Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:9615

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
01-08-2013
Zaaknummer
1237379
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ten aanzien van het beroep van eisers op de hardheidsclausule overweegt de rechtbank als volgt. Eisers hebben ter onderbouwing van hun stelling dat zij niet kunnen terugkeren naar hun land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen een verklaring van de ambassade van Tadzjikistan overgelegd. Uit deze verklaring blijkt dat eisers niet worden beschouwd als staatsburgers van Tadzjikistan en geen reisdocumenten zullen verkrijgen om naar Tadzjikistan terug te keren. Gelet op deze verklaring, opgesteld door de autoriteiten van het land van herkomst van eisers, kan verweerder zonder nadere motivering niet gevolgd worden in zijn standpunt dat van eisers verlangd kan worden terug te keren naar Tadzjikistan, om aldaar een mvv aan te vragen. Uit deze verklaring blijkt immers dat eisers niet als staatsburgers van Tadzjikistan worden beschouwd. De omstandigheid dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning in het kader van het buitenschuld beleid, maakt niet dat de verklaring van de ambassade geen rol kan spelen bij het beroep op de hardheidsclausule. De stelling van verweerder dat de inhoud van de verklaring van de ambassade van Tadzjikistan niet overeenkomt met informatie die bij verweerder bekend is, leidt niet tot een ander oordeel, nu verweerder de authenticiteit van de verklaring van de ambassade niet heeft betwist en met voornoemde stelling onvoldoende heeft gemotiveerd dat van de inhoud van deze verklaring niet zou mogen worden uitgegaan.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit voor zover het betreft de vraag verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat toepassing van het mvv-vereiste ten aanzien van eisers zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, ondeugdelijk is gemotiveerd. De beroepsgrond van eisers slaagt dan ook.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/37379 en AWB 12/37380 (beroep)

AWB 12/19853 en AWB 12/19854 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 5 juni 2013 in de zaak tussen

[eiser 1]

geboren op [geboortedatum 1], van Tadzjikistaanse nationaliteit,

eiser 1, verzoeker 1

hierna te noemen: eiser 1,

[eiseres 1],geboren op [geboortedatum 2], van Tadzjikistaanse nationaliteit,

eiseres 1, verzoekster 1

hierna te noemen: eiseres 1,

[eiseres 2],geboren op [geboortedatum 3], van Tadzjikistaanse nationaliteiteiseres 2, verzoekster 2,hierna te noemen: eiseres 2,

[eiser 2], geboren op [geboortedatum 4], van Tadzjikistaanse nationaliteit,eiser 2, verzoeker 2,hierna te noemen: eiser 2,

[eiser 3], van Tadzjikistaanse nationaliteit,geboren op [geboortedatum 5] eiser 3, verzoeker 3,hierna te noemen: eiser 3.

(gemachtigde: drs. F.W. King, rechtshulpverlener te Leiden),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. drs. K.E. van der Lugt, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluiten van 4 en 5 juni 2012 (de primaire besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het doel “conform beschikking minister” afgewezen.

Bij besluit van 21 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eiser 1 en eiseres 1 hebben, mede namens eiseres 2 en eisers 2 en 3, tegen het bestreden besluit afzonderlijk beroep ingesteld. Eisers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoeken verweerder te verbieden hen uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op de beroepen heeft beslist.

Verweerder heeft op 7 maart 2013 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2013. Eiser 1 is verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten.
Eisers hebben op 14 juni 2011 een aanvraag ingediend om toepassing van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op 15 september 2011 hebben eisers de voorliggende aanvraag ingediend.  Op 31 mei 2012 heeft verweerders Bureau Medische Advisering (BMA) een medisch advies uitgebracht over de gezondheidsituatie van eisers.

2.

Verweerder heeft de aanvraag van eisers afgewezen omdat zij niet beschikken over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), terwijl niet gebleken is dat zij daarvan dienen te worden vrijgesteld op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), noch op grond van artikel 3.71, vierde lid, Vb (de zogenaamde hardheidsclausule).

3.

Eisers hebben aangevoerd dat zij in aanmerking dienen te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, Vb. In dit kader hebben zij aangevoerd dat het voor hen buiten hun schuld onmogelijk is om Nederland te verlaten, waardoor zij in hun land van herkomst geen gezinsleven kunnen uitoefenen in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het terugsturen van het gezin levert dan ook strijd op met artikel 8 EVRM. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijzen eisers naar een overgelegde verklaring van de ambassade van Tadzjikistan van 6 augustus 2012 waarin wordt aangegeven dat eisers niet als staatsburger van Tadzjikistan worden beschouwd en dat zij daarom geen reisdocumenten krijgen om terug te keren naar Tadzjikistan. Hierdoor zijn eisers als staatloos aan te merken en zijn er objectieve belemmeringen gerezen om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen.

