Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:9611

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-06-2013
Datum publicatie
01-08-2013
Zaaknummer
12-353987
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat eiseres thans in bezit is van een (al dan niet tijdelijk) geldig verblijfsdocument voor Zuid-Afrika. De geldigheidsduur van de door eiseres overgelegde “Asylum Seeker Temporary Permit” van de Republic of South Africa, Department of Home Affairs is op 20 juni 2012 verstreken. Er is derhalve sprake van de in het beleid genoemde situatie dat uit de voorliggende stukken niet aanstonds blijkt of de asielzoeker een verblijfstitel heeft en sprake is van een langdurig verblijf in het land van eerder verblijf. Alsdan dient per individueel geval te worden bezien of onderzoek moet plaatsvinden in het land van eerder verblijf. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat geen aanleiding bestond nader onderzoek te doen naar de verblijfsrechtelijke positie van eiseres in het land van eerder verblijf, omdat de stukken in het dossier al antwoord geven op de onderzoeksvragen. Uit het dossier blijkt immers dat eiseres een asielaanvraag heeft ingediend in Zuid-Afrika, de autoriteiten haar verblijf hebben verleend in afwachting van een beslissing op die aanvraag en dat dat verblijf verlengd kan worden.

Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit het feit dat eiseres in Zuid-Afrika een asielaanvraag heeft ingediend en dat zij de behandeling daarvan mag afwachten niet reeds blijkt dat eiseres een verblijfstitel zal verkrijgen die duurzame bescherming tegen refoulement biedt. Uit het feit eiseres de beschikking had over een tijdelijk verblijfsrecht (Asylum Seeker Temporary Permit), dat blijkens het document twee keer verlengd kan worden, blijkt evenmin afdoende dat eiseres in het bezit zal worden gesteld van een verblijfstitel die naar zijn aard bescherming tegen refoulement biedt. Uit de door eiseres overgelegde verklaring van 26 oktober 2012 kan de rechtbank evenmin afleiden dat eiseres in Zuid-Afrika vooruitzicht heeft op een verblijfstitel die haar duurzaam beschermt tegen refoulement.

Verweerders standpunt dat voor de conclusie dat sprake is van duurzame bescherming tegen refoulement niet vereist is dat sprake zal zijn van het verlenen van een geldige verblijfstitel die naar zijn aard daartegen duurzame bescherming biedt, maar dat de vaststelling dat een dergelijk verblijfsrecht mogelijk verleend wordt (verleend kan worden) daartoe voldoende is, volgt de rechtbank niet. Ingevolge het beleid moet immers vastgesteld worden, alvorens artikel 31, tweede lid, en onder i, Vw kan worden tegengeworpen, dat sprake is van duurzame bescherming tegen refoulement. Met de vaststelling dat duurzame bescherming mogelijk verkregen wordt, kan zulks niet worden vastgesteld en kan niet worden uitgesloten dat de vreemdeling geen duurzame bescherming tegen refoulement geniet. Een dergelijke interpretatie zou in strijd zijn met de ratio van de voorwaarde, die zijn grondslag vindt in het Vluchtelingenverdrag.

In de in paragraaf C4/3.9.4 Vc geformuleerde uitzondering ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen.

Gelet op het voorgaande, volgt de rechtbank niet verweerders standpunt, zoals toegelicht ter zitting, dat eiseres duurzame bescherming tegen refoulement geniet, omdat zij een asielaanvraag heeft ingediend waarop nog niet beslist is en dat zij in afwachting daarvan in bezit is gesteld van een tijdelijk verblijfsrecht (Asylum Seeker Temporary Permit) dat weliswaar is verlopen maar dat mogelijk verlengd kan worden.

De rechtbank volgt eiseres dan ook in haar betoog dat verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt kon stellen dat Zuid-Afrika eiseres duurzame bescherming biedt tegen refoulement, zoals neergelegd in paragraaf C4/3.9.4 Vc.

