zijde van de vader;

- de brief d.d. 3 oktober 2012 van de zijde van het LBIO.

Beoordeling

Voor zover uit het hiernavolgende niet anders blijkt, handhaaft de rechtbank al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.

De rechtbank stelt voorop dat zij, zoals overwogen in voormelde beschikking van 1 mei 2012, op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [de minderjarige], Zweeds recht zal toepassen. Partijen hebben echter omtrent de wijze waarop in Zweden alimentatie wordt vastgesteld, (vrijwel) niets overgelegd. De rechtbank is in voormelde beschikking op basis van haar ambtshalve bekende informatie tot het oordeel gekomen dat de behoefte van de minderjarige naar Zweeds recht aan de hand van normbedragen wordt vastgesteld, dat de stiefvader gehouden is bij te dragen in het onderhoud van [de minderjarige] als hij getrouwd is met de moeder van de minderjarige of samen met haar een kind heeft en dat de bijdrage van de onderhoudsplichtigen wordt vastgesteld aan de hand van de gemeenschappelijke economische verhouding. De rechtbank heeft op basis hiervan geconcludeerd dat de bijdrage wordt vastgesteld naar rato van de draagkracht van de onderhoudsplichtigen. In navolging van partijen in de onder het kopje 'Procedure' voormelde stukken, zal de rechtbank de draagkracht - en daarmee de alimentatie - vaststellen naar de Nederlandse normen.

Behoefte minderjarige

In eerder genoemde beschikking was door de rechtbank de behoefte van de minderjarige in 2010 reeds vastgesteld op SEK 3.357,-- (€ 391,27). De rechtbank had het LBIO in de gelegenheid gesteld om alsnog gegevens te overleggen inzake de behoefte van de minderjarige voor 2008 en 2009 en gelet op de betwisting van de zijde van de vader tevens nader te specificeren waarom los van dit normbedrag een bedrag voor sportuitgaven bij de behoefte dient te worden opgeteld.

Het LBIO stelt dat voor de omrekening in euro's de gemiddelde koers SEK 100 = € 12,-- is. De rechtbank zal deze koers hanteren nu dit ook blijkt uit www.valuta.nl.

De rechtbank heeft van het LBIO een overzicht ontvangen van de Försäkringskassan

d.d. 29 augustus 2012 waaruit blijkt dat [de minderjarige] per maand de volgende behoefte heeft (gehad):

Voor 2008 SEK 2.733 = € 328,--;

Voor 2009 SEK 2.853 = € 342,--;

Voor 2010 SEK 3.357 = € 403,--;

Voor 2011 SEK 3.388 = € 407,--;

Voor 2012 SEK 3.483 = € 418,--.

Deze bedragen zijn niet betwist van de zijde van de vader zodat de rechtbank de behoefte van [de minderjarige] in ieder geval (wat betreft de behoefte over 2010: nader) op voormelde bedragen in euro's vaststelt.

Kosten basketbal

In voormeld overzicht staat tevens dat "the Swedish Social Welfare Board" heeft aangegeven dat kosten ten behoeve van sport of muziekles voor kinderen behoefteverhogend werken. Het LBIO heeft gesteld dat de behoefte van [de minderjarige] dient te worden verhoogd met de basketbaluitgaven, en wel als volgt per maand: voor 2008 SEK 500,--; voor 2009 SEK 800,--; voor 2010 SEK 1.000,--; voor 2011 SEK 1.200,--; voor 2012 SEK 1.800,--.

Uit het Nederlandse rapport alimentatienormen blijkt dat de werkgroep adviseert om kosten die niet of onvoldoende in de gehanteerde kosten van kinderen zijn verdisconteerd en welke bovendien niet te compenseren zijn met andere uitgavenposten correctieposten betreffen. Als voorbeeld wordt daarbij topsport genoemd.

Door het LBIO is ter onderbouwing van deze kosten een brief van de moeder overgelegd waaruit blijkt (verkort en zakelijk weergegeven) dat de kosten voor het basketbal; lidmaatschappen, toernooi-uitgaven, reiskosten, kleding, registratiegelden, contant aan de coach van de minderjarige worden voldaan. Voorts ontvangt de minderjarige van de moeder een bedrag van circa 400,-- - 500,-- SEK om te besteden per toernooi.

