Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:9096

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2013
Datum publicatie
25-07-2013
Zaaknummer
C/09/443962 / KG ZA 13-615
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

exploitatie snellaadpunten elektrische auto's langs snelwegen door Fastned toegestaan

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/443962 / KG ZA 13-615

Vonnis in kort geding van 25 juli 2013

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 3],

gevestigd te [vestigingsplaats],

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 4],

gevestigd te [vestigingsplaats],

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 5],

gevestigd te [vestigingsplaats],

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 6],

gevestigd te [vestigingsplaats],

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 7],

gevestigd te [vestigingsplaats],

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 8],

gevestigd te[vestigingsplaats]

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 9],

gevestigd te [vestigingsplaats],

10. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 10],

gevestigd te [vestigingsplaats],

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 11],

gevestigd te [vestigingsplaats],

12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 12],

gevestigd te [vestigingsplaats],

13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 13],

gevestigd te [vestigingsplaats],

14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 14],

gevestigd te [vestigingsplaats],

15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 15]

gevestigd te [vestigingsplaats],

16. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 16],

gevestigd te [vestigingsplaats],

17. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 17]

gevestigd te [vestigingsplaats],

18. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 18]

gevestigd te [vestigingsplaats],

19. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 19],

gevestigd te [vestigingsplaats],

20. de commanditaire vennootschap

[eiseres 20]

gevestigd te [vestigingsplaats],

21. de vennootschap onder firma

[eiseres 21],

gevestigd te [vestigingsplaats],

22. de vennootschap onder firma

[eiseres 22],

gevestigd te [vestigingsplaats],

23. de eenmanszaak

[eiseres 23],

gevestigd te [vestigingsplaats],

24. de vennootschap onder firma

[eiseres 24],

gevestigd te [vestigingsplaats],

25. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 25]

gevestigd te [vestigingsplaats],

26. de maatschap

[eiseres 26],

kantoorhoudende te [vestigingsplaats],

27. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

[eiseres 27],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseressen,

advocaat mr. F.J. Leeflang te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Infrastructuur en Milieu),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. E.C.M. Schippers te Den Haag,

waarin zich hebben gevoegd:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Beheersmaatschappij Breesaap B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Fastned B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat mr. L.P.W. Mensink te Amsterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Eiseressen’ en ‘de Staat’. De gevoegde partijen worden respectievelijk ‘Breesaap’ en ‘Fastned’ genoemd.

1 Het incident tot voeging

1.1.

Breesaap en Fastned hebben gevorderd zich te mogen voegen aan de zijde van de Staat in de procedure tussen Eiseressen en de Staat. Ter zitting van 11 juli 2013 heeft de Staat verklaard geen bezwaar te hebben tegen de voeging. Eiseressen hebben zich echter op het standpunt gesteld dat de gevorderde voeging moet worden afgewezen omdat, voor zover Breesaap en Fastned een aanspraak hebben jegens de Staat, zij deze buiten de onderhavige procedure geldend dienen te maken, omdat het spoedeisend belang aan voeging in de weg staat en omdat de goede procesorde niet gediend is met voeging. Voorts maken eiseressen er bezwaar tegen dat Breesaap en Fastned kennis nemen van de (bedrijfsvertrouwelijke) producties in de onderhavige zaak.

1.2.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat nu de rechtspositie van Breesaap en Fastned nadelig beïnvloed kan worden door een voor de Staat ongunstige uitkomst in dit kort geding, zij er belang bij hebben zich te voegen aan de zijde van de Staat en voorts dat de vereiste spoed bij dit kort geding, noch de goede procesorde in het algemeen aan voeging in de weg staat. Breesaap en Fastned zijn derhalve toegelaten als gevoegde partij.

1.3.

Met betrekking tot de producties heeft de voorzieningenrechter Breesaap en Fastned in de gelegenheid gesteld om – na kennis te hebben genomen van het pleidooi van zowel Eiseressen als de Staat – mee te delen of zij hun verzoek om een afschrift van de producties handhaven. Kort voor het sluiten van de behandeling ter zitting zijn partijen met betrekking tot de producties overeengekomen dat de door Eiseressen overgelegde producties A tot en met Z, met uitzondering van J4, niet langer deel uitmaken van de processtukken en dat de overige producties met productie J4 (al dan niet met weglating van bedrijfsvertrouwelijke informatie) door Eiseressen aan Breesaap en Fastned ter hand zullen worden gesteld. Breesaap en Fastned hebben daarbij nadrukkelijk verklaard dat ondanks het feit dat zij tot op dat moment niet van alle producties kennis hadden genomen, vonnis kon worden bepaald.

