Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:9880

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
21-06-2013
Datum publicatie
14-08-2013
Zaaknummer
AWB-13_369
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:3008, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

(...) dat verweerder terecht het verzoek van eiser om een fotokopie van de door hem bedoelde geboorteakten heeft afgewezen op de grond dat een genealogisch onderzoek op zichzelf niet kan worden beschouwd als een belang als bedoeld in artikel 1:23b, tweede lid, BW. Voor een door eiser onder verwijzing naar de ruime opzet van zijn onderzoek bepleite meer beperkte uitleg van het begrip “gerechtvaardigd belang” biedt de wet in het licht van haar geschiedenis van totstandkoming onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank sluit zich aan bij hetgeen is overwogen in 3.2 van het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 1995 (LJN: ZC1853).

Aan het bovenstaande kan niet afdoen dat door het bepaalde in artikel 1:17a BW geboorteakten van in leven zijnde personen van 100 jaar en ouder naar een gemeentelijke archiefbewaarplaats in de zin van de Archiefwet 1995 worden overgebracht, met als gevolg dat die akten met een beroep op de Archiefwet 1995 voor eiser raadpleegbaar zijn. Bij het bepalen van de termijn van 100 jaar is kennelijk niet voorzien dat het bereiken van een leeftijd van 100 jaar en ouder thans minder uitzonderlijk is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 23b
Burgerlijk Wetboek Boek 1 17a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2013/138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/369

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juni 2013 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. A.M. Kramer),

en

de ambtenaar van de burgerlijke stand van Den Haag, verweerder

(vertegenwoordigd door J.C. Jansen Verplanke en dr. H. Kokken).

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van 5 december 2012 (bestreden besluit) van verweerder inzake het handhaven van de weigering afschriften van een aantal geboorteakten af te geven.

De zaak is behandeld op de zitting gehouden op 25 april 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
J.C. Jansen Verplanke en dr. H. Kokken.

Overwegingen


1 Artikel 1:23b van het Burgerlijk wetboek (BW) luidt:

1.

Een ieder is bevoegd zich door de ambtenaar die met de afgifte van afschriften en uittreksels van akten van de burgerlijke stand is belast, een uittreksel van een onder deze ambtenaar berustende akte van geboorte, van huwelijk, van registratie van een partnerschap, van omzetting van een huwelijk in een registratie van een partnerschap, van omzetting van een registratie van een partnerschap in een huwelijk of van overlijden te doen afgeven. Het uittreksel bevat de bij algemene maatregel van bestuur te vermelden gegevens, waaruit de afstamming van de persoon of personen waarop de akte betrekking heeft, niet blijkt.

2.

Van de in het eerste lid bedoelde akten alsmede van de akten van erkenning of ontkenning van het vaderschap door de moeder wordt een afschrift slechts afgegeven indien de verzoeker aantoont dat hij bij de verkrijging een gerechtvaardigd belang heeft. Van andere akten die de in het eerste lid bedoelde ambtenaar onder zijn berusting heeft, wordt steeds een afschrift afgegeven. Dit afschrift bevat de bij algemene maatregel van bestuur te vermelden gegevens.

3.

Een verzoek om afgifte van een uittreksel of een afschrift dient op een bepaalde persoon of bepaalde personen betrekking te hebben.

4.

Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld al hetgeen overigens het opmaken en het verstrekken van afschriften en uittreksels betreft. Daarbij worden tevens regels gegeven voor het opmaken van uittreksels van akten die voor de inwerkingtreding van deze wet zijn opgemaakt.

5.

Weigert de in het eerste lid bedoelde ambtenaar een afschrift of een uittreksel af te geven, dan verstrekt hij aan de aanvrager een schriftelijke opgave van de gronden voor zijn weigering.

Het gerechtvaardigd belang genoemd in de eerste volzin van het tweede lid wordt aangenomen ten aanzien van:

  • -

    Personen op wie de akte betrekking heeft
    - Een gemachtigde van deze personen
    - Kinderen of ouders van de persoon waarop de akte betrekking heeft

  • -

    De erfgenamen
    - De echtgenoot of echtgenote
    - De geregistreerde partner
    - De wettelijk vertegenwoordiger
    - Degene die het nodig heeft in het kader van een gerechtelijke procedure
    - Degene die het nodig heeft in verband met een huwelijkssluiting/partnerschapsregistratie.