Nu deze kosten op geen enkele wijze zijn onderbouwd met stukken gaat de rechtbank hieraan voorbij. De behoefte van de minderjarige wordt dus verder niet gecorrigeerd in verband met bijzondere kosten voor het basketbal.

Draagkracht moeder en stiefvader

Uit de door het LBIO overgelegde stukken blijkt inmiddels dat de moeder is gehuwd met de heer [de stiefvader]. Nu niet anderszins is gesteld gaat de rechtbank er van uit dat de moeder in ieder geval sinds 2008 met de stiefvader is gehuwd. Derhalve zal de rechtbank, naast het beoordelen van de draagkracht van de vader en de moeder, in het navolgende ook zijn draagkracht en aandeel in de behoefte van de minderjarige beoordelen en betrekken in de naar rato verdeling.

Draagkracht moeder en stiefvader

De rechtbank constateert dat de man de door het LBIO overgelegde gegevens inzake de inkomsten van de moeder en de stiefvader niet heeft betwist zodat deze als volgt vaststaan.

De rechtbank gaat hierbij uit van 1 SEK= € 0,12, zijnde de wisselkoers op 19 december 2012 (www.valuta.nl).

Inkomsten

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de moeder uit van een inkomen van:

2008 SEK 6.132,-- = € 708,-- netto per maand

2009 SEK 8.549,-- = € 987,-- netto per maand

2010 SEK 6.925,-- = € 800,-- netto per maand

2011 SEK 15.765,-- = € 1.820,-- netto per maand

Voor 2012 zal de rechtbank eveneens uitgaan van het inkomen over 2011 bij gebreke aan overige gegevens; te weten SEK 15.765,-- = € 1.830,-- netto per maand.

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de stiefvader uit van een inkomen van:

2008 SEK 18.818,-- = € 2.173,-- netto per maand

2009 SEK 19.887,-- = € 2.296,-- netto per maand

2010 SEK 19.988,-- = € 2.309,-- netto per maand

2011 SEK 22.467,-- = € 2.595,-- netto per maand

Voor 2012 zal de rechtbank eveneens uitgaan van het inkomen over 2011 bij gebreke aan overige gegevens; te weten SEK 22.467,-- = € 2.595,-- netto per maand.

Bijstandsnorm

Het LBIO heeft de Nederlandse bijstandsnorm gehanteerd, nu dit niet is betwist door de vader zal de rechtbank hiervan uitgaan:

2008 € 882,--;

2009 € 899,--;

2010 € 909,--;

2011 € 920,--.

Voor 2012 zal de rechtbank uitgaan van de bijstandsnorm 2012, te weten € 936,--.

Woonlasten

Het LBIO heeft gesteld dat de woonlasten SEK 8.500,-- per maand bedragen, welke vervolgens verdeeld dienen te worden door de moeder en de stiefvader, te weten € 510,-- per persoon. Het LBIO heeft hierop vervolgens de in de gemiddelde bijstandsnorm begrepen basishuur in mindering gebracht:

2008 € 197,--;

2009 € 200,--;

2010 € 207,--;

2011 € 210,--.

Voor 2012 zal de rechtbank uitgaan van een basishuur van € 213,--, begrepen in de bijstandsnorm.

De rechtbank constateert dat het LBIO wel rekening heeft gehouden met gemiddelde basishuur in de bijstandsnorm, zodat het verweer van de vader dienaangaande zal worden gepasseerd. Desalniettemin stelt de rechtbank vast dat de door het LBIO gestelde huur niet overeenkomt met de door het LBIO overgelegde stukken. Immers, blijkt uit de brief van de vrouw met het daarbij behorende rekeningoverzicht dat de "monthly pay of our home loan" SEK 4800,-- bedraagt, zijnde € 555,--. De rechtbank zal derhalve dat bedrag aan huur verdelen tussen de moeder en de stiefvader, € 277,50 per persoon, en vervolgens daarvan de in de bijstandsnorm vervatte basishuur aftrekken. De rechtbank gaat er bij gebrek aan informatie en bij gebrek aan betwisting van de zijde van de man van uit dat de huur anno 2008, 2009, 2010 en 2011 hetzelfde was als die in 2012.

