Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:BY8148

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-01-2013
Datum publicatie
10-01-2013
Zaaknummer
Awb 12 / 21407
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EU-onderdaan. Ongewenstverklaring. Ernstige en actuele bedreiging.

De rechtbank is, reeds gezien de aard en de ernst van de door eiser gepleegde strafbare feiten zoals hiervoor weergegeven (drugsdelicten, verboden wapenbezit en moord op een politieagent) en zijn ontsnapping uit gevangenschap in 1994, van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gedrag van eiser een ernstige en actuele bedreiging voor de openbare orde vormt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/21407

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 januari 2013 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. J. Luscuere),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. M.M.J. Pieters).

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2009 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser ongewenst verklaard.

Bij besluit van 18 mei 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers verblijf ingevolge Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (Richtlijn 2004/38) beëindigd en voornoemd bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 8 november 2010 heeft de rechtbank voornoemd beroep, met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard. Het hiertegen ingediende verzet is bij uitspraak van de rechtbank van 25 november 2010 gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 maart 2011 (AWB 10/21471) heeft de rechtbank voornoemd beroep niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak van 4 juli 2011 (nr. 201103855/1/V2) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het hiertegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, voormelde uitspraak vernietigd en de zaak naar de rechtbank teruggewezen.

Op 15 november 2012 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 november 2012, waar eiser en zijn gemachtigde, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep is gericht tegen het bestreden besluit, waarbij het bezwaar van eiser gericht tegen de ongewenstverklaring ongegrond is verklaard en waarbij eisers verblijf is beëindigd.

2. Voor zover het beroep is gericht tegen de verblijfsbeëindiging moet worden geoordeeld dat hiertegen eerst bezwaar moet worden gemaakt alvorens beroep kan worden ingesteld. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk. De rechtbank zal het beroep in zoverre doorzenden aan verweerder om dit als bezwaarschrift af te handelen.

3. Voor zover het beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de ongewenstverklaring, overweegt de rechtbank als volgt.

4. Eiser heeft de Britse nationaliteit.

Aan eiser is in het Verenigd Koninkrijk in 1988 een levenslange gevangenisstraf opgelegd wegens moord op een Britse politieagent. In 1994 is eiser ontsnapt.

Bij uitspraak van 27 februari 2008 heeft de rechtbank Rotterdam eiser veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf wegens:

- het meermalen handelen in strijd met artikel 2, aanhef en onder C, van de Opiumwet, strafbaar gesteld bij artikel 10, eerste lid, van de Opiumwet;

- het feit bedoeld in het derde of vierde lid artikel 10 van de Opiumwet, het voorbereiden of bevorderen, door voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van het feit;

- het handelen in strijd met artikel 3, aanhef en onder C, van de Opiumwet, strafbaar gesteld bij artikel 11, eerste lid, van de Opiumwet;

- het handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

De rechtbank Rotterdam heeft bij de strafmotivering het volgende overwogen:

“Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 2735 gram hennep, 176,46 gram cocaïne en bijna 100 kilo amfetamine. Daarnaast had verdachte een grote hoeveelheid middelen en goederen voorhanden waarmee de cocaïne en amfetamine konden worden bewerkt en/of verwerkt. Gelet op de aangetroffen hoeveelheid drugs en de aangetroffen middelen en goederen kan het niet anders dan dat verdachte dit alles onder zich had voor een ander doel dan eigen gebruik. Hieruit en uit het feit dat de aangetroffen amfetamine nog vochtig was (hetgeen een bekend gevolg is van de productie van amfetamine) leidt de rechtbank af dat verdachte dicht tegen de productie en/of het verwerkingsproces van de bij hem aangetroffen drugs aan moet hebben gezeten. Met deze omstandigheid heeft de rechtbank in het nadeel van verdachte rekening gehouden bij de bepaling van de strafmaat.

Verdachte heeft zich bij zijn handelen kennelijk laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen. Hennep, en vooral hard drugs, zijn voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stoffen en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit. Het aanwezig hebben van de bij verdachte aangetroffen hoeveelheden hard drugs dient dan ook krachtig te worden bestreden.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en daarbij behorende volmantelpatronen, hetgeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengt.”

Deze uitspraak is onherroepelijk.