1.4.

De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat als eiser sub 23 is opgevoerd “de eenmanszaak [eiseres 23]”. Een eenmanszaak is geen rechtspersoon, zodat de natuurlijk persoon die onder deze naam handelt als eiser had moeten optreden. Nu de Staat hiertegen geen bezwaar heeft gemaakt gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat voor de Staat kenbaar is welke natuurlijke persoon handelt onder deze handelsnaam.

1.5.

Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 11 juli 2013 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Eiseressen 1 tot en met 26 zijn (particuliere) concessiehouders (hierna ‘Concessiehouders’) voor de exploitatie van (sinds 2007 zo genoemde) motorbrandstoffenverkooppunten, hierna ook te noemen ‘tankstations’, op verzorgingsplaatsen langs het Nederlandse rijkswegennet. De Concessiehouders zijn allen lid van Eiseres 27, hierna ook te noemen ‘VPR’. VPR heeft tot doel de belangen van de Concessiehouders met betrekking tot de aan hen verstrekte concessies te behartigen en te bewaken.

2.2.

De verzorgingsplaatsen langs de rijkswegen behoren in eigendom toe aan de Staat en de Staat heeft aanvankelijk aan (de rechtsvoorgangers van) de Concessiehouders voor onbepaalde tijd het recht verleend om een tankstation op de verzorgingsplaatsen te exploiteren.

2.3.

Uit het oogpunt van bevordering van prijsconcurrentie en daarmee de marktwerking op de benzinemarkt langs de rijkswegen zijn afspraken gemaakt tussen de Staat en de Vereniging Nederlandse Petroleum Industrie (VNPI), een belangenvereniging van de oliemaatschappijen, en tussen de Staat en VPR. Laatstgemelde afspraken zijn vastgelegd in het op 13 april 2000 gesloten ‘Convenant Alternatief Traject ‘MDW Benzine Hoofdwegennet’’, hierna ‘het Convenant’. Deze afspraken behelzen (samengevat) dat de Concessiehouders hun recht op exploitatie van de tankstations opgeven, in die zin dat zij instemmen met een veiling van hun concessies in de periode 2019 tot en met 2023 en met een verhoging van de gebruiksvergoeding voor het gebruik van de grond van de Staat, in ruil voor de opbrengst van de (eerste) veiling van de concessies en voor de toezegging van de Staat dat tot 2019 geen andere tankstations zullen worden toegestaan langs de Nederlandse rijkswegen.

In het Convenant is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“(…)

In aanmerking nemende:

- dat door het Kabinet in MDW-verband voorstellen zijn ontwikkeld ter bevordering van toetreding tot en prijsconcurrentie in de benzinemarkt langs het hoofdwegennet;

(…)

Artikel 1. Definities

(…)

Locatie: een langs een Rijksweg gelegen perceel grond, in beheer bij het Rijk (Rijkswaterstaat) en eigendom van de Staat, bestemd voor een MBVP.

MBVP: verkooppunt van motorbrandstoffen.

(…)

Artikel 7. Locatiebeleid

7.1.

Het Rijk zal, behoudens ten hoogste de in bijlage 1 bij dit Convenant genoemde en de in artikel 3.6 bedoelde Locaties, langs bestaande Rijkswegen geen aanvullende Locaties creëren, onverminderd het bepaalde in artikel 7.2 tot en met 7.5. De op grond van bijlage 1 en artikel 3.6 te realiseren nieuwe Locaties zullen op een afstand van ten minste 20 km in dezelfde rijrichting van andere (bestaande en/of nieuwe) Locaties worden gevestigd.(…)

2.4.

De in het Convenant opgenomen afspraken zijn in 2001 voor iedere (rechtsvoorganger van de) Concessiehouder vastgelegd in een ‘Standaard Bilaterale Overeenkomst Alternatief Traject ‘MDW Benzine Hoofdwegennet’ voor ‘Particulieren’’, hierna ‘Bilaterale Overeenkomst’. In artikel 9 van de Bilaterale Overeenkomst is een Geschillenregeling opgenomen die er in voorziet dat geschillen die voortvloeien uit de tenuitvoerlegging of de interpretatie van de Bilaterale Overeenkomst zullen worden voorgelegd aan een mediator en vervolgens – indien mediation niet tot resultaat leidt – aan een arbiter.

