Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:9259

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2013
Datum publicatie
26-07-2013
Zaaknummer
C-09-364349 - HA ZA 10-1455
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Brandregreszaak. Aan brandverzekeraar gecedeerde vordering onder beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar in verband met brand in woonboerderij. Meedagvaarden oorspronkelijk verzekerde niet vereist. Aansprakelijkheid van meesterschilder voor ontstaan brand. Geen aanpassing van verzekerde som overeengekomen. De enkele brief van de tussenpersoon is onvoldoende om de verzekerde som te verlagen. Zorgplicht van de verzekeraar. Geen verjaring van de regresvordering. Geen gebondenheid aan BBr op grond van gewoonterecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/364349 / HA ZA 10-1455

Vonnis van 24 juli 2013

in de zaak van

1. de onderlinge waarborgmaatschappij

ONDERLINGE VERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ UNIVÉ OOST U.A.,

gevestigd te Varsseveld, gemeente Oude IJsselstreek,

2. [A],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

3. [B],

wonende te [woonplaats], gemeente [gemeente],

eisers,

advocaat mr. M.F.H.M. van Haastert te Zwolle,

tegen

1. de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

gedaagde sub 1,

advocaat mr. W.A.M. Rupert te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PRONKER ASSURANTIËN B.V.,

gevestigd te Diemen,

gedaagde sub 2,

advocaat mr. R.A.D. Blaauw te Rotterdam.

Eiseres sub 1 zal hierna Univé Oost en eiser sub 2 [A] worden genoemd. Eiseressen sub 2 en 3 zullen hierna gezamenlijk [A] c.s. worden genoemd. Eiseressen zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als Univé c.s. (meervoud). Gedaagde sub 1 zal hierna Reaal en gedaagde sub 2 zal hierna Pronker genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk worden aangeduid als Reaal c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de inleidende dagvaardingen van 30 maart 2010 en 6 april 2010, met producties,

  • -

    het herstelexploot van 1 april 2010,

  • -

    de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, tevens conclusie van antwoord van Reaal, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van Pronker met één productie,

  • -

    de incidentele conclusie van antwoord van Univé c.s.,

  • -

    de conclusie van antwoord in het vrijwaringsincident van Pronker,

  • -

    het tussenvonnis van 22 september 2010, waarbij Reaal is toegestaan om Pronker in vrijwaring te doen dagvaarden,

  • -

    de rolbeslissing van 27 oktober 2010, waarbij de dagvaardingstermijn is verlengd,

  • -

    de akte houdende overlegging producties van Univé c.s.,

  • -

    de akte van Reaal,

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 17 januari 2011,

  • -

    de conclusie van repliek, met producties,

  • -

    de conclusie van dupliek van Reaal,

  • -

    de conclusie van dupliek van Pronker,

  • -

    de akte houdende uitlating nieuwe verweren van de zijde van Reaal van Univé c.s.,

  • -

    de antwoordakte van Reaal,

  • -

    de akte van Pronker.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 Intrekking vorderingen van [A] c.s.

2.1.

Bij conclusie van repliek hebben Univé c.s. te kennen gegeven dat in maart 2012 een deelregeling is getroffen tussen partijen. Naar aanleiding van die deelregeling hebben [A] c.s. hun vordering ingetrokken en heeft Univé Oost haar vordering aangepast.

2.2.

De verdere procedure is dus beperkt tot Univé Oost en Reaal c.s.

3 De feiten

3.1.

Pronker is de assurantietussenpersoon geweest van de heer [C] (hierna: [C]), die sinds 1995 een klussenbedrijf exploiteert. Hij voert werkzaamheden uit in opdracht van derden. Deze werkzaamheden bestaan in hoofdzaak uit schilderwerkzaamheden. [C] is in bezit van het diploma meesterschilder.

3.2.

Pronker heeft een beroepsaansprakelijkheidsverzekering voor [C] verzorgd bij Nieuw Rotterdam N.V. met polisnummer 5135.12.680400W105 (hierna: de aansprakelijkheidsverzekering). De verzekering had als ingangsdatum 1 januari 1996 met een looptijd van tien jaar en de dekking bedroeg vanaf de ingangsdatum NLG 2.500.000 per gebeurtenis.

3.3.

Op enig moment is aan de groep Nieuw Rotterdam N.V. de verzekeraar UAP toegevoegd. Per 1 januari 1999 is de statutaire naam UAP Nieuw Rotterdam Schade N.V. veranderd in AXA Schade N.V. na een overname door het Franse AXA. Inmiddels is Reaal de verzekeraar onder de aansprakelijkheidsverzekering.

3.4.

In januari 2001 heeft Pronker aan [C] een brief geschreven die, voor zover relevant, vermeldt:

“Betreft: Uw aansprakelijkheidsverzekering voor Bedrijven onder polisnummer 5135.12.680400W105

(…)

Gezien de ontwikkelingen met betrekking tot de schadelast op aansprakelijkheidsverzekeringen, hebben assuradeuren maatregelen getroffen om de schadelast in de toekomst beter te kunnen beheersen.

Nieuwe verzekeringsvoorwaarden

AXA Verzekeringen heeft hiertoe een aansprakelijkheidsverzekering voor Bedrijven en Beroepen ontwikkeld, waarmee op maat bescherming kan worden geboden tegen verschillende vormen van aansprakelijkheid. (...)

Dekkingssysteem

Een van de nieuwe aspecten in dit nieuwe product is een wijziging in het dekkingsysteem van de Aansprakelijkheidsverzekering voor Bedrijven en Beroepen. Kenmerk van dit dekkingssysteem is dat het na-risico beperkt wordt (een dekking voor schade die kan worden gemeld na de afloopdatum van het verzekeringscontract). Bij beëindiging van de verzekering kan dit na-risico in bepaalde gevallen apart worden verzekerd.

In bijgaande verzekeringswijzer wordt u uitvoerig over deze wijziging in het dekkingssysteem geinformeerd.

(…)

Milieuschadeverzekering

(…)

Zaakschade ten gevolge van brand en/of ontploffing

Naast wijziging in het dekkingssysteem is de dekking voor zaakschade ten gevolge van brand en/of ontploffing standaard beperkt tot f. 1.000.000,-- per aanspraak. Indien dit bedrag in uw situatie niet toereikend is, kunt u om een verhoging vragen waarmee een aparte acceptatieprocedure zal worden opgestart.

Aanpassing

AXA Verzekeringen heeft besloten om alle bij haar lopende aansprakelijkheidsverzekeringen waarop het nieuwe dekkingssysteem nog niet van toepassing is per premievervaldatum in 2001 aan te passen. Uw verzekering valt hieronder en wordt derhalve "en block" aangepast. Dit betekent dat de nieuwe voorwaarden op uw verzekering van toepassing zijn. Indien de premievervaldatum gelijk is aan de contractsvervaldatum, dan is de premiestelling getoetst aan de huidige tarieven. Hierdoor is het mogelijk dat naast de voorwaardenwijziging er ook een premiewijziging alsmede een wijziging in de contractstermijn heeft plaatsgevonden. Een langere contractsduur dan 60 maanden wordt niet meer gehanteerd.