Eiser heeft zijn in Nederland opgelegde straf in Nederland uitgezeten. Hij is in november 2011 aan de Britse autoriteiten uitgeleverd om in het Verenigd Koninkrijk zijn levenslange gevangenisstraf verder te ondergaan.

5. In aanmerking genomen dat de ongewenstverklaring een voor eiser belastend besluit betreft, is de rechtbank van oordeel dat eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser, gelet op zijn persoonlijke gedrag, een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.

7. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat zijn gedrag een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. Verweerder baseert zich deels op feiten en deels op geruchten, die verder ook niet worden onderbouwd. Eiser wijst erop dat het juist is dat hij zowel in Nederland als in Groot-Brittannië is veroordeeld voor strafbare feiten. Bij de vervolging voor de Nederlandse rechter is eiser geen lidmaatschap van een criminele organisatie ten laste gelegd, doch wel handel in drugs en verboden wapenbezit. Daarvoor is hij op 27 februari 2008 veroordeeld tot zes jaar gevangenisstraf. Verder staat door de uitspraak van 2 februari 2008 van de rechtbank Amsterdam vast dat eiser mag worden uitgeleverd aan de Britse autoriteiten. De overige feiten dan wel beschuldigingen van verweerder werpt eiser verre van zich. Verweerder lijkt zich hierbij zonder onderbouwing te baseren op een rapport van de KLPD uit november 2007. Het roept in ieder geval bevreemding op dat deze ernstige beschuldigingen er kennelijk niet toe hebben geleid eiser te vervolgen voor de gewapende ontvluchting dan wel het lidmaatschap van de criminele organisatie. Eiser stelt dan ook dat verweerder niet zonder nadere motivering en onderbouwing op deze geruchten mag afgaan, te meer nu deze geruchten niet het gedrag van hemzelf betreffen maar indirecte vermoedens daarover. Voor zover er al sprake kan zijn van het betrekken van de informatie van de KLPD had verweerder ten tijde van het bestreden besluit deze informatie dienen te actualiseren. Dit volgt uit de materiële toets van de actuele bedreiging, maar ook uit het evenredigheidsbeginsel zoals vermeld in de eerste volzin van artikel 27, eerste lid, van Richtlijn 2004/38. Het is aan verweerder om die actuele stand van zaken nader te onderbouwen en om vervolgens in het kader van het evenredigheidsbeginsel een passende afweging te maken. Eiser merkt op dat hij zich tijdens zijn detentie voorbeeldig gedraagt, dat er geen sprake is van gedrag die de stellingen van verweerder bevestigen, dat hij bereid is om medewerking te verlenen aan reclasseringsonderzoek en dat hij van mening is dat hij zich zodanig gedraagt dat er geen sprake is van een actuele bedreiging.

8. De rechtbank is, reeds gezien de aard en de ernst van de door eiser gepleegde strafbare feiten zoals hiervoor weergegeven (drugsdelicten, verboden wapenbezit en moord op een politieagent) en zijn ontsnapping uit gevangenschap in 1994, van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gedrag van eiser een ernstige en actuele bedreiging voor de openbare orde vormt. Aan de omstandigheid dat eiser zich in detentie goed heeft gedragen, komt, wat daar ook van zij, reeds vanwege de aard en de ernst van de strafbare feiten, geen doorslaggevende betekenis toe. De omstandigheid dat eiser zijn in Nederland opgelegde straf inmiddels heeft uitgezeten en dat hij inmiddels aan de Britse autoriteiten is uitgeleverd om in het Verenigd Koninkrijk zijn levenslange gevangenisstraf verder te ondergaan, betekent niet dat eiser geen actuele bedreiging van de openbare orde meer vormt. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder aan de ongewenstverklaring van eiser een andere reden dan het gedrag van eiser ten grondslag heeft gelegd. In hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft verweerder voorts geen zwaarwegende redenen hoeven aannemen om af te zien van de ongewenstverklaring. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan het belang van de openbare orde dan aan het persoonlijk belang van eiser.

9. Het beroep, voor zover gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de ongewenstverklaring, is dus ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het beroep is gericht tegen de verblijfsbeëindiging van eiser;

- verklaart het beroep ongegrond voor zover het beroep is gericht tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de ongewenstverklaring.

De uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, voorzitter, en mr. D.J. Hutten en mr. E.J.J.M. Weyers, leden, in aanwezigheid van mr. D.S. Arjun Sharma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2013.

griffier voorzitter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Afschriften verzonden:

?