2.5.

In het licht van de onder 2.3. en 2.4. genoemde afspraken is in 2005 de ‘Wet van 16 juni 2005, houdende regels met betrekking tot het in gebruik geven van grond ten behoeve van de verkoop van motorbrandstoffen aan wegen in beheer bij het Rijk (Wet tot veiling van bepaalde verkooppunten van motorbrandstoffen)’, hierna ‘de Benzinewet’, tot stand gekomen (Stb. 2005, 324).

2.6.

In een e-mailbericht van 25 oktober 2011 heeft [A.] van het bestuurssecretariaat van VPR aan [B.], Programmamanager Elektrisch Rijden bij Rijkswaterstaat, geschreven:

“Van de heer [C.] begreep ik dat er al een regeling is voor de uitgifte van electra-oplaadpunten langs het hoofdwegennet.

Ook begreep ik van hem dat nu een aanpassing wordt opgesteld zodat derden ook terzake een vergunning kunnen aanvragen en dat er afspraken zijn gemaakt over mogelijke afdrachten voor gebruik van de grond.

(…)”.

2.7.

Om de ontwikkeling van een landelijk dekkend net van snellaadpalen, waarmee een accu in ongeveer twintig minuten kan worden bijgeladen (in tegenstelling tot de langzaamlaadpalen die een accu in ongeveer acht uur opladen), langs de rijkswegen te faciliteren is op 20 december 2011 de ‘Kennisgeving Wijziging Voorzieningen op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen (energielaadpunten)’, hierna ‘de Kennisgeving’, gepubliceerd (Stcrt. 2011, 23149). In de toelichting op de Kennisgeving is – voor zover hier van belang – vermeld:

“(…)

Dat het elektrische rijden momenteel sterk toeneemt en gestimuleerd wordt op grond van rijksbeleid is een omstandigheid die bij het opstellen van het beleid in 2004 niet voorzien was. Om het elektrisch rijden te faciliteren is het wenselijk dat er zelfstandig geëxploiteerde elektrische laadstations beschikbaar komen op de verzorgingsplaatsen langs rijkswegen. Immers, dan is de plaatsing niet alleen afhankelijk van de exploitant van al aanwezige basisvoorzieningen. Daarom is het wenselijk om naast het benzinestation, het wegrestaurant en het servicestation ook het energielaadpunt als basisvoorziening aan te merken.(…)”.

In de Kennisgeving wordt tevens melding gemaakt van de mogelijkheid om een vergunning op grond van de Wet beheer rijkswaterstaatwerken (Wbr) aan te vragen.

2.8.

Namens de Staatssecretaris van Financiën is in een brief van 3 februari 2012 – voor zover hier relevant – het volgende aan VPR meegedeeld:

“(…)

Met het oog op het stimuleren van het plaatsen en exploiteren van elektrische laadpunten langs rijkswegen bij bestaande gebruiksrechten zal tot en met 2015 de extra huur/erfpacht/canon op € 0,- worden gesteld. In 2016 zal aan de hand van een evaluatie over de ontwikkeling van de verkoop van elektriciteit uit een elektrisch oplaadpunt langs rijkswegen worden bezien of een extra vergoeding gewenst is.

(…)”.

2.9.

De Directeur-Generaal van Rijkswaterstaat heeft in een brief van 14 maart 2012 – voor zover hier van belang – het volgende aan VNPI en VPR meegedeeld:

“(…)Vanaf 2010 heeft de RWS programmamanager elektrisch rijden (…) samen met toenmalig voorzitter van het Formule E team (…) hierover diverse malen overleg gevoerd met uw organisaties. Daarbij is herhaaldelijk de vraag gesteld of de leden van de VNPI en de VPR mee wilden werken aan het faciliteren van het elektrisch rijden door oplaadpalen te plaatsen op verzorgingsplaatsen.(…)

Omdat er echter door de bestaande exploitanten op de verzorgingsplaatsen nauwelijks initiatieven werden genomen heeft RWS ervoor gekozen om ook andere exploitanten de gelegenheid te geven een oplaadpaal te exploiteren. Ook hierover is contact geweest met uw organisaties.