Bijgaand treft u de nieuwe voorwaarden aan. Tevens zijn eventueel op uw verzekering van toepassing zijnde clausules met geel gearceerd.

Verzekerd bedrag

Indien het door u verzekerde bedrag lage is dan f. 2.500.000,-- dan adviseren wij u het verzekerde bedrag te verhogen. Een schade van f. 2.500.000,-- is in de huidige maatschappij al lang niet denkbeeldig meer. U kunt voor het verhogen van het verzekerde bedrag een offerte aanvragen.

Het nieuwe dekkingssysteem brengt met zich mee dat voor schade uit het verleden die nu wordt gemeld het huidige verzekerde bedrag ter beschikking staat. Indien de verzekerde som in het verleden lager is geweest geeft dit een betere bescherming.”

3.5.

[C] heeft in 2002 in opdracht van [A] werkzaamheden verricht aan diens woonboerderij met toebehoren aan de[straat, huisnummer] en [huisnummer] te [woonplaats] (hierna: de woonboerderij).

3.6.

Tijdens op 13 mei 2002 uitgevoerde schilderwerkzaamheden is brand ontstaan in de woonboerderij, die daarbij vrijwel volledig is afgebrand.

3.7.

De in 3.5. bedoelde werkzaamheden bestonden uit het volgende:

[C] was doende met het verwijderen van oude verflagen van de zogenoemde gootklossen, balken die gedeeltelijk in de muur waren gemetseld en gedeeltelijk uit de muur staken en waarop de overhangende dakgoot van de woonboerderij steunde. Bij het bewerken van de eerste vier gootklossen heeft [C] een verfkrabber en een schuurmachine gebruikt. Bij de vijfde en de zesde gootklos heeft hij (ook) een elektrische verfstripper gebruikt.

3.8.

Kort nadat hij de vijfde gootklos had schoongemaakt, ontdekte [C] een kleine rookontwikkeling bij die gootklos. Hij heeft daarop met een plantenspuit die plek nat gespoten, waarna de rookontwikkeling stopte. Kort daarop ontdekte [C] opnieuw en op diezelfde plaats rook, waarna hij enkele dakpannen op de onderste rij heeft verwijderd. Hij zag toen vlammen en heeft een gereedstaande emmer met water over die plaats gestort. Vervolgens zag [C] dat het gehele dak van de woonboerderij in brand stond.

3.9.

Het dak van de woonboerderij bestond uit een houten beschot. Het onderste gedeelte ervan, zeven rijen, was bedekt met stenen dakpannen. De rest van het dak was bedekt met riet.

3.10.

In opdracht van Univé Oost heeft het expertisebureau Biesboer Expertise B.V. te Egmond aan Zee (hierna: Biesboer) een onderzoek ingesteld naar de oorzaak van de brand, In haar rapport van 30 mei 2002 heeft zij onder “Samenvatting en conclusies” onder meer gesteld dat:

“- uit verklaringen en mededelingen is gebleken dat de brand is ontstaan ter hoogte van de plaats aan de linkerzijde van de woonboerderij waar door de heer [C] van klussenbedrijf Rando Klus werkzaamheden werden uitgevoerd;

  • -

    deze werkzaamheden bestonden uit het met behulp van een verfstripper “afbranden” van gebladderde verf aan de onderzijde van de dakrand;

  • -

    bleek dat er zich ter plaatse van deze werkzaamheden een open verbinding bevond tussen de dakrand en de buitenmuur;

  • -

    de brand juist boven een dergelijke open verbinding bleek te zijn ontstaan en

  • -

    op de verklaarde plaats waar de brand ontstaan is geen verklaarbare technische oorzaak werd aangetroffen en een dergelijke oorzaak hier ook met zekerheid kan worden uitgesloten.

Resumerend moet dan ook worden gesteld dat er vrijwel zeker een causaal verband bestaat tussen de door de heer [C] uitgevoerde werkzaamheden en het ontstaan van de brand.

Tijdens het ‘afbranden’ van verf met de verfstripper is er achter/onder de dakrand een smeulproces geïnitieerd, naderhand overgaand in een vlammende brand.

Andere mogelijke oorzaken werden niet aangetroffen.”

3.11.

In opdracht van Univé Verzekeringen, heeft CED Forensic B.V. te Capelle aan den IJssel (hierna: CED) onderzoek naar de brand gedaan. Blijkens het rapport waren de hiervoor vermelde rapporten bij de onderzoeker bekend. Het rapport van 27 augustus 2004 vermeldt onder “resume” dat:

“• De oorzaak voor het ontstaan van de brand moet worden gezocht in relatie met de uitgevoerde werkzaamheden met een hete lucht föhn.

• Door de heer Ransdorp niet is onderzocht wat de situatie was, boven de ruimte van de gootbetimmering, waaronder hij bezig was met de verfstripper.

• Door het omhoogschuiven van de onderste rij dakpannen hij hiervan op eenvoudige wijze kennis had kunnen nemen.

• Een technisch verklaarbare oorzaak voor het ontstaan van deze brand niet is aangetroffen niet aanwezig was en derhalve kan worden uitgesloten.

• Een andere oorzaak voor het ontstaan door mij niet is aangetroffen en mede gelet op de bevindingen van het aanvullend onderzoek kan worden uitgesloten.

• De door TNO uitgevoerde test met de verfstripper als niet representatief moet worden aangemerkt.”

3.12.

In opdracht van Reaal is een expertiseonderzoek verricht door Cunningham PolakSchoute B.V. te Zwolle (hierna: Cunningham PolakSchoute). In haar op 22 december 2004 uitgebrachte rapport stelt zij op pagina 9:

“Op grond van de verklaringen van verzekerde, de informatie van de brandweer en de politie en op grond van onze eigen bevindingen op de schadelocatie kunnen wij niet uitsluiten dat enig stof, dat zich tussen de houten gootbetimmering en de zinken dakgoot kan hebben opgehoopt, door de hete lucht is gaan smeulen en vervolgens in brand is geraakt. In de constructie waren wellicht minimale kiertjes aanwezig, waardoor hete lucht mogelijk tot achter het hout kon komen.

3.13.

TNO heeft in opdracht van Cunningham PolakSchoute onderzoek gedaan naar de werking van de verfstripper, waarbij zij een proefopstelling heeft gemaakt van de verfstripper en een stuk vurenhout. De conclusie van TNO luidt dat:

“de temperaturen van de warme lucht afkomstig van de verfstripper, zoals gemeten, binnen de ontbrandingsgrenzen vallen van hout. Het is echter niet mogelijk gebleken om hout tot ontbranding te brengen met behulp van de verfstripper. In de situatie waarin de vurenhouten lat tegen de nozzle was bevestigd is wel het wegbranden van het hout waargenomen. Dit wegbranden ging gepaard met vuurvonken afkomstig van het hout. Om dit te kunnen bereiken is wel een sterke kleurverandering van het hout te zien (...)

