Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:9632

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-06-2013
Datum publicatie
01-08-2013
Zaaknummer
12 - 32247
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft eiser vervolgens ongewenst verklaard zonder aan de ongewenstverklaring een termijn te verbinden. Volgens de Nederlandse wet- en regelgeving (de implementatiewetgeving van de Terugkeerrichtlijn) wordt een inreisverbod steeds uitgevaardigd voor een bepaalde duur. Voorts gelden uitgangspunten aan de hand waarvan de duur van het inreisverbod wordt bepaald. Verzoeker is nu geconfronteerd met een in principe voor onbepaalde duur geldende maatregel. Als verweerder echter gebruik had gemaakt van de bevoegdheid of verplichting voor eisers vertrek uit Nederland tegen hem een inreisverbod uit te vaardigen, had hij volgens de wet dit inreisverbod aan een vaste termijn dienen te verbinden.

Voor zover de wet (artikel 67 Vw) in een geval als deze een ongewenstverklaring voor onbepaalde duur mogelijk zou maken, moet deze in strijd met de Terugkeerrichtlijn worden beschouwd. De wet doet in zoverre afbreuk aan het “effet utile”van de richtlijn, die voorziet in een bepaalde duur van het inreisverbod. De ongewenstverklaring stemt naar doel en strekking immers grotendeels overeen met een inreisverbod. Daarom kan niet worden aanvaard dat verweerder het in zijn macht heeft om, door af te zien van de uitvaardiging van een inreisverbod, na vertrek van de vreemdeling uit Nederland, te bereiken dat hem alsnog een maatregel voor onbepaalde duur wordt opgelegd, terwijl dat met toepassing van de Terugkeerrichtlijn niet mogelijk was geweest.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/321
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12 / 32247

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 6 juni 2013 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Russische nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde:mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voorheen de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

(gemachtigde: mr. D.S. Asarfi, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2012 heeft verweerder eiser ongewenst verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Bij besluit van 14 september 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2013. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Op 21 februari 2013 heeft de rechtbank het onderzoek heropend teneinde partijen in de gelegenheid te stellen te reageren op een door de rechtbank gestelde vraag. Bij brief van 26 februari 2013 heeft eisers gemachtigde zijn reactie kenbaar gemaakt. Vervolgens heeft verweerder bij brief van 26 maart 2013 gereageerd. Op 27 maart 2013 heeft eisers gemachtigde hier een reactie op gegeven. Met toestemming van partijen sluit de rechtbank het onderzoek zonder het houden van een nadere zitting en is de uitspraakdatum bepaald op heden.

Overwegingen

1.

De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Op 2 januari 2012 heeft de Koninklijke Marechaussee eiser in het kader van het voornemen tot zijn ongewenstverklaring gehoord. Verweerder heeft eiser op 18 januari 2012 een terugkeerbesluit uitgereikt, met bepaling dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten, op de voet van art. 62, tweede lid Vw. Het hiertegen ingestelde beroep heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats bij uitspraak van 10 februari 2012 ongegrond verklaard (AWB 12/2265). Hiermee is in rechte komen vast te staan dat voor eiser een onmiddellijke vertrekplicht gold. Eiser heeft inmiddels Nederland verlaten.

2.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Eiser is bij onherroepelijk geworden vonnis van 6 januari 2012 door de politierechter te Haarlem veroordeeld tot twee maanden gevangenisstraf waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren wegens overtreding van artikel 225, tweede lid, Wetboek van Strafrecht. Eiser heeft geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan van de ongewenstverklaring kan worden afgezien. Aangezien eiser niet meer in Nederland verblijft is de Terugkeerrichtlijn (Ri 2008/115 EG) niet op eiser van toepassing.

3.

Eiser voert hiertegen aan dat verweerder ten onrechte eiser ongewenst heeft verklaard. Verweerder heeft ten onrechte de bepalingen van de Terugkeerrichtlijn omzeild, met name het bepaalde in artikel 11, tweede lid. Verweerder heeft ervoor gekozen eiser eerst uit te zetten en hem vervolgens ongewenst te verklaren. Op het moment dat eiser nog in Nederland verbleef was deze keuze al bepaald aangezien eiser op 2 januari 2012 is gehoord omtrent het voornemen tot ongewenstverklaring. Behalve dat deze werkwijze van verweerder afbreuk doet aan eisers rechten, is het bestreden besluit ook in strijd met het beginsel van gemeenschapstrouw.

3.1

De rechtbank overweegt als volgt. Het tegen eiser uitgevaardigde terugkeerbesluit was voorzien van een zogenaamde nuldagentermijn. Daaruit volgt dat verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw gehouden was tegen eiser een inreisverbod uit te vaardigen. Verweerder heeft dit echter niet gedaan en, na eisers – gedwongen – vertrek uit Nederland, het besluit tot zijn ongewenstverklaring genomen.

3.2

Verweerder heeft de toepasselijkheid van artikel 66a, eerste lid, Vw niet bestreden. Hij heeft echter aangevoerd, dat de omstandigheid dat de uitvaardiging van een inreisverbod achterwege is gebleven, niet aan de ongewenstverklaring van eiser in de weg stond, nu eiser inmiddels Nederland had verlaten waardoor het uitvaardigen van een inreisverbod niet langer meer mogelijk is vanwege het feit dat eiser niet meer op het grondgebied van de lidstaat, Nederland, verblijft, en overigens aan de vereisten voor de ongewenstverklaring was voldaan.