Dat geen aanleiding bestond onderzoek te doen naar de verblijfsrechtelijke positie van eiseres in het land van eerder verblijf, zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven, volgt de rechtbank, gelet op het voorgaande, evenmin. Het beroep is gegrond.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/353987 (beroep)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 juni 2013 in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedatum], van Congolese nationaliteit,

eiseres, verzoekster,

hierna te noemen eiseres,

(gemachtigde: mr. F.L.M. van Haren, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. drs. K.E. van der Lugt, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiseres heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij verzoekt verweerder te verbieden haar uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Verweerder heeft op 8 maart 2013 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 maart 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Ter zitting heeft eiseres het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken.

Overwegingen

1.

Eiseres heeft ter onderbouwing van haar aanvraag het volgende aangevoerd. Eiseres is afkomstig uit de Democratische Republiek Congo (DRC). De vader van eiseres is in 2009 vermoord vanwege zijn weigering van politieke partij te veranderen. Eiseres is wegens haar vaders politieke activiteiten twee dagen ontvoerd geweest. Zij is daarna ondergedoken bij haar nicht en in 2010 vertrokken naar Zuid-Afrika. In Zuid-Afrika kwam ze één van haar ontvoerders tegen, die haar met de dood bedreigde. Eiseres heeft vervolgens Zuid-Afrika verlaten.

2.

Eiseres heeft bij haar inreis in Nederland op 28 oktober 2012 de volgende documenten overgelegd:
- Een “Asylum Seeker Temporary Permit” van de Republic of South Africa, Department of
Home Affairs. Afgiftedatum is 20 december 2011 en geldig tot 20 juni 2012;
- “Acknowledgement of receipt” van de Republic of South Africa, Deparment of Home
Affairs. Afgiftedatum is 25 oktober 2012 te Kaapstad;
- Verklaring door eiseres afgelegd tegenover de Zuid-Afrikaanse politie, dagtekening 26
oktober 2012, waarin zij verklaart dat zij voor twee weken naar Nederland reist en daarna
zal terugkeren naar Zuid-Afrika om haar werkzaamheden te vervolgen.

3.

4. 3.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres heeft voor haar komst naar Nederland onder ter plaatse niet als abnormaal aan te merken omstandigheden in Zuid-Afrika verbleven, alwaar zij bescherming genoot tegen refoulement. Gebleken is dat eiseres bij verwijdering uit Nederland in Zuid-Afrika zal worden toegelaten en aldaar duurzame bescherming zal verkrijgen.

4.

Eiseres heeft allereerst aangevoerd dat verweerder ingevolge artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) ten onrechte geen nieuw voornemen heeft uitgebracht. Daartoe stelt eiseres dat verweerder in het voornemen heeft overwogen dat Zuid-Afrika partij is bij het Vluchtelingenverdrag en aan het op daarvan toepassing zijnde beleid heeft getoetst, te weten paragraaf C4/3.9.4, onder a, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). In het bestreden besluit is vervolgens overwogen dat Zuid-Afrika geen partij is bij het Vluchtelingenverdrag en dat eiseres in Zuid-Afrika een geldige verblijfstitel kan verkrijgen, die in Zuid-Afrika duurzame bescherming tegen refoulement biedt. In de bestreden beschikking is derhalve getoetst aan ander beleid, te weten paragraaf C4/3.9.4, onder b, Vc. Door niet een nieuw voornemen uit te brengen, is eiseres door deze handelwijze van verweerder in haar belangen geschaad.