In het rapport van Cunningham PolakSchoute (...) staat echter vermeld dat er zich tussen de houten goot omtimmering en de zinken dakgoot stof kan hebben opgehoopt wat tot ontbranding gebracht kan zijn geworden door de verfstripper. Het tot ontbranding brengen van stof door de verfstripper moet gezien de heersende temperaturen van de warme lucht afkomstig van de verfstripper mogelijk worden geacht. Dit is niet proefondervindelijk getoetst omdat de samenstelling van stof onder een dakgoot zeer divers is.”

3.14.

In opdracht van Univé Overgelder, heeft CED aanvullend onderzoek naar de brand gedaan. Blijkens het rapport waren de hiervoor vermelde rapporten bij de onderzoeker bekend. Het rapport van 25 april 2005 vermeldt onder “resume” dat:

“• De oorzaak voor het ontstaan van de brand moet worden gezocht in relatie met de uitgevoerde werkzaamheden met een hete lucht föhn.

• Door de heer Ransdorp niet is onderzocht wat de situatie was, boven de ruimte van de gootbetimmering, waaronder hij bezig was met de verfstripper.

• De heer Ransdorp na inspectie had kunnen zien welke brandgevaarlijke omstandigheden zich voordeden.

• Door het omhoogschuiven van de onderste rij dakpannen hij hiervan op eenvoudige wijze kennis had kunnen nemen.

• De gootklossen, anders dan door de heer Ransdorp is verklaard, in een goede conditie verkeerden.

• Een andere oorzaak voor het ontstaan door mij niet is aangetroffen en mede gelet op de bevindingen van het aanvullend onderzoek kan worden uitgesloten.”

3.15.

Ten tijde van de brand was [A] tegen (brand)schade aan opstallen en goederen verzekerd bij Univé Oost. Univé Oost heeft [A] in het kader van de opstalverzekering schadeloos gesteld.

3.16.

[A] heeft [C] bij brief van diens advocaat van 13 juni 2002 aansprakelijk gesteld voor de door hem ten gevolge van de brand geleden schade, welke in die brief wordt begroot op ongeveer € 1.200.000.

3.17.

Univé Oost heeft [C] bij brief van diens schadebehandelaar van 20 juni 2002 aansprakelijk gesteld voor de door haar ten gevolge van de brand geleden schade, welke op dat moment werd begroot op € 550.000.

3.18.

Bij brief van 21 juni 2002 heeft Reaal aan de advocaat van [A] onder meer bericht dat een voorbehoud werd gemaakt ten aanzien van de polisdekking die “in bedrag beperkt is tot € 500.000”.

3.19.

Bij brief van 19 december 2002 heeft Lengkeek, Laarmans & De Hosson, de expert van Univé Oost, namens Univé Oost aan Reaal bericht dat de schade in overleg met de expert van Reaal was vastgesteld op een bedrag van € 596.000 en gemeld dat Univé Oost geen ondertekenaar is van de BBr.

3.20.

Bij inleidende dagvaarding van 18 augustus 2004 is N.V. Interpolis (hierna: Interpolis) als inboedelverzekeraar van [A] een procedure tegen [C] gestart. In die procedure vordert Interpolis vergoeding door [C] van de schade-uitkering die zij onder de inboedelverzekering aan [A] heeft gedaan.

3.21.

Bij vonnis van 5 oktober 2005 van de Rechtbank Zutphen een eindvonnis gewezen, waarbij zij (onder meer) heeft geoordeeld dat [C] aansprakelijk is voor het ontstaan van de brand. Van dit vonnis is [C] in hoger beroep gekomen. De appelprocedure is momenteel geschorst in afwachting van de uitkomst van deze procedure.

3.22.

Univé c.s. hebben Pronker op 18 september 2006 aansprakelijk gesteld wegens tekortkomingen rond de verlaging van de dekking van de aansprakelijkheidsverzekering.

3.23.

Bij brief van 24 april 2007 heeft [C] Pronker aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade ten gevolge van de tekortkomingen van Pronker in het kader van de verlaging van de verzekerde som van de aansprakelijkheidsverzekering door Reaal.

3.24.

Bij akte van 13 december 2009 heeft [C] zijn aanspraken op Reaal c.s. overgedragen aan Univé c.s.

4 Het geschil

4.1.

Univé Oost vordert – na wijziging van eis en uitvoerbaar bij voorraad – dat de rechtbank:

  1. voor recht verklaart dat [C] jegens [A] c.s. aansprakelijk is voor de door [A] c.s. geleden, respectievelijk de door Univé Oost aan [A] c.s. vergoede schade;

  2. Reaal veroordeelt om aan Univé Oost te voldoen een bedrag van € 634.450, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 596.000 te rekenen vanaf 2 augustus 2002, over een bedrag van € 20.000 vanaf 4 juli 2002 en over het (restant te vorderen) bedrag van € 18.450 vanaf 12 augustus 2002, tot de dag der algehele voldoening;

  3. voor recht verklaart dat Pronker jegens [C] is tekortgeschoten in haar zorgverplichting en aansprakelijk is voor de daardoor veroorzaakte schade;

  4. voor het geval in deze procedure wordt vastgesteld dat de verzekerde som ten tijde van het schade-evenement € 500.000 bedroeg, Pronker veroordeelt om aan Univé Oost te voldoen een bedrag van € 634.450, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente over het bedrag van € 596.000 te rekenen vanaf 2 augustus 2002, over een bedrag van € 20.000 vanaf 4 juli 2002 en over het (restant te vorderen) bedrag van € 18.450 vanaf 12 augustus 2002, tot de dag der algehele voldoening;

  5. Reaal veroordeelt in de kosten van de procedure.

4.2.

Reaal voert, samengevat, de volgende verweren:

  • -

    primair: Univé Oost is niet-ontvankelijk;

  • -

    subsidiair: [C] is niet aansprakelijk;

  • -

    meer subsidiair: de verzekerde som van € 500.000 is reeds uitgekeerd;

  • -

    meer subsidiair: de vordering van Univé Oost is verjaard, althans het recht op dekking onder de polis is verwerkt, voor zover het betreft het meerdere boven € 500.000;

  • -

    meer subsidiair: eigen schuld;

  • -

    meer subsidiair: de vordering van Univé Oost is ingevolge de Bedrijfsregeling Brandregres (de BBr) beperkt tot € 500.000;

  • -

    uiterst subsidiair: het ingangsmoment van de wettelijke rente.

4.3.

