Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:9522

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
14-08-2013
Zaaknummer
AWB-12_7871
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2014:3817, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Informatiebeschikkingen wegens niet verstrekken informatie buitenlandse bankrekening terecht afgegeven.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen 47
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-2078
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 12/7871 en SGR 12/7872

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 juni 2013 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 11 oktober 2011 ten aanzien van eiseres met betrekking tot de jaren 2008 en 2009 informatiebeschikkingen als bedoeld in artikel 52a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) gegeven.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 6 juli 2012 de informatiebeschikkingen gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2013. Namens eiseres is niemand verschenen. Namens verweerder is verschenen [B], bijgestaan door

[C]. Ter zitting zijn tevens behandeld de beroepen van de dochter van eiseres,

[D], met zaaknummer SGR 12/7867, en de schoonzoon van eiseres, [E], met zaaknummers SGR 12/7783 en SGR 12/7882, welke beroepen betrekking hebben op de ten aanzien van hen gegeven informatiebeschikkingen. Na de zitting is het onderzoek gesloten. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Op 26 april 2013 heeft de rechtbank een verzoek tot wraking van de voorzitter van de meervoudige kamer, mr. M.A. Dirks, ontvangen. De wrakingskamer heeft dit verzoek bij beschikking van 27 mei 2013 deels niet-ontvankelijk verklaard en deels afgewezen.

Overwegingen

Feiten

1.

Op 18 februari 2005 hebben de Belgische autoriteiten in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen fotokopieën verstrekt aan de FIOD-ECD Team Internationaal, welke bij een huiszoeking in België in beslag waren genomen. De belastingdienst heeft naar aanleiding van deze gegevens vervolgens onderzoek gedaan, later bekend geworden als het project Bank Zonder Naam. Het onderzoek richtte zich op het vaststellen van de identiteit van Nederlandse rekeninghouders bij Van Lanschot Bankiers (Luxemburg) SA te Luxemburg (VLB), waarvan de gegevens waren vermeld op vorengenoemde fotokopieën (de VLB-renseignementen).

2.

De VLB-renseignementen vermelden onder meer een rekening met nummer [rekeningnummer 1] ten name van “[X]”, met een saldo op 5 september 1996 van ƒ 253.899,58 (ƒ 100,91 lopende rekening, ƒ 253.798,67 deposito’s), en op 28 november 1996 van ƒ 258.433,08

(ƒ 686,58 lopende rekening, ƒ 53.429,46 deposito’s, ƒ 49.750 effecten, ƒ 154.567,04 beleggingsfondsen). Verweerder heeft eiseres als houder van die rekening geïdentificeerd en haar hierover voor het eerst in 2007 aangeschreven.

3.

Eind september 2010 hebben de Franse autoriteiten in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen een cd-rom aan de belastingdienst ter beschikking gesteld. De belastingdienst heeft naar aanleiding van deze gegevens vervolgens onderzoek gedaan naar de identiteit van Nederlandse rekeninghouders bij een vestiging van HSBC Bank in Zwitserland, waarvan de gegevens waren vermeld op vorengenoemde cd-rom (de HSBC-renseignementen).

4.

De HSBC-renseignementen vermelden onder meer een rekening met nummer [rekeningnummer 2] met openingsdatum 7 mei 1999, ten name van “[X]”, geboren op [datum] 1936. Het tegoed op die rekening werd gedeeltelijk in de vorm van effecten aangehouden. Het geschatte saldo van die rekening bedroeg in december 2005 en december 2006 respectievelijk $ 181.448 en $ 209.449. In de periode van november 2005 tot februari 2007 bedroeg het geschatte maximum saldo van die rekening

$ 210.638. Verweerder heeft eiseres als houder van die rekening geïdentificeerd.

5.

Eiseres, geboren op [datum] 1936, heeft in haar aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2008 en 2009 geen vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een buitenlandse bankrekening bij VLB dan wel HSBC.

6.

Verweerder heeft eiseres, onder verwijzing naar artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr) en de artikelen 25, zesde lid, en 27e van de Awr, bij brief van 19 januari 2011 verzocht om nadere gegevens en inlichtingen te verstrekken ter zake van haar in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Bij brief van 7 februari 2011 heeft verweerder, onder verwijzing naar vorengenoemde vragenbrief van 19 januari 2011 en artikel 47 van de Awr, een herinneringsbrief aan eiseres gestuurd. Als bijlage bij die brief is een formulier “Verklaring In het buitenland aangehouden bankrekening(en)” gevoegd. In dat formulier wordt van eiseres gevraagd om – onder vermelding van onder andere rekeningnummers, namen van buitenlandse banken en jaren van opening van de rekeningen – aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen zij na 31 december 1998 rekeninghouder is geweest. Eiseres heeft hierop niet gereageerd.

7.

Bij brief van 25 februari 2011 heeft verweerder eiseres als (mede)gerechtigde van voormelde VLB-rekening en HSBC-rekening om nadere informatie verzocht, waaronder een specificatie en bewijsstukken van het saldo van de bankrekeningen op 1 januari van alle jaren vanaf de opening tot en met heden. Op 21 april 2011 en 1 juli 2011 heeft verweerder, onder verwijzing naar de eerdere vragenbrieven en artikel 47 van de Awr, een herinneringsbrief aan eiseres gestuurd. Eiseres heeft hierop niet gereageerd. Vervolgens heeft verweerder de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven, waarin verweerder eiseres heeft verzocht om als gerechtigde van voormelde VLB-rekening en HSBC-rekening nadere gegevens en inlichtingen over die rekeningen te verstrekken, zoals in de brieven van

25 februari 2011, 21 april 2011 en 1 juli 2011 is verzocht. In bezwaar heeft eiseres ontkend voormelde rekeningen te hebben gehad.