De rechtbank houdt derhalve rekening met de volgende woonlasten per persoon (respectievelijk de moeder en de stiefvader):

2008 € 80,50;

2009 € 77,50;

2010 € 70,50;

2011 € 67,50;

2012 € 64,50.

Nu - zoals onbetwist gesteld door het LBIO - enige overige lasten niet zijn opgevoerd en de ziektekostenverzekering in Zweden onderdeel is van de belasting komt de rechtbank tot de volgende draagkrachtberekening en draagkrachtruimte.

Voor de moeder en de stiefvader geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70.

Draagkracht moeder in:

2008 € 708,-- - € 882,-- - € 80,50 = draagkracht nihil;

2009 € 987,-- - € 899,-- - € 77,50 = draagkracht nihil;

2010 € 800,-- - € 909,-- - € 70,50 = draagkracht nihil;

2011 € 1.820,-- - € 920,-- - € 67,50 = afgerond € 833,-- draagkrachtruimte 70 % = € 583,--;

2012 € 1.820,-- - € 935,-- - € 63,50 = afgerond € 822,-- draagkrachtruimte 70% = € 575,--.

Draagkracht stiefvader in:

2008 € 2.173,-- - € 882,-- - € 80,50 = afgerond € 1.271,-- draagkrachtruimte 70 % = € 890,-;

2009 € 2.296,-- - € 899,-- - € 77,50 = afgerond € 1.320,-- draagkrachtruimte 70 % = € 924,--;

2010 € 2.309,-- - € 909,-- - € 70,50 = afgerond € 1.330,-- draagkrachtruimte 70 % = € 931,--;

2011 € 2.595,-- - € 920,-- - € 67,50 = afgerond € 1.608,-- draagkrachtruimte 70 % = € 1.126,--;

2012 € 2.595,-- - € 935,-- - € 63,50 = afgerond € 1.597,-- draagkrachtruimte 70 % = € 1.118,--.

Draagkracht vader

In de eerder genoemde tussenbeschikking was de draagkracht van de vader over de periode

1 januari 2010 tot 1 januari 2011 respectievelijk 1 januari 2011 tot 1 januari 2012 reeds vastgesteld. Deze draagkrachtberekeningen handhaaft de rechtbank, doch anders dan de rechtbank in haar beschikking d.d. 1 mei 2012 heeft geoordeeld is de uit die bedragen volgende conclusie anders nu de rechtbank voor de periode 1 januari 2010 tot 1 januari 2011 het totale bedrag aan draagkrachtruimte heeft opgenomen en voor de periode 1 januari 2011 tot 1 januari 2012 70% van de draagkrachtruimte. Derhalve herhaalt en past de rechtbank hieronder deze conclusies als volgt aan.

Periode II 1 januari 2010 tot 1 januari 2012

De vader had in de periode 1 januari 2010 tot 1 januari 2011 een draagkrachtruimte van

€ 474,-- per maand, 70% hiervan is € 332,--, te vermeerderen met € 58,-- fiscaal voordeel.

De vader had in de periode van 1 januari 2011 tot 1 januari 2012 een draagkrachtruimte van

€ 300,-- per maand, 70% hiervan is 210,-- per maand, te vermeerderen met € 58,-- fiscaal voordeel.

Periode I 16 november 2008 tot 1 januari 2010

Inkomen

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de man over 2008 uit van een inkomen van € 39.837,-- bruto per jaar, conform jaaropgave 2008.

De rechtbank gaat bij de berekening van de financiële draagkracht van de man over 2009 uit van een inkomen van € 37.301,-- bruto per jaar, conform jaaropgave 2009.

De rechtbank hanteert bij de berekening van de draagkracht van de man vanaf 16 november 2008 tot 1 januari 2009 de alimentatienormen 2008.

De rechtbank hanteert bij de berekening van de draagkracht van de man vanaf 1 januari 2009 tot 1 januari 2010 de alimentatienormen 2010.

De rechtbank houdt voorts rekening met de bijtelling werkgeversbijdrage Zorgverzekeringswet.

Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de volgende fiscale heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

De man heeft geen lasten gesteld over 2008 en 2009. Het LBIO heeft hier geen standpunt over ingenomen.

De rechtbank acht het in casu redelijk om voor de periode 2008 respectievelijk 2009 eveneens uit te gaan van de lasten zoals reeds besproken in de tussenbeschikking van 1 mei 2012 ten aanzien van de periode van 1 januari 2010 tot 1 januari 2012 en last deze derhalve hier in. Dit te meer, nu de rechtbank ook bij de moeder en de stiefvader rekening heeft gehouden met hun lasten voor 2008, 2009, 2010 en 2011, onderbouwd met stukken uit 2012.

Lasten

De rechtbank neemt de volgende niet - dan wel onvoldoende - betwiste maandelijkse lasten in aanmerking:

1. huur à € 377,--;

2. premie ziektekostenverzekering à € 112,--;

3. eigen risico ziektekosten à € 14,17.

Het LBIO heeft de volgende opgevoerde maandelijkse lasten betwist:

4. kosten omgangsregeling à € 120,--;

5. rente en aflossing schulden à € 346,--.

Ad 4 kosten omgangsregeling

Het LBIO heeft gesteld dat de heer [de vader] de minderjarige bezoekt als hij bij zijn ouders op bezoek is in [plaats], Denemarken, waardoor de door de vader gestelde kosten omgangsregeling niet worden gemaakt.

De vader heeft hierop naar voren gebracht drie tot vier keer per jaar naar Zweden te gaan. Het klopt dat de ouders van de vader vlakbij [plaats] wonen en de minderjarige sinds twee jaar in [plaats], Zweden, waardoor de vader via de tolbrug tussen Zweden en Denemarken à SEK 500,-- (€ 56,--) de minderjarige kan bezoeken, voor die tijd woonde de minderjarige in het midden van Zweden alwaar de vader hem bezocht, aldus de vader. Voorts heeft de vader onbetwist gesteld dat de vader elke zomer samen met de minderjarige één maand naar Bosnië gaat; de daaruit voortvloeiende kosten neemt de vader geheel voor zijn rekening.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Aan de stelling van het LBIO dat de vader ook zijn ouders bezoekt als hij omgang heeft met de minderjarige in Zweden gaat de rechtbank voorbij daar de vader in ieder geval (ook) de minderjarige bezoekt en daarvoor kosten maakt; voor de rechtbank is niet te beoordelen of de vader - als de minderjarige nog in Nederland zou wonen - ook even vaak zijn ouders zou bezoeken. Gelet op het voorgaande staat vast dat de vader de minderjarige meermalen per jaar bezoekt - en samen met de minderjarige een maand per jaar in Bosnië verblijft - welke omgang logischerwijs méér kosten met zich brengt dan als de minderjarige in Nederland zou wonen, waarvoor normaliter een bedrag van € 5,-- per dag aan omgangskosten wordt gerekend. De rechtbank acht het redelijk een bedrag van € 100,-- per maand aan kosten voor de omgang mede te nemen.

Ad 5 Rente en aflossing schulden

Van de zijde van de vader is gesteld dat hij verscheidene schulden heeft. Zo heeft hij gesteld dat hij een onaantoonbare schuld heeft bij de personen die hem destijds uit zijn land van herkomst hebben gesmokkeld.

Voorts heeft de vader gesteld € 226,90 per maand af te lossen op zijn krediet bij de ABN Amro van in totaal € 11.235,50. Ter terechtzitting heeft de vader naar voren gebracht dat hij deze schuld is aangegaan nadat hij vanuit het asielzoekerscentrum een eigen woning kreeg toegewezen en waarvoor hij derhalve het krediet heeft aangewend om de woning in te richten. De moeder was op dat moment nog woonachtig in Nederland en er was door de rechtbank geen kinderalimentatie bepaald.

Tot slot heeft de vader een overzicht d.d. 7 december 2011 van zijn credit card schuld bij International Card Services overgelegd waaruit blijkt dat de man bij deze crediteur een schuld heeft van € 4.179,02 waarop hij stelt maandelijks € 120,-- af te lossen.