Pronker voert, samengevat, de volgende verweren:

  • -

    primair: Univé Oost is niet-ontvankelijk;

  • -

    subsidiair: de rechtsvordering van [C] is vervallen;

  • -

    meer subsidiair: [C] is niet aansprakelijk;

  • -

    meer subsidiair: Pronker is niet tekortgeschoten;

  • -

    meer subsidiair: de vordering van Univé Oost jegens Pronker is verjaard, althans Univé Oost heeft haar vorderingsrecht jegens Pronker verwerkt;

  • -

    meer subsidiair: de vordering van Univé Oost is ingevolge de BBr beperkt tot € 500.000;

  • -

    uiterst subsidiair: betwisting schadeomvang.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling

Ontvankelijkheid van Univé Oost

5.1.

De primaire verweren van Reaal en Pronker luiden dat Univé Oost niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering. Met een beroep op een vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 6 december 1985 (NJ 1988, 14) en een vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 13 september 1995 (NJ 1996, 291) stellen Reaal c.s. zich op het standpunt dat Univé Oost niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering jegens Reaal c.s., omdat in de onderhavige procedure de aansprakelijkheid van [C] niet kan worden vastgesteld. Univé Oost heeft dit standpunt gemotiveerd bestreden.

5.2.

De rechtbank is met Univé Oost van oordeel dat de door Reaal c.s. aangehaalde uitspraken zijn achterhaald met de uitspraken van Hof Amsterdam van 30 mei 1996, NJ 1997, 249 en Hof Den Haag 21 januari 2003, S&S 2004, 12. Er is geen rechtsregel die zich ertegen verzet dat, bij betwisting door de aansprakelijkheidsverzekeraar van aansprakelijkheid van de verzekerde, die aansprakelijkheid van de verzekerde tegenover de benadeelde kan worden vastgesteld in een procedure tussen de benadeelde, als cessionaris van de verzekerde, en de aansprakelijkheidsverzekeraar van de verzekerde.

5.3.

Reaal heeft voorts nog aangevoerd dat Univé Oost door middel van de cessie zich feitelijk de mogelijkheid heeft verschaft om Reaal rechtstreeks aan te spreken, hoewel haar daartoe krachtens artikel 7:954 BW geen mogelijkheid toekomt. Reaal betoogt dat Univé Oost, nu zij Reaal rechtstreeks aanspreekt, krachtens artikel 7:954 lid 6 BW op straffe van niet-ontvankelijkheid ook [C] in het geding dient op te roepen, hetgeen zij niet heeft gedaan.

5.4.

Dit betoog van Reaal faalt. De rechtbank stelt voorop dat artikel 7:954 BW uitsluitend van toepassing is ingeval van personenschade. Nu de onderhavige schade niet als zodanig kwalificeert kan reeds om die reden de in artikel 7:954 lid 6 BW opgenomen verplichting niet aan Univé Oost worden opgelegd. Bovendien zijn ten gevolge van de cessie de rechten van verzekerde [C] op Univé Oost overgegaan, zodat – naast de benadeelde – ook de verzekerde bij de procedure is betrokken. Univé Oost kan Reaal op grond van haar middels cessie verworven hoedanigheid van verzekerde rechtstreeks aanspreken. In de onderhavige zaak is dan ook feitelijk aan de in artikel 7:954 lid 6 BW gestelde voorwaarde voldaan.

5.5.

De primaire verweren van Reaal en Pronker falen. De rechtbank komt derhalve toe aan de beoordeling van de gevorderde verklaring voor recht.

De verklaring voor recht: aansprakelijkheid van [C]

5.6.

Univé Oost vordert een verklaring voor recht dat [C] jegens [A] c.s. aansprakelijk is voor de door [A] c.s. geleden, respectievelijk de door Univé Oost aan [A] c.s. vergoede schade. Zij voert daartoe aan dat de brand die tot de schade heeft geleid is veroorzaakt door toedoen van [C].

5.7.

De rechtbank neemt bij de beoordeling van het handelen en nalaten van [C] als uitgangspunt hetgeen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend meesterschilder mag worden verwacht. Daartoe behoort dat hij de risico’s die kleven aan de uitvoering van zijn werkzaamheden, op adequate wijze kan inschatten, alternatieve werkmethoden tegen elkaar afweegt en voldoende veiligheidsmaatregelen neemt ter afwering of bestrijding van die risico’s.

5.8.

Uit de gerapporteerde verklaringen van [C] zelf volgt dat hij voorafgaand aan de werkzaamheden van 13 mei 2002 geen voorbereidend onderzoek heeft verricht naar de aanwezigheid van mogelijk brandgevaarlijke stoffen of locaties, zoals holle ruimten, in of rond de plaats van de werkzaamheden. Het staat voorts vast dat [C] een plantenspuit, gevuld met een mengsel van water en zeep, en een emmer met water aanwezig had in de directe nabijheid van de plaats van de werkzaamheden. [C] beschikte niet over een brandblusapparaat.

5.9.

In de door Univé Oost bij dagvaarding overgelegde folder “Brandgevaarlijke Werkzaamheden Veilig Uitvoeren” van Certoplan worden onder meer werkzaamheden met een hete luchtföhn als brandgevaarlijk aangemerkt. Geadviseerd wordt onder meer om steeds alternatieve werkmethoden te onderzoeken, de constructie waaraan gewerkt wordt te onderzoeken op de risico’s van het ontstaan van brand en ervoor te zorgen dat er voldoende blusmiddelen aanwezig zijn die geschikt zijn voor de soort brand die verwacht kan worden. Bovendien vermeldt de folder:

“Bij solderen, verf afbranden of het verwerken van dakdekkingsmateriaal is het meestal de vlam van de brander die voor problemen zorgt. Vooral in verborgen ruimten, kieren of holten – bij onderdruk wordt de vlam daarin gezogen – is er geen controle over wat er gebeurt. Brandbaar materiaal, zoals brandbaar stof, een vogelnest of een brandbaar isolatiemateriaal, kan makkelijk en ongezien tot ontbranding komen. En in de praktijk is wel gebleken dat de hitte van een föhn of de vonken van een slijpschijf hetzelfde effect kunnen hebben.”

5.10.

In de handleiding bij de verfstripper, zoals geciteerd in het eveneens bij dagvaarding overgelegde rapport van CED van 27 augustus 2004, staat onder andere vermeld dat de verfstripper niet moet worden gebruikt wanneer er brandbare materialen in de buurt zijn. Er wordt voor gewaarschuwd dat zich in ruimten achter wanden, kasten, onder vloeren en holle wanden brandbare materialen kunnen bevinden. Voorts is vermeld dat de hitte van de verfstripper brandbare materialen kan bereiken die zich buiten het zicht bevinden.

5.11.