4.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in het voornemen abusievelijk is vermeld dat sprake is van de situatie dat het land van eerder verblijf partij is bij het Vluchtelingenverdrag en dit verdrag te goeder trouw naleeft, zoals weergegeven in paragraaf C4/3.9.4 onder a, Vc. Er is echter sprake van de situatie zoals neergelegd in paragraaf C4/3.9.4 onder b, Vc. Zuid-Afrika, het land van eerder verblijf, is geen partij bij het Vluchtelingenverdrag, of leeft dit verdrag niet te goeder trouw na, maar eiseres beschikte in Zuid-Afrika over een geldige verblijfstitel die naar zijn aard duurzame bescherming bood tegen terugzending, en er is gebleken dat zij een verlenging van deze verblijfstitel kan verkrijgen. Ondanks dat in het voornemen een onjuiste paragraaf van de Vc wordt vermeld, is in het voornemen wel inhoudelijk aan de juiste grond getoetst, zodat eiseres hiermee niet in haar belangen is geschaad. In het voornemen is gemotiveerd uiteengezet dat eiseres in Zuid-Afrika duurzame bescherming kan verkrijgen. Er worden hiermee geen dragende overwegingen aan het voornemen toegevoegd, met als gevolg dat er geen aanvullend voornemen hoeft te worden uitgebracht, aldus verweerder.

4.2

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder i, Vw wordt bij een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling in een land van eerder verblijf zal worden toegelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden.

4.3

In paragraaf C4/3.9.2 Vc, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit, staat het volgende vermeld.

Voorwaarden voor afwijzing
Een asielaanvraag kan op grond van deze bepaling (rechtbank: 31, tweede lid, aanhef en onder i, Vw) worden afgewezen, indien:
- de asielzoeker niet rechtstreeks naar Nederland is gekomen en voor zijn komst in een ander land genoegzame bescherming genoot of had kunnen genieten tegen refoulement; en
- hij naar het oordeel van de Minister in dat land verbleef of had kunnen verblijven onder ter plaatse niet als abnormaal aan te merken omstandigheden; en
-gebleken is dat dit land hem zal toelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden.

Paragraaf C4/3.9.3 luidde ten tijde van het bestreden besluit als volgt.

Vaststelling van eerder verblijf.
Als de volgende situaties cumulatief van toepassing zijn, is er sprake van een land van eerder verblijf.

a. De vreemdeling is vanuit zijn land van herkomst niet rechtstreeks naar Nederland gekomen;
b. Uit objectieve feiten of omstandigheden is gebleken dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had om naar Nederland te reizen;
c. De vreemdeling verbleef in het derde land of had aldaar kunnen verblijven onder omstandigheden die ter plaatse niet als abnormaal moeten worden aangemerkt.


Paragraaf C4/3.9.4 Vc vermeldde ten tijde van het bestreden besluit het volgende.

Duurzame bescherming in het land van eerder verblijf

Indien is vastgesteld dat er wel sprake is van een land van eerder verblijf, dient te worden vastgesteld of dit land van eerder verblijf duurzame bescherming tegen refoulement biedt. Als dat het geval is, kan de asielaanvraag worden afgewezen op grond van artikel 31, tweede lid, onder i, Vw (http://migratierecht.sdu.rijksweb.nl/migratierechtonline/migratierecht.exe?HYP_uzrx_obaaaafaaaa,_3_mddocument).

De asielzoeker heeft in het land van eerder verblijf duurzame bescherming als één van de volgende gevallen van toepassing is:

  1. . het land het land van eerder verblijf is partij bij het Vluchtelingenverdrag én leeft dit verdrag te goeder trouw na;

  2. . het land van eerder verblijf is géén partij bij het Vluchtelingenverdrag of leeft dit verdrag niet te goeder trouw na, maar de asielzoeker beschikt in het land van eerder verblijf over een geldige verblijfstitel die naar zijn aard duurzame bescherming biedt tegen terugzending, of er is gebleken dat hij een dergelijke verblijfstitel kan verkrijgen.