Geschil
8. In geschil is of verweerder de informatiebeschikkingen terecht heeft gegeven.

9.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vernietiging van de informatiebeschikkingen. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

10.

Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

11.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Awr is een ieder verplicht desgevraagd aan verweerder de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen. Indien met betrekking tot een – voor zover hier van belang – op te leggen aanslag niet of niet volledig wordt voldaan aan de verplichtingen ingevolge artikel 47 van de Awr, kan verweerder dit op grond van artikel 52a, eerste lid, van de Awr vaststellen bij voor bezwaar vatbare beschikking (de informatiebeschikking).

12.

De rechtbank stelt voorop dat in het onderhavige geval voor de beoordeling of de gegeven informatiebeschikkingen rechtmatig zijn, van belang is of eiseres heeft voldaan aan de op haar rustende informatieverplichting van artikel 47 van de Awr. Verweerder neemt het standpunt in dat dit niet het geval is. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat op verweerder de last rust om dit aannemelijk te maken.

13.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit aannemelijk gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen. Verweerder heeft de gegevens van de rekeninghouders zoals vermeld op de renseignementen vergeleken met de gegevens in het geautomatiseerde systeem Beheer van Relaties van de belastingdienst (hierna: het BVR-systeem). Het BVR-systeem wordt voor wat betreft natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de combinatie van de achternaam en de voorletters van eiseres en de omstandigheid dat, zoals blijkt uit de door verweerder ingebrachte schermprints uit het BVR-systeem, maar één persoon in het BVR-systeem voorkomt met die naamcombinatie, aannemelijk gemaakt dat eiseres rekeninghouder is (geweest) van de in de renseignementen opgenomen rekeningen bij VLB en HSBC, zoals hiervoor onder 2. en 4. zijn vermeld.

14.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem gevraagde informatie voor de belastingheffing van eiseres voor de jaren 2008 en 2009 van belang kon zijn. Voor de aanwezigheid van een belang als bedoeld in artikel 47 van de Awr is namelijk slechts vereist dat het gevraagde op zichzelf beschouwd van belang kan zijn voor de belastingheffing van de betrokken belastingplichtige (vgl. Hoge Raad

8 januari 1986, nr. 23 034, LJN: AW8125). Gelet op de door de Belgische en Franse autoriteiten verstrekte gegevens en de door verweerder uitgevoerde identificatie die erin resulteerde dat eiseres als rekeninghouder van voormelde rekeningen kon worden aangewezen, bestond er voor verweerder voldoende aanleiding om eiseres, nu dit ook voor haar belastingheffing voor de jaren 2008 en 2009 van belang kon zijn, nadere inlichtingen te vragen omtrent de hiervoor genoemde rekeningen bij VLB en HSBC. De enkele omstandigheid dat de VLB-renseignementen saldigegevens bevatten uit het jaar 1996 kan, anders dan eiseres bepleit, aan voormeld oordeel niet afdoen, nu hieruit niet kan worden afgeleid dat er voor de jaren 2008 en 2009 geen belang (meer) zou zijn voor de belastingheffing van eiseres. Het kan immers niet worden uitgesloten dat eiseres, die in ieder geval in 1996 rekeninghouder was van voormelde VLB-rekening, ook in latere jaren nog steeds rekeninghouder was van die VLB-rekening. De hoogte van de saldi van die rekening op 5 september 1996 en 28 november 1996 alsmede de wijze waarop die saldi zijn belegd, te weten nagenoeg geheel in deposito’s, effecten en beleggingsfondsen, wijst op een belegging voor de lange termijn. Bovendien is het een algemene ervaringsregel dat buitenlandse banktegoeden in een land met een bankgeheim voor een langere periode worden aangehouden. Daarnaast wijzen de gegevens in de HSBC-renseignementen er op dat eiseres in ieder geval ook in 2007 rekeninghouder was van voorvermelde HSBC-rekening. Een en ander vraagt dan ook om een nadere toelichting van de zijde van eiseres.

15.

Nu eiseres, ondanks herhaalde verzoeken van verweerder daartoe, geen gegevens over voormelde rekeningen heeft verstrekt, heeft eiseres niet aan haar informatieverplichting voldaan. Aldus zijn ten aanzien van eiseres terecht de onderhavige informatiebeschikkingen gegeven.

16.

Het beroep van eiseres op de uitspraak van de rechtbank Breda van

20 september 2012 (nr. 12/1937, LJN: BY2216) kan niet tot een ander oordeel leiden, nu in het daar voorliggende geval, anders dan hier het geval is, verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat de desbetreffende belastingplichtige in een eerder oud jaar (1994) gerechtigd was tot een buitenlandse bankrekening, waardoor verweerder evenmin aannemelijk had gemaakt dat de door hem gestelde vragen niet naar waarheid waren beantwoord.

17.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. De rechtbank zal eiseres op grond van artikel 27e, tweede lid, van de Awr een nieuwe termijn stellen om de in de informatiebeschikkingen gestelde vragen te beantwoorden en de verzochte informatie te verstrekken. De rechtbank acht een termijn van zes weken passend. De rechtbank acht het verder redelijk deze termijn te doen aanvangen vanaf de dag na die van verzending van de uitspraak.

Proceskosten

18.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen ongegrond;

  • -

    stelt eiseres een termijn van zes weken, gerekend vanaf de dag waarop deze uitspraak is verzonden, om alsnog aan verweerder de in de informatiebeschikkingen gevraagde informatie te verstrekken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A. Dirks, voorzitter, en mr. R.C.H.M. Lips en

mr. E.E. Schotte, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 juni 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. . de naam en het adres van de indiener;

  2. . een dagtekening;

  3. . een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

  4. . de gronden van het hoger beroep