De in 5.8. tot en met 5.10. genoemde feiten en omstandigheden in combinatie met de bevindingen in de diverse bij de feiten aangehaalde onderzoeksrapportages (r.o. 3.10. t/m 3.14.) leiden tot het oordeel dat [C] niet heeft gehandeld overeenkomstig de in 5.7. vermelde maatstaf. Van [C], als redelijk bekwaam en redelijk handelend meesterschilder, had mogen worden verwacht dat hij tevoren onderzoek had gedaan naar de mogelijke gevaren bij de uit te voeren werkzaamheden. Daarbij is van belang dat een dergelijk onderzoek eenvoudig uit te voeren zou zijn geweest, namelijk door voorafgaande aan de werkzaamheden de eerste rij dakpannen op te tillen en te onderzoeken of er holle ruimten of stof aanwezig waren. Voorts mag worden verlangd dat een meesterschilder die met een verfstripper werkt adequate brandblusmiddelen tot zijn beschikking heeft. Een plantenspuit en een emmer water kunnen, gelet op de aanmerkelijke risico’s bij dergelijke werkzaamheden en de geringe blusmogelijkheden van die middelen, niet als zodanig worden aangemerkt. Dit geldt te meer nu de door Reaal ingeschakelde expert Cunningham PolakSchoute heeft geconstateerd dat op de schadedatum sprake was van een aanwakkerende wind, die ook voor [C] kenbaar moet zijn geweest. Nu het een feit van algemene bekendheid is dat wind een beginnende brand zeer snel in omvang kan doen toenemen, waren onder deze omstandigheden de beschikbare brandblusmiddelen ver onder de maat. Overigens volgt uit de verklaring van [C] dat hij de plantenspuit bij zich had voor het gladstrijken van kit en de emmer water om zijn hand te kunnen koelen voor het geval deze met de hete lucht van de föhn in aanraking zou komen (zie p. 9 van het rapport van Cunningham PolakSchouten), zodat [C] feitelijk geen enkel maatregel met het oog op het ontstaan van brand had genomen.

5.12.

Het staat vast dat de brand is ontstaan tijdens de door [C] uitgevoerde werkzaamheden aan de woonboerderij. Dat volgt uit de door partijen overgelegde onderzoeksrapporten. Uit alle rapporten volgt dat de brand is ontstaan op de plaats waar [C] met de verfstripper verf had verwijderd van de vijfde gootklos. Van enige andere mogelijke (technische) oorzaak is blijkens deze rapporten niet gebleken. Ook [C] zelf ziet het gebruik van de föhn als oorzaak van de brand.

5.13.

Reaal heeft nog als mogelijkheid genoemd dat het voor [C] onbereikbare gedeelte van de gootklos heeft vlamgevat. Zelfs wanneer dit het geval zou zijn geweest (enige onderbouwing van deze stelling ontbreekt), dan heeft [C] in dat geval eveneens onzorgvuldig en in strijd met de folder “Brandgevaarlijke Werkzaamheden Veilig Uitvoeren” gehandeld. Immers, hij heeft de verfstripper gebruikt in de buurt van materialen (de niet zichtbare delen van gootklos), waarvan hij niet heeft kunnen vaststellen of die materialen brandbaar waren, zoals de (volgens Reaal door houtrot aangetaste) zich in de muur van de woonboerderij bevindende delen van de gootklossen. Bij onbekendheid met de brandbaarheid van (delen van) de gootklossen, had [C] het gebruik van de verfstripper achterwege dienen te laten. Uit de voornoemde folder blijkt voorts dat [C] zelfstandig dient te onderzoeken of het gebruik van de verfstripper verantwoord is. Het verweer van Reaal dat [A] [C] had moeten waarschuwen voor de door haar gestelde slechte conditie van de gootklossen faalt dan ook.

5.14.

Uit het voorgaande volgt dan ook dat [C] onzorgvuldig heeft gehandeld door onder de gegeven omstandigheden de verfstripper te gebruiken, terwijl vaststaat dat indien [C] de verfstripper niet had gebruikt, de brand niet was ontstaan. [C] is dan ook aansprakelijk voor de gevolgen van de brand in de woonboerderij, zodat de gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

5.15.

In het licht van het voorgaande kunnen de overige door Reaal c.s. gevoerde verweren in verband met de aansprakelijkheid van [C] voor het ontstaan van de brand niet tot een ander oordeel leiden.

5.16.

Nu de aansprakelijkheid van [C] vaststaat, zal de rechtbank eerst de vordering van Univé Oost jegens [C]’s aansprakelijkheidsverzekeraar Reaal beoordelen.

De vordering tegen Reaal

Verlaging van de verzekerde som tot € 500.000

5.17.

Univé Oost stelt zich op het standpunt dat de oorspronkelijk verzekerde som van NLG 2.500.000 nimmer is aangepast en dat de verzekerde som ten tijde van de brand € 1.134.450 bedroeg. Reaal voert als meer subsidiair verweer dat de verzekerde som gedurende de looptijd in 2001 is verlaagd van NLG 2.500.000 naar NLG 1.000.000 en ten tijde van de brand € 500.000 bedroeg. In het kader van de tijdens deze procedure gesloten deelregeling is de totale verzekerde som van € 500.000 reeds uitgekeerd aan [A] c.s., zodat de verzekerde som is uitgeput en er voor Univé Oost niets resteert, aldus Reaal.

5.18.

Univé Oost heeft betoogd dat de verzekerde som nimmer is verlaagd, hetgeen volgens haar blijkt uit de volgende feiten en omstandigheden:

  • -

    er is nimmer een nieuw polisblad verstrekt;

  • -

    de aansprakelijkheidsverzekering is met ingang van 9 januari 1996 gesloten met een looptijd van 10 jaar;

  • -

    Pronker heeft destijds zelf geadviseerd om een verzekering voor een bedrag van NLG 2.500.000 af te sluiten;

  • -

    de door [C] betaalde premie is nimmer aangepast;

  • -

    het bedrag van € 500.000 kan geen betrekking hebben op een omrekening van het bedrag van NLG 1.000.000 naar euro’s nu deze omrekening sluit op € 453.780;

  • -

    naar het destijds geldende recht was de verzekeraar gehouden binnen een redelijke termijn de polis te verstrekken en kon de verzekeringnemer de verzekeringsovereenkomst jegens de verzekeraar slechts door geschift bewijzen;

  • -

    de door Reaal ingeroepen beperking van de verzekerde som voor zaakschade ten gevolge van brand tot een bedrag van € 500.000 staat niet in de bij de brief van Pronker gevoegde verzekeringsvoorwaarden genoemd, en blijkt volgens de polisvoorwaarden uit het polisblad, terwijl een polisblad met de door Reaal gestelde beperking tot € 500.000 naar aanleiding van de brief van Pronker niet aan [C] is verstrekt;

  • -

    blijkens het eerstvolgende aan [C] verstrekte polisblad van 8 juli 2004, met als wijzigingsdatum 1 augustus 2004, bedraagt de dekking voor zaakschade ten gevolge van brand nog steeds € 1.134.451 per aanspraak, en

  • -

    pas op het polisblad van 5 november 2005, met als wijzigingsdatum 1 januari 2006, staat als maximale aanspraak voor zaakschade ten gevolge van brand € 500.000 vermeld.

5.19.