(…)

Alvorens dit te doen heb ik aan het ministerie van Financiën de vraag voorgelegd of elektriciteit niet behoeft te worden aangemerkt als een fossiele motorbrandstof. Het antwoord hierop was dat elektriciteit geen motorbrandstof is in de zin van de Benzinewet en dat elektriciteit buiten dit regime valt. Het plaatsen van elektrische oplaadvoorzieningen wordt naar de mening van het ministerie van Financiën niet uitgesloten door de Benzinewet en de Convenanten. Van een inbreuk op bestaande rechten van gevestigde partijen is daarom geen sprake.

(…)

Wellicht ten overvloede wijs ik er nog op dat het nu, evenals vóór de publicatie van de kennisgeving, de concessiehouders vrijstaat om een vergunning aan te vragen voor de exploitatie van een oplaadvoorziening binnen hun huidige concessie.

(…)”.

2.10.

Van de zijde van de Staat is ter zake van een aantal verzorgingsplaatsen een kennisgeving van ontwerpbesluiten voor het realiseren van energielaadpunten op verzorgingsplaatsen langs rijkswegen in de Staatscourant gepubliceerd. Het betreft in ieder geval de verzorgingsplaatsen die (gedeeltelijk) bij Eiseressen 1 tot en met 8 in gebruik zijn. Zij hebben daarom samen met VPR een zienswijze ingediend tegen de ontwerpbesluiten.

2.11.

Bij brief van 22 januari 2013 is van de zijde van VPR bij de Europese Commissie een klacht ingediend tegen de Staat wegens het overtreden van staatssteunregels door het niet aanmelden van een steunmaatregel met betrekking tot de gebruiksvergoeding voor concessiehouders belast met de exploitatie van elektrische laadpalen langs de Nederlandse rijkswegen.

2.12.

Namens de Nederlandse autoriteiten is bij brief aan de Europese Commissie van 8 juli 2013 gereageerd op de onder 2.11. genoemde klacht. In die brief is op basis van ontvangen vergunningaanvragen en met inachtneming van de tijd die nodig is om na vergunningverlening tot exploitatie van de snellaadpaal over te gaan het aantal nieuwe locaties en de monetaire waarde van de gebruiksvergoeding berekend. De brief vermeldt dat de cumulatieve vergoeding voor 2013 tot en met 2015 neerkomt op een bedrag van € 15.613,-- en dat daarmee de zogenoemde ‘de minimis-drempel’ van € 200.000,-- niet wordt overschreden. Voorts wordt in die brief meegedeeld dat het niet innen van een gebruiksvergoeding tot en met 2015 is ingegeven door de wens van de Nederlandse autoriteiten om – in het kader van de EU 2020 doelstelling – het aandeel van duurzame energie te verhogen en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen.

3 Het geschil

3.1.