2

Eiser doet onderzoek naar de genealogie van de eigen familie. Hij onderzoekt de mannelijke en vrouwelijke lijn, plus broers en zuster, van vader en grootvader. Hij wenst ten behoeve van door hem te verrichten genealogisch onderzoek fotokopieën en geen uittreksels van een aantal geboorteakten van de burgerlijke stand te ontvangen omdat alleen met die wijze van informeren eiser zelf de spelling van de naam kan controleren. Bij het verstrekken van een uittreksel kunnen immers (spelling)fouten ontstaan.

3

Verweerder stelt zich op het standpunt op grond van artikel 1:23b, eerste lid, BW, alleen bevoegd te zijn tot het afgeven van uittreksels en afschriften van akten van de burgerlijke stand. Mede gelet op het bepaalde in artikel 26 Besluit burgerlijke stand 1994 en artikel 2 van de Wet rechten burgerlijke stand alsmede de bepalingen van het Legesbesluit akten burgerlijke stand, kan verweerder tegen betaling uittreksels en afschriften van akten van de burgerlijke stand afgeven. De wet en andere regelgeving voorziet niet in de afgifte van fotokopieën van akten van de burgerlijke stand. De wetgever heeft in dit verband het volgende aangegeven: “Het publiek kan de inhoud van akten slechts kennis nemen door zich afschriften of uittreksel te doen afgeven… De ambtenaar van de burgerlijke stand is dus niet bevoegd tot het afgeven van geschriften die in een andere vorm zijn opgemaakt dan die van een authentiek afschrift of uittreksel.” (TK, vergaderjaar 1990-1991, 21847, nr. 3, p. 29). Afschriften van akten van de burgerlijke stand bevatten meer informatie dan uittreksels. Ter waarborging van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft de wetgever er evenwel voor gekozen om de verstrekking van afschriften van akten aan beperking onderhevig te laten zijn en worden in uittreksels de meest essentiële en minst privacygevoelige gegevens vermeld.

Afschriften van akten van de burgerlijke stand worden gewoonlijk verstrekt door middel van een, door verweerder conform het origineel verklaarde, fotokopie van de originele akte.

Naar het oordeel van verweerder moet – voordat verweerder kan overgaan tot het verstrekken van afschriften van de bedoelde geboorteakten – vaststaan dat eiser bij de verkrijging een gerechtvaardigd belang heeft als bedoeld in artikel 1:23b, tweede lid, BW.

Verweerder heeft er op gewezen dat genealogisch onderzoek op zichzelf niet kan worden beschouwd als een belang dat de afgifte van een volledig afschrift rechtvaardigt. (TK vergaderjaar 1990-1991, 21847, nr. 3, p. 28).

Verweerder stelt dat eisers opvatting dat een akte van geboorte van een (reeds overleden persoon) niet anders behandeld zou dienen te worden dan een akte van huwelijk of overlijden, en akten van reeds overleden personen helemaal niet onder de werking van het BW vallen en dus ook niet geraakt worden door artikel 1:23b BW geen steun vindt in de wet- en regelgeving.

Verweerder concludeert dat eiser niet heeft aangetoond dat hij een gerechtvaardigd belang heeft bij de verkrijging van afschriften van de bedoelde geboorteakten. Dat in andere gemeenten de ambtenaar van de burgerlijke stand aan hem wel fotokopieën van akten van burgelijke stand heeft verstrekt brengt verweerder niet tot een andere conclusie.

4

De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De taken van de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn beschreven in artikel 1:16 e.v. van het BW en daarmee staat vast dat de ambtenaar van de burgerlijke stand een bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De memorie van toelichting bij het ontwerp van wet dat heeft geleid tot Boek 1 BW vermeldt dat aannemelijk is dat tegen de weigering om een afschrift of een uittreksel af te geven beroep op grond van de Wet Administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (Arob) openstaat (TK vergaderjaar 1990-1991, 21847, nr. 3, p. 29). Aangezien de bestuursrechtspraak neergelegd in de Awb beoogt om de bestuursrechtspraak op grond van de Wet Arob te vervolmaken en Boek 1 BW voor deze beslissingen niet voorziet in een andere rechtsgang, oordeelt de rechtbank dat de weigering tot afgifte van een afschrift of een uittreksel van een akte als bedoeld in de artikel 1:23b BW een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb gelezen in samenhang met artikel 8:1 van die wet. Daarmee staat vast dat de bestuursrechter bevoegd is te oordelen over de besluiten van verweerder.