Daarnaast heeft Univé Oost nog betoogd dat:

  • -

    de door Pronker gezonden brief van januari 2001 (zie r.o. 3.4.) geen wijziging heeft gebracht in de verzekerde som omdat deze onduidelijk is en niet voldoet aan de regels die het Verbond van Verzekeraars in 1998 heeft gesteld;

  • -

    Reaal als verzekeraar de mededeling van de verlaging van de dekking voor zaakschade als gevolg van brand rechtstreeks aan [C] had moeten doen nu het een belangrijke mededeling betreft.

5.20.

De rechtbank is van oordeel dat van een zorgvuldig verzekeraar mag worden verwacht dat een ingrijpende wijziging van de verzekeringsdekking in het nadeel van de verzekerde door de verzekeraar op een ondubbelzinnige wijze rechtstreeks aan de verzekerde dient te worden gecommuniceerd. Die verplichting rustte ook reeds op verzekeraars in januari 2001, toen de door Reaal gestelde wijziging werd doorgevoerd.

5.21.

Mede in het licht van de onder r.o. 5.18. opgesomde feiten en omstandigheden die Univé Oost heeft aangevoerd en welke door Reaal niet zijn bestreden, is de rechtbank van oordeel dat Reaal niet als een zorgvuldig verzekeraar heeft gehandeld door de verlaging van de verzekerde som voor zaakschade ten gevolge van brand aan [C] te communiceren door uitsluitend het doen verzenden van de brief van Pronker van januari 2001. Met Univé Oost is de rechtbank van oordeel dat deze standaardbrief – zeker voor de qua kennis met een consument gelijk te stellen [C] – onduidelijk en verwarrend is en onvoldoende tot uitdrukking brengt wat voor [C] nu exact de consequenties van de in de brief genoemde wijzigingen zijn voor de aansprakelijkheidsverzekering. Dit wordt niet anders wanneer alle in de brief genoemde bijlagen waren bijgevoegd, hetgeen Reaal stelt, maar Univé Oost betwist.

Bovendien is, zoals Univé Oost onbestreden heeft gesteld, pas voor het eerst in het polisblad van 5 november 2005 melding gemaakt van de verlaging van de dekking voor zaakschade ten gevolge van (onder meer) brand tot € 500.000, zodat Reaal ook niet heeft voldaan aan haar – ook destijds geldende – verplichting om in verband met de in januari 2001 beoogde wijziging een nieuw polisblad af te geven. De omstandigheid dat [C] zich bediende van een assurantietussenpersoon, maakt dit niet anders. Gesteld noch gebleken is immers dat Reaal aan Pronker wel de vereiste duidelijke informatie en/of een gewijzigd polisblad heeft gezonden.

5.22.

Onder de gegeven omstandigheden heeft [C] naar aanleiding van uitsluitend de brief van Pronker van januari 2001 niet hoeven te begrijpen dat de verzekerde som van de aansprakelijkheidsverzekering werd verlaagd van NLG 2.500.000 naar NLG 1.000.000. Nu het door Reaal gedane aanbod te onduidelijk was en [C] dit aanbod niet heeft aanvaard (en onder de gegeven omstandigheden evenmin geacht mag worden dit aanbod – al dan niet op grond van de ‘en block’ bepaling – stilzwijgend te hebben aanvaard), staat vast dat Reaal en [C] over de door Reaal beoogde wijziging geen overeenstemming hebben bereikt en de verzekerde som voor zaakschade ten gevolge van brand in 2001 niet is gewijzigd en derhalve op de schadedatum omgerekend € 1.134.451 bedroeg.

5.23.

Overigens ziet de rechtbank in de omstandigheid dat eerst op 5 november 2005 een polisblad is afgegeven waarop de verlaging van de dekking voor zaakschade ten gevolge van (onder meer) brand tot € 500.000 is vermeld, terwijl er daarvoor tot tweemaal toe polisbladen aan [C] zijn verstrekt waarop dit niet is vermeld, een extra aanleiding om te veronderstellen dat in 2001 voornoemde dekking in de aansprakelijkheidsverzekering in werkelijkheid ook niet is verlaagd.

Verjaring, althans rechtsverwerking regresvordering jegens Reaal boven € 500.000

5.24.

Reaal voert vervolgens als verweer dat de door [A] c.s. aan Univé Oost gecedeerde vordering is verjaard voor zover deze betreft het meerdere boven een verzekerde som van € 500.000. Volgens Reaal heeft zij [C] direct nadat hij bij brief van 13 juni 2002 aanspraak had gemaakt op uitkering onder de aansprakelijkheidsverzekering bij brief van 21 juni 2002 gemeld dat de verzekerde som € 500.000 bedroeg en heeft [C] daar nimmer tegen geageerd. Volgens Reaal bestond er overeenstemming tussen haar en [C] over de hoogte van de verzekerde som van € 500.000. In ieder geval is [C] uiterlijk op 29 december 2004 met het standpunt van Reaal bekend geworden. Op die datum is namens [C] de conclusie van antwoord ingediend in de door Interpolis tegen [C] aangespannen procedure bij de Rechtbank Zutphen. In die conclusie is – zo begrijpt de rechtbank – vermeld dat de verzekerde som voor zaakschade ten gevolge van brand onder de aansprakelijkheidsverzekering is beperkt tot € 500.000. Nu [C] de verjaring nimmer heeft gestuit, was de vordering boven de € 500.000 reeds verjaard op het moment dat Univé Oost c.s. op 13 december 2009 de vordering van [C] op Reaal door middel van de cessie van [C] verkregen, aldus nog steeds Reaal.

5.25.

Reaal baseert haar verweer op de algemene verjaringsregel van 3:307 BW, omdat volgens haar het naar huidig verzekeringsrecht geldende verjaringsregime krachtens het geldende overgangsrecht buiten toepassing blijft.

5.26.

Univé Oost heeft terecht betoogd dat de verjaring van de vordering van [C] wordt bepaald door de in de verzekeringsvoorwaarden opgenomen regeling. Partijen zijn immers in afwijking van artikel 3:307 BW, dat van regelend recht is, een vervalbeding overeengekomen. Tussen partijen is niet in geschil dat de vervalbedingen zijn neergelegd in de artikelen 4.3 van de AB 9003-voorwaarden en 4.2 van de, op enig moment daarvoor in de plaats gekomen, CMA99-voorwaarden. Deze voorwaarden luiden, voor zover relevant:

4.3 Vervaltermijnen

Elk recht op schadevergoeding vervalt:

(…)

b indien binnen 1 jaar na de schriftelijke definitieve beslissing van verzekeraar betreffende een schade door verzekeringnemer tegen verzekeraar geen rechtsvordering is ingesteld.”

respectievelijk

4.2 Verval van recht op dekking

Verzekerde kan geen rechten aan de verzekering ontlenen:

(…)

d. indien binnen één jaar na de schriftelijke definitieve beslissing van verzekeraar betreffende een schade door haar tegen verzekeraar geen rechtsvordering is ingesteld.”

5.27.