3.3

Na heropening van het onderzoek heeft verzoeker gewezen op de wijziging van het beoogde wettelijk systeem gedurende de parlementaire behandeling in die zin dat samenloop tussen een inreisverbod en ongewenstverklaring uitgesloten is. Verzoeker wijst erop dat hij op 18 januari 2012 een terugkeerbesluit heeft gehad; verweerder had in zijn geval dus op dat moment een inreisverbod kunnen uitvaardigen, maar heeft dat om hem moverende redenen nagelaten. Dat geeft hem niet de bevoegdheid een in principe in tijd niet beperkte ongewenstverklaring tegen hem uit te vaardigen.

3.4

Verzoeker behoorde, in de woorden van de Parlementaire Geschiedenis van de implementatiewetgeving van de Terugkeerrichtlijn (nr 32 420, nr 9, blz 6), tot de doelgroep van de richtlijn. Niettemin heeft verweerder geen inreisverbod tegen verzoeker uitgevaardigd toen hij zich nog op Nederlands grondgebied bevond.

3.5

Nadat verweerder uit Nederland was verwijderd zonder dat tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd, had verweerder op zichzelf de bevoegdheid verzoeker ongewenst te verklaren. De in de Parlementaire Geschiedenis als ongewenst geachte samenloop deed zich aldus immers niet voor en verzoeker was inmiddels niet meer in Nederland, zodat de Terugkeerrichtlijn op hem niet meer van toepassing was.

3.6

Verweerder heeft eiser vervolgens ongewenst verklaard zonder aan de ongewenstverklaring een termijn te verbinden. Volgens de Nederlandse wet- en regelgeving (de implementatiewetgeving van de Terugkeerrichtlijn) wordt een inreisverbod steeds uitgevaardigd voor een bepaalde duur. Voorts gelden uitgangspunten aan de hand waarvan de duur van het inreisverbod wordt bepaald. Verzoeker is nu geconfronteerd met een in principe voor onbepaalde duur geldende maatregel. Als verweerder echter gebruik had gemaakt van de bevoegdheid of verplichting voor eisers vertrek uit Nederland tegen hem een inreisverbod uit te vaardigen, had hij volgens de wet dit inreisverbod aan een vaste termijn dienen te verbinden.

3.7

Voor zover de wet (artikel 67 Vw) in een geval als deze een ongewenstverklaring voor onbepaalde duur mogelijk zou maken, moet deze in strijd met de Terugkeerrichtlijn worden beschouwd. De wet doet in zoverre afbreuk aan het “effet utile”van de richtlijn, die voorziet in een bepaalde duur van het inreisverbod. De ongewenstverklaring stemt naar doel en strekking immers grotendeels overeen met een inreisverbod. Daarom kan niet worden aanvaard dat verweerder het in zijn macht heeft om, door af te zien van de uitvaardiging van een inreisverbod, na vertrek van de vreemdeling uit Nederland, te bereiken dat hem alsnog een maatregel voor onbepaalde duur wordt opgelegd, terwijl dat met toepassing van de Terugkeerrichtlijn niet mogelijk was geweest.

3.8

Op het argument van verweerder dat eiser om opheffing van de ongewenstverklaring kan verzoeken waardoor deze niet voor onbepaalde duur hoeft te gelden, overweegt de rechtbank nog het volgende. In de Vreemdelingencirculaire heeft verweerder weliswaar beleid geformuleerd over de termijn, na verloop waarvan op aanvraag de ongewenstverklaring wordt opgeheven. Dat leidt echter niet tot een andere beoordeling dan onder 3.7 is overwogen. Daartoe is redengevend dat een beleidsregel minder waarborgen biedt dan een in de wet verankerde regeling; bovendien is de situatie van eiser in zoverre ongunstiger dat de ongewenstverklaring niet expireert van rechtswege, maar uitsluitend op zijn aanvraag wordt opgeheven. Daarnaast zijn op een aanvraag tot opheffing in het beleid geformuleerde voorwaarden van toepassing, bij de niet-vervulling waarvan opheffing niet aan de orde is. Nu gelet op het voorgaande de rechtbank van oordeel is dat in dit geval een ongewenstverklaring op grond van artikel 67 Vw niet mogelijk was, resteerde verweerder als enige mogelijkheid het bezwaar gericht tegen de ongewenstverklaring gegrond te verklaren en het besluit in primo van 26 juni 2012 te herroepen.

4.

De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de wet. Gezien het vorenstaande ziet de rechtbank voorts aanleiding om met toepassing van het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien door het bezwaar van eiser tegen de ongewenstverklaring gegrond te verklaren, het besluit van 26 juni 2012 te herroepen.

5.

Met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

6.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten van 26 juni 2012 en 14 september 2012;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen het besluit van 26 juni 2012 gegrond, herroept dat besluit;

  • -

    draagt verweerder op € 156,- te betalen aan eiser als vergoeding voor het betaalde griffierecht;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen aan eiser.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.S. de Groot, rechter, in aanwezigheid van J. van Roode, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.