Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BY9167

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-01-2013
Datum publicatie
23-01-2013
Zaaknummer
423473 - FA RK 12-5340
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verklaring rechtsvermoeden van overlijden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 12-5340

Zaaknummer: 423473

Datum beschikking: 21 januari 2013

Verklaring rechtsvermoeden van overlijden

Beschikking op het op 10 juli 2012 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoekster],

verzoekster,

wonende te [woonplaats], gemeente [naam gemeente],

advocaat mr. Y.G.F.M. Coenders te Oss.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- de schriftelijke conclusie van de officier van justitie d.d. 1 november 2012 die strekt

tot inwilliging van het verzochte.

Op 17 december 2012 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld door mr. M.Th. Nijhuis, rechter-commissaris. Hierbij zijn verschenen: verzoekster met haar advocaat, vergezeld van een tolk.

Verzoek

Het verzoekschrift strekt ertoe dat de rechtbank zal verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van [de vermiste] (hierna te noemen: de vermiste) bestaat alsmede, na het in kracht van gewijsde gaan van de te wijzen beschikking, daarvan een afschrift te zenden naar de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [naam gemeente], kosten rechtens.

Beoordeling

Artikel 1:413, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, bepaalt dat, indien het bestaan van een persoon onzeker is en de in lid 2 aangegeven tijdruimte is verlopen, belanghebbenden de rechtbank kunnen verzoeken dat zij hun zal gelasten de vermiste op te roepen teneinde van zijn in leven zijn te doen blijken, en dat zij, zo hiervan niet blijkt, zal verklaren dat er rechtsvermoeden van overlijden van de vermiste bestaat. Lid 2, sub a, van voornoemd artikel bepaalt dat de tijdruimte, te rekenen van het vertrek van de vermiste of de laatste tijding van zijn leven, vijf jaren beloopt. Sub b bepaalt dat de termijn wordt verkort tot een jaar indien de betrokkene gedurende die periode wordt vermist en de omstandigheden zijn dood waarschijnlijk maken.

Nu de in artikel 1:413 lid 2 sub a BW aangegeven tijdsruimte van 5 jaren nog niet is verstreken, staat thans ter beoordeling of er aanleiding is om voormelde termijn te verkorten tot één jaar. Daartoe dient bezien te worden of de omstandigheden de dood van de echtgenoot van verzoekster waarschijnlijk maken.

Verzoekster stelt dat haar echtgenoot is overleden op [datum overlijden]. Hij is in [plaats in Somalië], Somalië, doodgeschoten. Zijn lichaam is op straat gevonden door voorbijgangers. [plaats in Somalië] is dermate klein dat iedereen elkaar kent. De voorbijgangers hebben de familie ingelicht. Familieleden van de man alsmede de broer van verzoekster hebben zijn lichaam daadwerkelijk gezien. Verzoekster stelt het voorgaande telefonisch van haar broer te hebben vernomen op de dag van de begrafenis van haar echtgenoot.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat sprake is van omstandigheden die de dood van haar echtgenoot waarschijnlijk maken. De rechtbank stelt daartoe voorop dat er door verzoekster geen enkel stuk is overgelegd dat de door haar gestelde feiten ondersteunt. Van belang is voorts dat de vermissing van de echtgenoot van verzoekster niet terug te voeren is op objectiveerbare gebeurtenissen, zoals bijvoorbeeld een natuurramp of oorlogsgeweld. Ten slotte kan niet worden uitgesloten dat het ontbreken van een levensteken van de echtgenoot verklaard kan worden uit iets anders dan zijn overlijden.

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen kan verzoekster niet worden ontvangen in haar verzoek en zal dienovereenkomstig worden beslist. Voor een kostenveroordeling ten gunste van verzoekster bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart verzoekster niet ontvankelijk in haar verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.M. Brakel, J. Brandt en M.Th. Nijhuis, bijgestaan door P. Hillebrand als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 januari 2013.