ad a.
In deze gevallen kan de aanvraag ook worden afgewezen indien de asielzoeker verdragsvluchteling is, of indien één van de andere inwilligingsgronden van artikel 29, eerste lid, onder b tot en met d, Vw (http://migratierecht.sdu.rijksweb.nl/migratierechtonline/migratierecht.exe?HYP_uzrx_ndaaaafaaaa,_3_mddocument) op zichzelf bezien van toepassing is. Voorts is het in deze gevallen niet nodig dat de asielzoeker beschikt over een verblijfstitel voor het land van eerder verblijf. Het is voldoende dat hij toegang krijgt tot het grondgebied van dit land. Dit moet blijken uit een schriftelijk bericht van dit land (bijvoorbeeld een gehonoreerde claim). Dit schriftelijk bericht behoeft niet te worden opgevraagd indien uit algemene informatie of uit andere bronnen reeds blijkt dat de vreemdeling zijn verblijf in het land van eerder verblijf zal kunnen voortzetten.

Ad b.
Ook In deze gevallen kan de bepaling worden toegepast indien één van de inwilligingsgronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw (http://migratierecht.sdu.rijksweb.nl/migratierechtonline/migratierecht.exe?HYP_uzrx_ndaaaafaaaa,_3_mddocument) op zichzelf bezien van toepassing is:
- een verblijfstitel die naar zijn aard tijdelijk is, levert over het algemeen onvoldoende bescherming op tegen terugzending, tenzij er vooruitzicht is op verlenging of wijziging van de beperking;
- als uit de voorliggende stukken niet aanstonds blijkt of de asielzoeker een verblijfstitel heeft en er is sprake van een langdurig verblijf in het land van eerder verblijf, dient per individueel geval te worden bezien of onderzoek moet plaatsvinden in het land van eerder verblijf.

Uitzondering
De asielzoeker heeft in het land van eerder verblijf in hert kader van een asielprocedure een in rechte onaantastbare negatieve beslissing gekregen waarbij hij alle mogelijke rechtsmiddelen heeft aangewend, tenzij het indienen van een rechtsmiddel als ‘volstrekt illusoir’ moet worden aangemerkt. De bewijslast ligt op dit punt bij de asielzoeker. Als dit geval zich voordoet, kan artikel tweede lid, onder i, niet worden toegepast.


4.4 De rechtbank stelt vast dat in het voornemen is getoetst of sprake is van duurzame bescherming tegen terugzending naar het land van herkomst, zoals neergelegd in paragraaf C4/3.9.4, onder b, Vc. Dat in het voornemen evenzeer wordt overwogen dat Zuid-Afrika partij is bij het Vluchtelingenverdrag en niet gebleken is dat Zuid-Afrika het Vluchtelingenverdrag niet te goeder trouw naleefd, en hiermee naar paragraaf C4/3.9.4, onder a, Vc wordt verwezen, maakt dat niet anders. Nu reeds in het voornemen getoetst is aan paragraaf C4/3.9.4, onder b, Vc is geen sprake is van feiten of omstandigheden die na het uitreiken of toezenden van het voornemen bekend zijn geworden. Evenmin is sprake van feiten en of omstandigheden, die naar aanleiding van de zienswijze anders worden beoordeeld of gewogen hadden moeten worden. Het betoog van eiseres dat verweerder ingevolge artikel 3.119 Vb een nieuw voornemen had moeten uitbrengen, volgt de rechtbank derhalve niet. Het betoog van eiseres dat zij op het verkeerde been is gezet, en daardoor in haar belangen is geschaad door het in het voornemen abusievelijk vermelden van paragraaf C4/3.9.4, onder a, Vc, volgt de rechtbank evenmin. Zoals blijkt uit de zienswijze heeft eiseres evenzeer argumenten aangedragen tegen de overweging van verweerder in het voornemen die zien op de situatie zoals neergelegd in C4/3.9.4, onder b, Vc. Zo wordt in de zienswijze onder meer aangevoerd dat niet vastgesteld kan worden dat Zuid-Afrika duurzame bescherming tegen refoulement biedt en dat het Zuid-Afrikaanse verblijfsdocument van eiseres verlopen is en niet verlengd kan worden. Eiseres is naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet in haar belangen geschaad door de handelwijze van verweerder.