Het LBIO betwist dat de door de vader opgevoerde schulden noodzakelijke schulden zijn die ten laste komen van de vast te stellen kinderalimentatie.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat uit het rapport van de werkgroep alimentatienormen blijkt dat een schuld als last kan worden meegenomen als blijkt dat het aangaan van deze schuld zo noodzakelijk was dat betaling daarvan prevaleert boven de verplichting tot alimentatie.

De rechtbank zal de door de vader gestelde schuld inzake het smokkelen niet mee nemen bij de berekening van de draagkracht van de man nu deze niet nader onderbouwd is met stukken. De schuld die de man heeft bij International Card Services zal de rechtbank eveneens niet als last meenemen. De vader heeft slechts één afschrift overgelegd waaruit blijkt dat hij eenmaal

€ 120,-- heeft afgelost op deze schuld en voor welk bedrag. Daarnaast heeft de man niet onderbouwd waartoe hij deze schuld is aangegaan. De rechtbank kan derhalve niet vaststellen dat het aangaan van deze schuld zo noodzakelijk was dat betaling daarvan prevaleert boven de verplichting tot alimentatie.

De rechtbank zal daarentegen wel rekening houden met de aflossing met de schuld bij ABN Amro. Van de zijde van het LBIO is niet betwist dat de vader deze schuld is aangegaan voor inrichtingskosten na een verblijf in een asielzoekerscentrum. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het aangaan van deze schuld zo noodzakelijk was dat de maandelijkse betaling daarvan à € 226,90 prevaleert boven de onderhoudsverplichting ten opzichte van de minderjarige.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70.

De vader had in de periode van 16 november 2008 tot 1 januari 2009 een draagkrachtruimte van € 691,-- per maand, 70% hiervan is € 484,-- per maand, te vermeerderen met € 56,-- fiscaal voordeel.

De vader had in de periode van 1 januari 2009 tot 1 januari 2010 een draagkrachtruimte van

€ 549,-- per maand, 70% hiervan is € 384,-- per maand, te vermeerderen met € 57,-- fiscaal voordeel.

Periode III 1 januari 2012 en verder

Inkomen

Uit de door de man overgelegde salarisspecificaties over april 2012, mei 2012, juni 2012 en juli 2012 blijkt dat de man, net zoals in januari 2012, € 2.059,04 bruto per vier weken ontvangt.

De rechtbank houdt voorts rekening met:

- de inhouding pensioen;

- SOBB/SFPB/FBAPB;

- WGA;

- Sociaal fonds.

Uit de door de man overgelegde brief van het UWV d.d. 7 augustus 2012 blijkt dat de man vanaf 24 oktober 2012 € 1.953,12 bruto per maand exclusief vakantiegeld zal ontvangen. Uit voormelde brief en de stelling van de man blijkt dat de man vanaf 24 december 2012

€ 1.822,12 bruto per maand exclusief vakantiegeld zal ontvangen.

De rechtbank merkt ambtshalve op dat de man vanaf 24 oktober 2012 ook niet langer in aanmerking komt voor de arbeidskorting, wel nog voor de algemene heffingskorting.

Zoals reeds aangegeven in de tussenbeschikking van 1 mei 2012 zal de rechtbank de lasten van de man conform het hiervoor overwogene voor periode I en II onder kopje 'lasten' meenemen.

Voor de man geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 70.

De vader had in de periode van 1 januari 2012 tot 24 oktober 2012 een draagkrachtruimte van € 276,-- per maand, 70% hiervan is € 193,-- per maand, te vermeerderen met € 58,-- fiscaal voordeel.

Vanaf 24 oktober 2012 heeft de vader onvoldoende draagkracht om nog langer een aandeel in de behoefte van de minderjarige te voldoen. De rechtbank stelt derhalve de kinderalimentatie vanaf die datum op nihil.

Draagkrachtvergelijking - naar rato verdeling behoefte minderjarige tussen vader, moeder en stiefvader

Van de zijde van de vader is gesteld dat de onderhoudsverplichting van ouders en stiefouders in beginsel gelijk van rang zijn doch dat dit aan de hand van bijzondere omstandigheden kan wijzigen. De vader beroept zich op bijzondere omstandigheden door het volgende aan te voeren:

- contact tussen de vader en de minderjarige is aanzienlijk ingeperkt doordat de moeder tegen de wil van de vader met de minderjarige in Zweden is gaan wonen;

- de stiefvader woont bij de minderjarige in huis en heeft daarom een intensieve band met zijn stiefzoon.