Nu partijen contractueel van de toepasselijkheid van artikel 3:307 BW zijn afgeweken en op grond van artikel 79 Ow het vervalbeding in de aansprakelijkheidsverzekering ook na de invoering van het nieuw verzekeringsrecht zijn werking heeft behouden, komt Reaal geen beroep toe op artikel 3:307 BW en faalt haar verjaringsverweer. Nu Reaal in het kader van deze procedure geen beroep heeft gedaan op de vervalbedingen (integendeel zij heeft aangegeven daar uitdrukkelijk geen beroep op te doen), komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van de vraag of Reaal met succes de vervalbedingen kan inroepen. Daarmee staat vast dat de vordering van Univé Oost niet is verjaard. De rechtbank overweegt desalniettemin ten overvloede als volgt.

5.28.

Uit beide vervalbedingen komt naar voren dat de vervaltermijn pas aanvangt nadat Reaal een schriftelijke definitieve beslissing betreffende de schade heeft ontvangen. Univé Oost heeft bestreden dat [C] een dergelijke schriftelijke beslissing heeft ontvangen, terwijl Reaal een dergelijke beslissing niet in het geding heeft gebracht.

5.29.

Anders dan Reaal aanvoert kan haar reactie van 21 juni 2002, waaruit blijkt dat wordt uitgegaan van een verzekerde som van € 500.000, niet als een dergelijke beslissing worden aangemerkt, ook niet voor zover Reaal betoogt dat met betrekking tot het schadebedrag boven de € 500.000 de brief van 21 juni 2002 als een definitieve beslissing ten aanzien van dit deel van de schade heeft te gelden. Nog afgezien van het feit dat voornoemde brief is gericht aan (de advocaat van) [A] en uit niets blijkt dat ook [C] deze brief (in kopie) heeft ontvangen, laat de tekst van de in de verzekeringsvoorwaarden opgenomen vervalbedingen geen ruimte voor de door Reaal voorgestane uitleg. In de vervalbedingen wordt uitsluitend melding gemaakt van “een schade”, waarmee in redelijkheid slechts bedoeld kan zijn een gehele schade, terwijl “de schriftelijke definitieve beslissing” aangeeft dat er slechts één schriftelijke definitieve beslissing wordt gegeven, die – kennelijk – voor de verzekerde zonder enige twijfel als zodanig herkenbaar dient te zijn en derhalve (op zijn minst) rechtstreeks aan hem gericht dient te zijn. Aan die vereisten voldoet de brief van Reaal van 21 juni 2002 niet. Nu de conclusie van antwoord in de procedure tussen Interpolis en [C] evenmin kan worden aangemerkt als “de schriftelijke definitieve beslissing” – nog los van het feit dat de conclusie van antwoord niet aan [C] is gericht en de conclusie niet is overgelegd, zodat de inhoud daarvan onbekend is – ontbreekt een schriftelijke definitieve beslissing van Reaal als bedoeld in de vervalbedingen, zodat de vervaltermijn niet is aangevangen en de vordering van Univé Oost niet is vervallen.

5.30.

Reaal heeft voorts een beroep gedaan op rechtsverwerking. Volgens Reaal heeft [C] zijn recht verwerkt nog voordat de inleidende dagvaarding in deze procedure werd uitgebracht. Ook dit verweer van Reaal kan niet slagen, nu voor rechtsverwerking meer nodig is dan enkel stilzitten, terwijl Reaal – naast het verwijt dat [C] eerder actie had moeten ondernemen – onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die een beroep op rechtsverwerking rechtvaardigen. Bovendien verhoudt een beroep op rechtsverwerking zich niet tot de vervalbedingen die meebrengen dat [C] eerst actie behoeft te ondernemen nadat Reaal een schriftelijke definitieve beslissing over de gehele schade heeft verstrekt aan [C], hetgeen Reaal niet heeft gedaan. Tot slot doet de situatie die aan de orde was in het door Reaal aangehaalde arrest van het Hof ’s‑Hertogenbosch van 2 oktober 2012 (NJF 2013, 57) zich niet voor nu in de onderhavige procedure geen (eind)vonnis is gewezen in een procedure tussen [C] en Reaal waarop vervolgens ruim veertien jaar niet is gereageerd door [C].

Eigen schuld

5.31.

Reaal betoogt meer subsidiair dat [A] als eigenaar van de woonboerderij eigen schuld kan worden verweten. Volgens Reaal is [A] verantwoordelijk voor de slechte conditie van de woonboerderij en dient het uit die slechte conditie voortvloeiende (verhoogde) brandgevaar voor rekening en risico van [A] en niet voor rekening en risico van [C] te komen. Kennelijk gaat Reaal in dit verband uit van het in r.o. 5.12. reeds aan de orde gekomen verweer dat de brand het gevolg is van ontbranding van de door houtrot aangetaste niet-zichtbare delen van de gootklossen.

5.32.

Ook dit summier gemotiveerde verweer kan Reaal niet baten, nu zij de gestelde slechte conditie van het dak in het licht van het door Univé Oost gevoerde verweer en de andersluidende rapporten onvoldoende heeft onderbouwd. Bovendien mocht, zoals hiervoor reeds aan de orde is gekomen, van [C] in zijn hoedanigheid van meesterschilder worden verwacht dat hij zorgvuldig onderzoek had gedaan naar de brandrisico’s en in het kader van dat onderzoek tevens aandacht had besteed aan de conditie van (de voor zijn onderzoek relevante delen van) de woonboerderij, waaronder (de zichtbare en niet zichtbare delen van) de gootklossen.

De regresvordering van Univé Oost is op grond van de BBr beperkt tot € 500.000

5.33.

Vervolgens voert Reaal als verweer dat de BBr eraan in de weg staat dat Univé Oost verhaal neemt voor een hoger bedrag dan € 500.000. Volgens Reaal is Univé Oost lid van het Verbond van Verzekeraars en om die reden gebonden aan de BBr. Voor zover Univé Oost terecht stelt dat zij geen lid is van het Verbond van Verzekeraars, betoogt Reaal dat Univé Oost aan de BBr gebonden is omdat dit de status van gewoonterecht heeft verworven, dan wel dat het geldend maken van de regresvordering boven de € 500.000 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.34.

Tussen partijen is niet in geschil dat op grond van de artikelen 6 en 7 van de BBr de regeling uitsluitend geldt voor de leden van het Verbond van Verzekeraars en niet-leden die zich vrijwillig bereid hebben verklaard overeenkomstig de regels van de BBr te zullen handelen.

5.35.