4.2

De rechtbank stelt vast dat partijen niet betwisten dat artikel 1:23b BW voor de bevoegdheid van verweerder om afschriften van akten te verstrekken geen onderscheid maakt tussen akten van nog levende personen en van overleden personen. De rechtbank verstaat die bepaling aldus dat zij zowel op levende als overleden personen betrekking heeft, aangezien de wetgever zich over het maken van een onderscheid niet heeft uitgelaten, de bepaling is getroffen ter bescherming van het privéleven en eiser zijn andersluidend standpunt niet nader heeft gemotiveerd.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het verzoek van eiser om een fotokopie van de door hem bedoelde geboorteakten heeft afgewezen op de grond dat een genealogisch onderzoek op zichzelf niet kan worden beschouwd als een belang als bedoeld in artikel 1:23b, tweede lid, BW. Voor een door eiser onder verwijzing naar de ruime opzet van zijn onderzoek bepleite meer beperkte uitleg van het begrip “gerechtvaardigd belang” biedt de wet in het licht van haar geschiedenis van totstandkoming onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank sluit zich aan bij hetgeen is overwogen in 3.2 van het arrest van de Hoge Raad van 20 oktober 1995 (LJN: ZC1853).

“Het inrichten van openbare registers van de burgerlijke stand die dienen tot verzamelen en bewaren van akten waarin alle feiten die de persoonlijke staat rechtstreeks betreffen of daarin wijzigingen brengen, zodanig nauwkeurig en onpartijdig worden vastgelegd dat daaraan tegenover een ieder dwingend bewijs kan worden ontleend, dient ongetwijfeld één of meer van de doeleinden omschreven in het tweede lid van art. 8 EVRM. Evenmin valt te betwijfelen dat het daarbij gaat om gegevens die altijd van persoonlijke en soms bovendien van delicate aard zijn. Dit brengt, in verband met het eerste lid van evengenoemde verdragsbepaling, mee dat afweging nodig is tussen het belang van betrokkenen op bescherming van hun privé leven — en, in het verlengde daarvan, van hun familie‑ of gezinsleven — en het belang verbonden aan de met het inrichten van de burgerlijke stand gediende doeleinden. Het maken van deze afweging is in beginsel voorbehouden aan de wetgever.

De wetgever is zich daarvan bewust geweest en heeft bij de Wet van 13 mei 1987, Stb. 246, juist ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen de openbaarheid van de registers van de burgerlijke stand op het stuk van geboorteakten aanzienlijk beperkt. In geboorteakten worden, zo werd toen ter toelichting aangetekend, ‘de meest persoonlijke gegevens’ opgenomen, waarbij de toelichting uitdrukkelijk het oog had op gegevens als ‘onwettige geboorte, erkenning en wettiging’. De toen ter bescherming van het privé leven getroffen regeling komt erop neer dat van geboorteakten in beginsel slechts een zgn. beredeneerd uittreksel wordt afgegeven (toen: art. 1:28, tweede en derde lid, (oud) BW; thans: art. 1:23b BW) bij het opmaken waarvan eventuele kantmeldingen op de geboorteakte zoals die in het register zijn opgenomen (in de huidige terminologie: latere vermeldingen) wel in acht zijn genomen, maar niet als zodanig in het uittreksel worden vermeld. De via die kantmeldingen uit het register blijkende historische gang van zaken blijft aldus verborgen; slechts de actuele stand van zaken wordt geopenbaard. De historische gang van zaken blijkt wel uit een ‘volledig afschrift’ (in de huidige terminologie: een afschrift) van de akte. Een dergelijk afschrift wordt echter slechts verstrekt aan wie heeft aangetoond dat hij behoort tot de eng te trekken kring van hen die daarbij een gerechtvaardigd belang hebben (toen: art. 1:28, tweede en vierde lid, (oud) BW; thans: art. 1:23b BW).

Bij het tot stand komen van de wet van 14 oktober 1993, Stb. 555, heeft de wetgever deze afweging bevestigd en de regeling uitgebreid tot (na 1 januari 1995 opgemaakte) huwelijksakten en akten van overlijden.”

Aan het bovenstaande kan niet afdoen dat door het bepaalde in artikel 1:17a BW geboorteakten van in leven zijnde personen van 100 jaar en ouder naar een gemeentelijke archiefbewaarplaats in de zin van de Archiefwet 1995 worden overgebracht, met als gevolg dat die akten met een beroep op de Archiefwet 1995 voor eiser raadpleegbaar zijn. Bij het bepalen van de termijn van 100 jaar is kennelijk niet voorzien dat het bereiken van een leeftijd van 100 jaar en ouder thans minder uitzonderlijk is.

5

De conclusie is dat de beroepsgronden niet slagen en het beroep ongegrond is.

6

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 juni 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.