5.

De rechtbank stelt vast dat in geschil is of eiseres in Zuid-Afrika beschikt over een geldige verblijfstitel die naar zijn aard duurzame bescherming biedt tegen terugzending danwel of zij een dergelijke verblijfstitel kan verkrijgen. Niet in geschil is dat eiseres op 20 december 2010 een asielaanvraag heeft ingediend in Zuid-Afrika, waarop nog niet is beslist.

5.1

Eiseres heeft aangevoerd dat uit het voornemen noch uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder heeft vastgesteld dat eiseres in Zuid-Afrika een verblijfsvergunning kan verkrijgen die haar duurzame bescherming biedt. Verweerder heeft niet betwist dat eiseres op dit moment geen verblijfstitel in Zuid-Afrika heeft. In strijd met het beleid heeft verweerder niet bezien of er onderzoek naar de verblijfsrechtelijke positie van eiseres moet plaatsvinden in Zuid-Afrika. Ten onrechte heeft verweerder niet onderzocht of er sprake is van een vooruitzicht op verlenging van de destijds aan haarverleende verblijfsvergunning. De omstandigheid dat eiseres om verlenging van haar tijdelijke vergunning heeft verzocht, is niet voldoende voor de conclusie dat vooruitzicht bestaat op verlenging. Eisers is bovendien enkel in het bezit geweest van een tijdelijk verblijfsrecht. Verweerder stelt dan ook ten onrechte dat Zuid-Afrika duurzame bescherming tegen refoulement zal bieden, aldus eiseres.

5.2

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres in Zuid-Afrika een verblijfstitel kan verkrijgen die naar zijn aard duurzame bescherming biedt tegen terugzending naar haar land van herkomst. Daartoe stelt verweerder dat door eiseres een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel in Zuid-Afrika is ingediend. In afwachting van de uitkomst van deze procedure bezit zij een verblijfstitel aldaar. Eiseres heeft daarop geen in rechte onaantastbare negatieve beslissing gekregen. Uit de door eiseres overgelegde documenten noch uit de verklaringen van eiseres zelf, kan worden opgemaakt dat een verlenging van de verleende vergunning is uitgesloten. Niet is gebleken is immers dat het verblijf niet kan of zal worden verlengd. Het ‘Asylum Seeker Temporary Permit’ kan tot twee keer toe verlengd worden, blijkt uit het document in kwestie. De verklaring in de zienswijze dat verlenging niet mogelijk is, is enkel een speculatieve. De Zuid-Afrikaanse autoriteiten hebben middels de ondertekening van de verklaring van 26 oktober 2012 blijk gegeven van de intentie tot wedertoelating van eiseres en de voorzetting van haar verblijf in Zuid-Afrika. In het verweerschrift heeft verweerder daaraan nog toegevoegd dat de enkele omstandigheid dat een document ter onderbouwing van haar verblijfrechtelijke positie in Zuid-Afrika mogelijkerwijs is verlopen, onvoldoende aanwijzing biedt dat eiseres niet in het bezit zal worden gesteld van een verblijfsvergunning die duurzame bescherming biedt.