Reaal heeft nagelaten haar verweer te onderbouwen dat Univé Oost lid is van het Verbond van Verzekeraars. Zij heeft daartoe in de kern uitsluitend gesteld dat N.V. Univé Schade wel lid is van het verbond en dat – hetgeen Univé Oost betwist – N.V. Univé Schade en Univé Oost zich presenteren als één maatschappij. Hetgeen Reaal heeft aangevoerd is onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat Univé Oost lid is van het Verbond van Verzekeraars. Op de door Reaal overgelegde ledenlijst staat Univé Oost niet vermeld, en ook overigens is niet gebleken dat Univé Oost lid is van het Verbond van Verzekeraars. Nog los van het feit dat op grond van hetgeen Reaal aanvoert niet volgt dat Univé Schade N.V. en Univé Oost zich presenteren als één rechtspersoon (Reaal constateert zelf dat op de website van Univé Schade N.V. melding wordt gemaakt van “zelfstandige onderlinge”), wordt nergens in de door Reaal aangehaalde informatie gesteld dat naast Univé Schade N.V. ook Univé Oost lid is van het Verbond van Verzekeraars. De door Reaal gestelde verwarring (dat naast Univé Schade N.V. ook Univé Oost lid is van het Verbond van Verzekeraars) doet zich dan ook niet voor.

5.36.

Reaal heeft voorts nog aangevoerd dat Univé Oost aan de BBr is gebonden omdat dit zou zijn verworden tot gewoonterecht. Dit verweer faalt.

5.37.

De BBr geeft volgens Asser/Wansink, Van Tiggele & Salomons 7-IX* 2012, nr. 585 spelregels voor het nemen van regres door brandverzekeraars op (de aansprakelijkheidsverzekeraars van) de veroorzakers van onder alle in de regeling genoemde vormen van (uitgebreide) brandverzekering gedekte schade. Zij bindt uitsluitend de leden van het Verbond van Verzekeraars alsmede niet-leden die tot de regeling zijn toegetreden. Voor niet-aangesloten leden bestaat er geen juridisch afdwingbare maatschappelijke verplichting tot afzien van regres, noch is sprake van een gewoonterecht. Voorts levert het gebruik van de bevoegdheid om regres te nemen op de schadetoebrengende partij geen misbruik op en is dat ook niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Zie Hof Amsterdam 8 december 2009, RAV 2011, 37, en 2 maart 2010, RAV 2010, 95.

5.38.

In aanvulling hierop overweegt de rechtbank dat gewoonterecht tot doel heeft het verschaffen van rechtszekerheid in een situatie waarin ondoorzichtig is welke tot de kring van betrokkenen behorende partijen zich wel en welke zich niet tot een door de overgrote meerderheid als bindend ervaren, maar niet vastgelegde regel wensen te conformeren. Die situatie doet zich hier niet voor nu sprake is van een afgebakende en overzichtelijke groep van verzekeraars, waarvan steeds kan worden nagegaan of zij zich aan de BBr hebben geconformeerd. Onder die omstandigheden mag met een beroep op het gewoonterecht niet aan een minderheid worden opgelegd dat zij zich aan een door de meerderheid gevolgde (vastgelegde) regel dienen te conformeren. Tot slot is nog van belang dat regresnemende verzekeraars bij hun aanspraken tegen Univé Oost – anders dan Reaal lijkt te betogen – (ook) niet gebonden zijn aan de door de BBr voorgeschreven beperking.

5.39.

Het voorgaande leidt ertoe dat Reaal de door de BBR voorgeschreven beperking tot € 500.000 niet met succes aan Univé Oost kan tegenwerpen.

De wettelijke rente

5.40.

Tot slot heeft Reaal als verweer gevoerd dat de wettelijke rente eerst verschuldigd is met ingang van de dag van dagvaarding. Volgens Reaal heeft [C] eerst op 30 maart 2010 aanspraak gemaakt op uitkering boven € 500.000, zodat voor dit meerdere de wettelijke rente eerst verschuldigd is met ingang van voornoemde datum. Univé Oost heeft de wettelijke rente gevorderd met ingang van de data waarop zij de schadebedragen aan [A] c.s. heeft vergoed.

5.41.

De rechtbank is van oordeel dat de verschuldigdheid van de wettelijke rente een aanvang neemt na het verstrijken van een redelijke termijn nadat de verzekeraar door de verzekerde tot uitkering is aangesproken. Nu de rechtbank Reaal niet volgt in haar stelling dat tussen haar en [C] door de brief van Reaal van 21 juni 2002 overeenstemming bestond dat de verzekerde som € 500.000 bedroeg, heeft de aanspraak op wettelijke rente steeds betrekking gehad op alle onder de aansprakelijkheidsverzekering voor vergoeding in aanmerking komende schade. Nu tussen partijen niet in geschil is dat [C], door het doorzenden van de aansprakelijkstellingen van [A] c.s. van 12 juni 2002 en Univé Oost van 20 juni 2002, aanspraak heeft gemaakt op dekking onder de aansprakelijkheidsverzekering geruime tijd voordat Univé Oost is overgegaan tot vergoeding van de eerste schade van [A] c.s. op 2 augustus 2002, wordt de wettelijke rente zoals door Univé Oost gevorderd toegewezen.

Conclusie

5.42.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vordering van Univé Oost jegens Reaal zal worden toegewezen.

5.43.

Reaal zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Univé Oost worden begroot op:

  • -

    dagvaarding €  87,93

  • -

    griffierecht € 4.951,00

  • -

    salaris advocaat € 11.238,50 (3,5 punten × tarief € 3.211)

Totaal €  16.277,43

De vordering tegen Pronker

5.44.

Nu de rechtbank hiervoor onder r.o. 5.22. heeft geoordeeld dat de dekking voor zaakschade bij brand onder de aansprakelijkheidsverzekering vanaf de ingangsdatum ongewijzigd is gebleven staat daarmee vast dat in het midden kan blijven of Pronker tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [C]. Vast staat immers dat een eventuele tekortkoming van Pronker niet tot schade van [C] (te weten een lagere uitkering onder de aansprakelijkheidsverzekering) heeft geleid. De vordering van Univé Oost jegens Pronker ligt dan ook voor afwijzing gereed.

5.45.

Univé Oost zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Pronker worden begroot op € 4.951 aan griffierecht en € 9.633 aan salaris advocaat (3,0 punten × tarief € 3.211)

Slotopmerking

5.46.

De rechter, ten overstaan van wie de comparitie van partijen is gehouden, heeft dit vonnis niet kunnen wijzen om organisatorische redenen.

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

verklaart voor recht dat [C] jegens [A] c.s. aansprakelijk is voor de door [A] c.s. geleden, respectievelijk de door Univé Oost aan [A] c.s. vergoede schade.

6.2.

veroordeelt Reaal om aan Univé Oost te betalen een bedrag van € 634.000, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het bedrag van € 596.000 te rekenen vanaf 2 augustus 2002, over een bedrag van € 20.000 vanaf 4 juli 2002 en over een bedrag van € 18.450 vanaf 12 augustus 2002, in alle gevallen tot de dag van volledige betaling,

6.3.

veroordeelt Reaal in de proceskosten, aan de zijde van Univé Oost tot op heden begroot op € 16.277,43,

6.4.

veroordeelt Univé Oost in de proceskosten, aan de zijde van Pronker tot op heden begroot op € 14.584,

6.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.L.M. Luiten en in het openbaar uitgesproken op 24 juli 2013.