De vader stelt dat op grond hiervan de verplichting van de stiefvader dient te prevaleren boven die van de vader en verzoekt de vader alsnog de bijdrage op nihil te stellen; te meer nu de moeder de vader en de rechtbank met haar verzoek op het verkeerde been te zetten door in strijd met de realiteit te melden dat zij alleenstaand is.

Met het LBIO is de rechtbank van oordeel dat de mate van de intensiteit van de band tussen de vader en de minderjarige geen rol speelt bij de vaststelling van de kinderalimentatie.

De rechtbank zal in het navolgende het aandeel van respectievelijk de vader, de moeder en de stiefvader in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige over 2008, 2009, 2010, 2011 en 2012 bepalen. Met daarbij de opmerking dat vanaf 24 oktober 2012 de vader onvoldoende draagkracht heeft om hierin een aandeel te leveren.

Conclusies

2008

Vaststaat dat de behoefte van de minderjarige in 2008 € 328,-- bedraagt.

De moeder heeft geen draagkracht in 2008.

De stiefvader heeft € 890,-- per maand beschikbaar in 2008.

De vader heeft € 540,-- per maand beschikbaar in 2008.

Gelet op de hiervoor vastgestelde draagkracht van de moeder, de stiefvader en de vader bepaalt de rechtbank het aandeel van de vader in de behoefte van de minderjarige op afgerond € 125,-- per maand. Immers, uitgangspunt is dat de behoefte van de minderjarige € 328,-- bedraagt. De totale draagkracht van de moeder, de stiefvader en de vader bedraagt tezamen (€ 0,-- + € 890,-- + € 540,-- = ) € 1.430,-- per maand. Het eigen aandeel van de vader wordt in dit geval berekend door zijn draagkracht, zijnde € 540,-- per maand te delen door de totale draagkracht ad € 1.430,--, welke uitkomst vermenigvuldigd wordt met de behoefte van de minderjarige ad € 328,--.

Gezien het voorgaande, gelet op de fiscale gevolgen en de beschikbare draagkrachtruimte van de vader is de rechtbank van oordeel dat een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 125,-- per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

2009

Vaststaat dat de behoefte van de minderjarige in 2009 € 342,-- bedraagt.

De moeder heeft geen draagkracht in 2009.

De stiefvader heeft € 924,-- per maand beschikbaar in 2009.

De vader heeft € 441,-- per maand beschikbaar in 2009.

Gelet op de hiervoor vastgestelde draagkracht van de moeder, de stiefvader en de vader bepaalt de rechtbank het aandeel van de vader in de behoefte van de minderjarige op afgerond € 110,-- per maand. Immers, uitgangspunt is dat de behoefte van de minderjarige € 342,-- bedraagt. De totale draagkracht van de moeder, de stiefvader en de vader bedraagt tezamen (€ 0,-- + € 924,-- + € 441,--) € 1.365,-- per maand. Het eigen aandeel van de vader wordt in dit geval berekend door zijn draagkracht, zijnde € 441,-- per maand te delen door de totale draagkracht ad € 1.365,--, welke uitkomst vermenigvuldigd wordt met de behoefte van de minderjarige ad € 342,--.

Gezien het voorgaande, gelet op de fiscale gevolgen en de beschikbare draagkrachtruimte van de vader is de rechtbank van oordeel dat een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 110,-- per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

2010

Vaststaat dat de behoefte van de minderjarige in 2010 € 403,-- bedraagt.

De moeder heeft geen draagkracht in 2010.

De stiefvader heeft € 931,-- per maand beschikbaar in 2010.

De vader heeft € 390,-- per maand beschikbaar in 2010.