3.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, Vb. Er is weliswaar sprake van familie- en gezinsleven tussen eisers, maar er is geen sprake van inmenging, nu eisers hier nimmer rechtmatig hebben verbleven. Indien eisers menen dat er objectieve belemmeringen bestaan om het gezinsleven in het buitenland uit te oefenen, omdat zij buiten hun schuld Nederland niet zouden kunnen verlaten, dienen zij een daartoe strekkende aanvraag in te dienen. Ten aanzien van de verklaring van de ambassade van Tadzjikistan heeft verweerder ter zitting aangegeven dat verweerder zich primair op het standpunt stelt dat de inhoud van dit document niet overeenkomt met de informatie die bij verweerder bekend is. Als vereiste voor staatloosheid wordt gesteld dat personen Tadzjikistan voor 6 november 1994 hebben moeten verlaten. Uit de asielprocedure van eisers is gebleken dat eisers tot april 2007 in Tadzjikistan hebben verbleven en het land dus niet voor 6 november 1994 hebben verlaten. Ook indien uitgegaan zou worden van de juistheid van deze informatie, is hiermee geen sprake van schending van artikel 8 EVRM, aangezien daarmee niet is onderbouwd dat het gezinsleven niet in een ander land dan Nederland kan worden uitgeoefend, aldus verweerder ter zitting. Uit artikel 8 EVRM kan niet de algemene verplichting worden afgeleid om de domiliciekeuze van een gezin te eerbiedigen.

3.2

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, onder l, Vb is van het vereiste van een geldige mvv vrijgesteld de vreemdeling van wie de uitzetting in strijd is met artikel 8 EVRM.

3.3

Op grond van artikel 8, eerste lid, EVRM heeft, voor zover hier van belang, een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven. Op grond van het tweede lid van deze bepaling is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
Zoals volgt uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), onder meer het arrest Rodriguez da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99 (JV 2006/90), en de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009 in zaak nr. 200903237/1/V2; www.raadvanstate.nl), moet bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 EVRM beschermde recht op eerbiediging van gezinsleven een "fair balance" worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en de kinderen enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds.

3.4

In de verklaring van de ambassade van Tadzjikistan van 6 augustus 2012 is vermeld dat personen die het land voor 6 november 1994 hebben verlaten en zich niet binnen vijf jaar hebben geregistreerd bij een ambassade van Tadzjikistan buiten Tadzjikistan, niet beschouwd worden als staatsburgers van Tadzjikistan. De ambassade bevestigt voorts dat, in verband daarmee, eisers niet beschouwd kunnen worden als staatsburgers van Tadzjikistan en dat het daarom ook niet mogelijk is hen in bezit te stellen van een laissez-passer (of een ander reisdocument) voor terugkeer naar Tadzjikistan.

3.5

De tegenwerping van het mvv-vereiste betreft het hele gezin van eisers. In geschil is of eisers aannemelijk hebben gemaakt dat er een objectieve belemmering bestaat het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eisers met de verklaring van de ambassade van Tadzjikistan, indien wordt uitgegaan van de juistheid daarvan, niet aannemelijk hebben gemaakt dat er objectieve belemmeringen bestaan om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Uit die verklaring blijkt immers enkel een belemmering om het gezinsleven in Tadzjikistan uit te oefenen. Nu eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het gezinsleven niet elders buiten Nederland uitgeoefend kan worden, heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eisers geen geslaagd beroep kunnen doen op de vrijstellingsgrond, neergelegd in artikel 3.71, tweede lid, onder l, Vb, aangezien de verwijdering van eisers uit Nederland geen strijd oplevert met artikel 8 EVRM.

4.

Eisers voeren voorts aan dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan de terugkeer van eisers naar hun land van herkomst zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Eisers doen hiermee een beroep op de zogenaamde hardheidsclausule van artikel 3.71, vierde lid, Vb. In dit kader hebben eisers verwezen naar voornoemde verklaring van de ambassade van Tadzjikistan, waaruit blijkt dat zij als staatloos dienen te worden beschouwd en dus niet kunnen terugkeren naar Tadzjikistan. Dat verweerder over andere informatie beschikt met betrekking tot de gestelde staatloosheid van eisers, laat onverlet dat de ambassade schriftelijk heeft verklaard dat eisers niet meer worden beschouwd als Tadzjikistaanse staatburgers. Nu verweerder de authenticiteit van het door eisers overgelegde document niet betwist, moet worden uitgegaan van de juistheid van de inhoud ervan. Daarnaast voeren eisers ter zitting de omstandigheid aan dat er sprake is van medische problemen bij eisers, op grond waarvan van hen niet gevergd kan worden terug te keren naar hun land van herkomst. Eisers menen dat zij op grond van deze feiten en omstandigheden in aanmerking komen voor toepassing van de hardheidsclausule.