Eiseressen vorderen – zakelijk weergegeven – (I) de Staat te gebieden de uitvoering van de aanleg en exploitatie van oplaadstations te (doen) staken, althans de Staat te verbieden om mee te werken aan die uitvoering, althans totdat de overeengekomen geschillenbeslechting is doorlopen; (II) de Staat te gebieden de voorgenomen vergunningverlening op te schorten totdat de Europese Commissie een beslissing heeft genomen over de vraag of sprake is van staatssteun, althans de Staat te gebieden de uitvoering van de aanleg en exploitatie van oplaadstations te staken, dan wel hem te verbieden om mee te werken aan die uitvoering tot voormelde beslissing van de Europese Commissie en (III) de Staat te gebieden te verhinderen dat oplaadstations worden geplaatst op, dan wel binnen 20 kilometer van de verzorgingsplaatsen, althans op een andere plaats, al dan niet onder voorwaarden, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe stellen Eiseressen het volgende. In het Convenant is overeengekomen dat de Concessiehouders hun ‘eeuwigdurend’ recht op exploitatie van een tankstation op de verzorgingsplaatsen opgeven, in ruil voor de opbrengst van de (eerste) veiling van de concessies en voor de toezegging van de Staat dat tot de veiling van de concessies geen andere tankstations langs de Nederlandse rijkswegen zullen worden toegestaan. Als gevolg van het in 2011 gewijzigde beleid is het thans echter ook voor derden mogelijk om een vergunning te verkrijgen voor het plaatsen en exploiteren van een elektrisch oplaadstation op de verzorgingsplaatsen, derhalve van een met de tankstations van de Concessiehouders concurrerend tankstation voor hybride en volledig elektrische motorvoertuigen. Volgens Eiseressen is dit in strijd met de in het Convenant en de in de Bilaterale Overeenkomsten vastgelegde afspraken. Tijdens de onderhandelingen zijn partijen ervan uitgegaan dat alleen de bestaande vergunninghouders het recht zouden hebben om energie voor motorvoertuigen te verkopen, ongeacht de energievorm die geleverd wordt. Eiseressen zijn aanvankelijk betrokken in het overleg over de plaatsing van elektrische oplaadpunten en de Staat heeft in een Richtlijn van 31 januari 2011 vastgelegd dat de elektrische oplaadpunten als aanvullende voorzieningen bij de tankstations zouden worden beschouwd. De Staat heeft dan ook bij Eiseressen het vertrouwen gewekt dat rekening zou worden gehouden met hun belangen en dat slechts de Concessiehouders een aanvraag voor plaatsing konden indienen. Tevens is sprake van schending van het bepaalde in artikel 17 van de Benzinewet, nu – anders dan de Staat heeft betoogd – elektriciteit onder het begrip ‘motorbrandstof’ moet worden geschaard. De Staat weigert ten onrechte de in de Bilaterale Overeenkomsten overeengekomen geschillenregeling te volgen, hetgeen eveneens onrechtmatig is jegens de Concessiehouders. Voorts stellen Eiseressen dat het huurgenot van de Concessiehouders wordt aangetast, nu partijen zijn overeengekomen dat aan Eiseressen geen concurrentie zal worden aangedaan en dat er in ieder geval tot 1 januari 2024 geen nieuwe verkooppunten op de verzorgingsplaatsen zouden komen. Volgens Eiseressen is tevens sprake van ongeoorloofde concurrentiebeperkende staatssteun, nu de Staat van de exploitanten van de oplaadstations geen gebruiksvergoeding vraagt, althans in ieder geval niet tot en met 2015. De Concessiehouders lijden door het handelen van de Staat schade als gevolg van concurrentie en vermindering van de waarde van hun concessies. Eiseressen hebben dan ook belang bij toewijzing van hun vorderingen.

3.3.

De Staat, Breesaap en Fastned voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Tussen partijen is in geschil of de Staat onrechtmatig handelt door zijn medewerking te verlenen aan de exploitatie van oplaadstations, in ieder geval op de verzorgingsplaatsen waar de Concessiehouders een tankstation exploiteren. Hiertoe dient gelet op de stellingen van Eiseressen beoordeeld te worden of sprake is van schending van de afspraken in het Convenant en de Bilaterale Overeenkomsten of van schending van het huurgenot van Eiseressen, van schending van de bepalingen in de Benzinewet, dan wel van ongeoorloofde staatssteun. Ten slotte dient de vraag te worden beantwoord of Eiseressen als gevolg van het handelen van de Staat schade lijden.

Schending van bepalingen in het Convenant en/of de Bilaterale Overeenkomsten

4.2.