5.3

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier niet blijkt dat eiseres thans in bezit is van een (al dan niet tijdelijk) geldig verblijfsdocument voor Zuid-Afrika. De geldigheidsduur van de door eiseres overgelegde “Asylum Seeker Temporary Permit” van de Republic of South Africa, Department of Home Affairs is op 20 juni 2012 verstreken. Er is derhalve sprake van de in het beleid genoemde situatie dat uit de voorliggende stukken niet aanstonds blijkt of de asielzoeker een verblijfstitel heeft en sprake is van een langdurig verblijf in het land van eerder verblijf. Alsdan dient per individueel geval te worden bezien of onderzoek moet plaatsvinden in het land van eerder verblijf. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat geen aanleiding bestond nader onderzoek te doen naar de verblijfsrechtelijke positie van eiseres in het land van eerder verblijf, omdat de stukken in het dossier al antwoord geven op de onderzoeksvragen. Uit het dossier blijkt immers dat eiseres een asielaanvraag heeft ingediend in Zuid-Afrika, de autoriteiten haar verblijf hebben verleend in afwachting van een beslissing op die aanvraag en dat dat verblijf verlengd kan worden.
Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit het feit dat eiseres in Zuid-Afrika een asielaanvraag heeft ingediend en dat zij de behandeling daarvan mag afwachten niet reeds blijkt dat eiseres een verblijfstitel zal verkrijgen die duurzame bescherming tegen refoulement biedt. Uit het feit eiseres de beschikking had over een tijdelijk verblijfsrecht (Asylum Seeker Temporary Permit), dat blijkens het document twee keer verlengd kan worden, blijkt evenmin afdoende dat eiseres in het bezit zal worden gesteld van een verblijfstitel die naar zijn aard bescherming tegen refoulement biedt. Uit de door eiseres overgelegde verklaring van 26 oktober 2012 kan de rechtbank evenmin afleiden dat eiseres in Zuid-Afrika vooruitzicht heeft op een verblijfstitel die haar duurzaam beschermt tegen refoulement.
Verweerders standpunt dat voor de conclusie dat sprake is van duurzame bescherming tegen refoulement niet vereist is dat sprake zal zijn van het verlenen van een geldige verblijfstitel die naar zijn aard daartegen duurzame bescherming biedt, maar dat de vaststelling dat een dergelijk verblijfsrecht mogelijk verleend wordt (verleend kan worden) daartoe voldoende is, volgt de rechtbank niet. Ingevolge het beleid moet immers vastgesteld worden, alvorens artikel 31, tweede lid, en onder i, Vw kan worden tegengeworpen, dat sprake is van duurzame bescherming tegen refoulement. Met de vaststelling dat duurzame bescherming mogelijk verkregen wordt, kan zulks niet worden vastgesteld en kan niet worden uitgesloten dat de vreemdeling geen duurzame bescherming tegen refoulement geniet. Een dergelijke interpretatie zou in strijd zijn met de ratio van de voorwaarde, die zijn grondslag vindt in het Vluchtelingenverdrag.
In de in paragraaf C4/3.9.4 Vc geformuleerde uitzondering ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen.
Gelet op het voorgaande, volgt de rechtbank niet verweerders standpunt, zoals toegelicht ter zitting, dat eiseres duurzame bescherming tegen refoulement geniet, omdat zij een asielaanvraag heeft ingediend waarop nog niet beslist is en dat zij in afwachting daarvan in bezit is gesteld van een tijdelijk verblijfsrecht (Asylum Seeker Temporary Permit) dat weliswaar is verlopen maar dat mogelijk verlengd kan worden.
De rechtbank volgt eiseres dan ook in haar betoog dat verweerder zich niet zonder nadere motivering op het standpunt kon stellen dat Zuid-Afrika eiseres duurzame bescherming biedt tegen refoulement, zoals neergelegd in paragraaf C4/3.9.4 Vc.
Dat geen aanleiding bestond onderzoek te doen naar de verblijfsrechtelijke positie van eiseres in het land van eerder verblijf, zoals verweerder ter zitting heeft aangegeven, volgt de rechtbank, gelet op het voorgaande, evenmin.

5.5

Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep gegrond verklaart. Het bestreden besluit is in. De rechtbank zal het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:51a Awb. Daartoe is redengevend dat niet uitgesloten is dat verweerder besluit de asielaanvraag van eiseres in behandeling te nemen. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de aanwijzingen van de rechtbank. Aan bespreking van de overige gronden van beroep komt de rechtbank niet toe.

6.

De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiseres heeft gemaakt. De kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de aanwijzingen van de rechtbank;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 944,- te betalen aan eiseres in verband met het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B de Vries-van den Heuvel, rechter, in aanwezigheid van mr. O. Tornij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.