4.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hetgeen eisers hebben aangevoerd ten aanzien van het beroep op de hardheidsclausule, onvoldoende is om te stellen dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan de terugkeer van eisers naar hun land van herkomst zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Ter zitting heeft verweerder hieraan toegevoegd dat het beroep op de verklaring van de ambassade van Tadzjikistan en de medische omstandigheden dit niet anders maakt. De enkele verklaring van de ambassade van Tadzjikistan, indien wordt uitgegaan van de juistheid daarvan, is onvoldoende voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule vanwege de gestelde staatloosheid. In dat geval dient voldaan te zijn aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning in het kader van het buitenschuld. Bovendien is in de medische procedure van eisers door het BMA vastgesteld dat eisers in staat zijn om te reizen naar hun land van herkomst.

4.2

Ingevolge artikel 3.71, vierde lid, Vb kan verweerder de vreemdeling vrijstellen van het mvv-vereiste, als toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

4.3

Ten aanzien van het beroep van eisers op de hardheidsclausule overweegt de rechtbank als volgt. Eisers hebben ter onderbouwing van hun stelling dat zij niet kunnen terugkeren naar hun land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen een verklaring van de ambassade van Tadzjikistan overgelegd. Uit deze verklaring blijkt dat eisers niet worden beschouwd als staatsburgers van Tadzjikistan en geen reisdocumenten zullen verkrijgen om naar Tadzjikistan terug te keren. Gelet op deze verklaring, opgesteld door de autoriteiten van het land van herkomst van eisers, kan verweerder zonder nadere motivering niet gevolgd worden in zijn standpunt dat van eisers verlangd kan worden terug te keren naar Tadzjikistan, om aldaar een mvv aan te vragen. Uit deze verklaring blijkt immers dat eisers niet als staatsburgers van Tadzjikistan worden beschouwd. De omstandigheid dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning in het kader van het buitenschuld beleid, maakt niet dat de verklaring van de ambassade geen rol kan spelen bij het beroep op de hardheidsclausule. De stelling van verweerder dat de inhoud van de verklaring van de ambassade van Tadzjikistan niet overeenkomt met informatie die bij verweerder bekend is, leidt niet tot een ander oordeel, nu verweerder de authenticiteit van de verklaring van de ambassade niet heeft betwist en met voornoemde stelling onvoldoende heeft gemotiveerd dat van de inhoud van deze verklaring niet zou mogen worden uitgegaan.

4.4

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit voor zover het betreft de vraag verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat toepassing van het mvv-vereiste ten aanzien van eisers zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard, ondeugdelijk is gemotiveerd. De beroepsgrond van eisers slaagt dan ook.

5.

Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond van eisers, dat verweerder ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en daarom ten onrechte heeft afgezien van het horen van eisers, eveneens slaagt.

6.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt wegens strijd met de artikelen 7:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:51a Awb. Daartoe is redengevend dat niet is uitgesloten is dat verweerder in de verklaring van de ambassade van Tadzjikistan aanleiding ziet eisers vrij te stellen van het mvv-vereiste. Verweerder wordt dan ook opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de aanwijzingen van de rechtbank. Aan beoordeling van de overige gronden komt de rechtbank niet toe.

7.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb verweerder opdragen het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden.

8.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eisers hebben gemaakt. De kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 944,- (gelet op de samenhang:1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Verzoek om een voorlopige voorziening

9.

Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

10.

Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

11.

De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb verweerder opdragen het betaalde griffierecht te vergoeden.

12.

De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eisers hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 472,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (gelet op de samenhang: 1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de aanwijzingen van de rechtbank;
- draagt verweerder op € 312,- te betalen aan eisers als vergoeding voor het betaalde griffierecht in verband met de beroepen;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen aan eisers in verband met de beroepen.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;
- draagt verweerder op € 156,- te betalen aan eisers als vergoeding voor het betaalde griffierecht in verband met de verzoeken;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 472,- te betalen aan eisers in verband met de verzoeken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B de Vries-van den Heuvel, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. O. Tornij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Let wel:

Gegrondverklaring van het beroep betekent niet dat eiser op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. Uit de uitspraak blijkt dat de rechtbank een beroepsgrond van eiser uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen. Als eiser het daarmee niet eens is en wil voorkomen dat dit oordeel van de rechtbank komt vast te staan, zal hij tegen deze uitspraak hoger beroep moeten instellen.