Gelet op de hiervoor vastgestelde draagkracht van de moeder, de stiefvader en de vader bepaalt de rechtbank het aandeel van de vader in de behoefte van de minderjarige op afgerond € 120,-- per maand. Immers, uitgangspunt is dat de behoefte van de minderjarige € 403,-- bedraagt. De totale draagkracht van de moeder, de stiefvader en de vader bedraagt tezamen (€ 0,-- + € 931,-- + € 390,--) € 1.321,-- per maand. Het eigen aandeel van de vader wordt in dit geval berekend door zijn draagkracht, zijnde € 390,-- per maand te delen door de totale draagkracht ad € 1.321,--, welke uitkomst vermenigvuldigd wordt met de behoefte van de minderjarige ad € 338,--.

Gezien het voorgaande, gelet op de fiscale gevolgen en de beschikbare draagkrachtruimte van de vader is de rechtbank van oordeel dat een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 120,-- per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

2011

Vaststaat dat de behoefte van de minderjarige in 2011 € 407,-- bedraagt.

De moeder heeft € 583,-- per maand beschikbaar in 2011

De stiefvader heeft € 1.126,-- per maand beschikbaar in 2011.

De vader heeft € 268,-- per maand beschikbaar in 2011.

Gelet op de hiervoor vastgestelde draagkracht van de moeder, de stiefvader en de vader bepaalt de rechtbank het aandeel van de vader in de behoefte van de minderjarige op afgerond € 55,-- per maand. Immers, uitgangspunt is dat de behoefte van de minderjarige € 407,-- bedraagt. De totale draagkracht van de moeder, de stiefvader en de vader bedraagt tezamen (€ 583,-- + € 1126,-- + € 268,--) € 1.977,-- per maand. Het eigen aandeel van de vader wordt in dit geval berekend door zijn draagkracht, zijnde € 268,-- per maand te delen door de totale draagkracht ad € 1.977,--, welke uitkomst vermenigvuldigd wordt met de behoefte van de minderjarige ad € 407,--.

Gezien het voorgaande, gelet op de fiscale gevolgen en de beschikbare draagkrachtruimte van de vader is de rechtbank van oordeel dat een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 55,- per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

2012

Vaststaat dat de behoefte van de minderjarige in 2012 € 418,-- bedraagt.

De moeder heeft € 575,-- per maand beschikbaar in 2012

De stiefvader heeft € 1.118,-- per maand beschikbaar in 2012.

De vader heeft tot 24 oktober 2012 € 251,-- per maand beschikbaar in 2012.

Gelet op de hiervoor vastgestelde draagkracht van de moeder, de stiefvader en de vader bepaalt de rechtbank het aandeel van de vader in de behoefte van de minderjarige op afgerond € 55,-- per maand. Immers, uitgangspunt is dat de behoefte van de minderjarige € 418,-- bedraagt. De totale draagkracht van de moeder, de stiefvader en de vader bedraagt tezamen (€ 575,-- + € 1.118,-- + € 251,--) € 1.944,-- per maand. Het eigen aandeel van de vader wordt in dit geval berekend door zijn draagkracht, zijnde € 251,-- per maand te delen door de totale draagkracht ad € 1.944,--, welke uitkomst vermenigvuldigd wordt met de behoefte van de minderjarige ad € 418,--.

Gezien het voorgaande, gelet op de fiscale gevolgen en de beschikbare draagkrachtruimte van de vader is de rechtbank van oordeel dat een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige van € 55,-- per maand redelijk en billijk en in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is.

Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de huidige draagkracht (vanaf 24 oktober 2012) van de vader geen ruimte laat voor het vaststellen van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind.

Beslissing

De rechtbank:

bepaalt de door de vader met ingang van 16 november 2008 tot 1 januari 2009 te betalen

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], op € 125,-- per maand;

bepaalt de door de vader met ingang van 1 januari 2009 tot 1januari 2010 te betalen

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voormelde minderjarige, op € 110,-- per maand;

bepaalt de door de vader met ingang van 1januari 2010 tot 1 januari 2011 te betalen

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voormelde minderjarige, op € 120,-- per maand;

bepaalt de door de vader met ingang van 1 januari 2011 tot 24 oktober 2012 te betalen

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voormelde minderjarige, op € 55,-- per maand;

bepaalt de door de vader met ingang van 24 oktober 2012 te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voormelde minderjarige, op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.R. van der Meer in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Witte-Snel als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 januari 2013.