Volgens Eiseressen handelt de Staat door het toestaan van elektrische oplaadstations op of in de omgeving van de Locaties die bij Eiseressen in gebruik zijn in strijd met de afspraken tussen partijen zoals die zijn vastgelegd in artikel 7 van het Convenant en/of in de Bilaterale Overeenkomsten, te meer nu deze afspraken zijn ingegeven door de wens om de Concessiehouders te compenseren voor de omstandigheid dat zij bepaalde rechten hebben ingeleverd. Partijen hebben afgesproken dat – in ieder geval tot 1 januari 2024 – geen nieuwe verkooppunten voor motorbrandstoffen zullen worden toegestaan en dat alleen de bestaande vergunninghouders het recht zouden hebben om motorbrandstoffen te verkopen, ongeacht het soort energie, aldus Eiseressen. Volgens Eiseressen mochten zij erop vertrouwen dat de Staat zich aan de gemaakte afspraken zou houden. De Staat heeft echter betwist dat slechts de bestaande Concessiehouders in aanmerking komen voor de plaatsing van een oplaadstation en hij heeft zich op het standpunt gesteld dat dit ook nimmer de bedoeling van partijen is geweest. Doel van het Convenant was immers het openbreken van de markt voor benzine en diesel (en aanverwante fossiele brandstoffen), zijnde de markt waarvoor de Concessies zijn verleend, aldus de Staat. Bij beoordeling van de over en weer ingenomen standpunten stelt de voorzieningenrechter vast dat in het Convenant het begrip “motorbrandstoffen” niet is gedefinieerd. Kennelijk was het ten tijde van het sluiten van het Convenant voor partijen evident wat onder dit begrip werd verstaan. Die evidentie is slechts te verklaren wanneer de achtergrond van de totstandkoming van het Convenant bij de uitleg van het Convenant wordt betrokken. De Staat heeft er daarbij terecht op gewezen dat die achtergrond betrekking had op het reguleren van de markt langs het hoofdwegennet voor de op dat moment gebruikelijke en dus fossiele brandstoffen. Tekenend is in dit verband dat in de considerans van het Convenant de term “benzinemarkt” wordt gebruikt. De Staat heeft dan ook naar voorlopig oordeel voldoende aannemelijk gemaakt dat het ‘Alternatief Traject ‘MDW Benzine Hoofdwegennet’ slechts betrekking had op de markt voor de toentertijd gebruikelijke fossiele brandstoffen, zodat de afspraak die is vastgelegd in artikel 7 van het Convenant, alsmede de naar aanleiding van het Convenant tot stand gekomen Benzinewet, ook tot die markt beperkt is. In ieder geval kan, anders dan Eiseressen hebben betoogd, noch uit het Convenant of de Bilaterale Overeenkomsten, noch uit de Benzinewet een exclusief recht van de Concessiehouders worden afgeleid met betrekking tot de verkoop van de op dat moment nog toekomstige energievormen voor de aandrijving van motorrijtuigen. Dat zou immers betekenen dat de levensvatbaarheid van nieuwe technieken zoals de elektrische aandrijving van motorrijtuigen, die naar de Staat onweersproken heeft gesteld, in belangrijke mate wordt beïnvloed door de aanwezigheid van een landelijk dekkend netwerk van (snel)oplaadpunten, bij voorbaat in handen van Eiseressen is gelegd, ook in die situatie waarin zij er kennelijk zelf nog geen heil in zien activiteiten op dat terrein te ontwikkelen. Dat elektriciteit in fiscaal opzicht als motorbrandstof wordt aangeduid, leidt niet tot een ander oordeel aangezien het thans niet om een fiscale beoordeling gaat, maar om een uitleg van het Convenant en de Benzinewet. De voorzieningenrechter acht de door Eiseressen gegeven uitleg van de gemaakte afspraken, die meebrengt dat de toekomstige ontwikkelingen in het kader van het elektrische rijden gefrustreerd zouden worden, in het licht van het voorgaande dan ook niet aannemelijk. Van schending van enig door de Staat gewekt vertrouwen is naar voorlopig oordeel evenmin sprake. Voor zover Eiseressen zich ter onderbouwing van hun stelling dat zij het exclusieve recht hebben om een vergunning aan te vragen beroepen op de Richtlijn van 31 januari 2011, waarin wordt vermeld dat de elektrische oplaadpunten als aanvullende voorzieningen bij de tankstations zouden worden beschouwd, wordt overwogen dat de Staat ter zake voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat deze Richtlijn een interne Richtlijn van de Staat is, waaraan Eiseressen geen rechten kunnen ontlenen, en voorts dat ook in die Richtlijn reeds is aangekondigd dat het daarin verwoorde beleid mogelijk wordt heroverwogen indien blijkt dat het beleidsuitgangspunt dat elektrische oplaadpunten gefaciliteerd zullen worden in gevaar komt doordat er te weinig aanvragen voor een vergunning worden gedaan.

4.3.

De voorzieningenrechter acht in dit verband van zwaarwegend belang dat Eiseressen zelf, met uitzondering van Eiseres 17, geen actie hebben ondernomen door een aanvraag voor een vergunning voor een elektrisch oplaadstation in te dienen en dat niet aannemelijk is geworden dat zij van de mogelijkheid daarvan niet op de hoogte waren. In dat verband heeft de Staat immers verwezen naar een e-mailbericht van VPR van 25 oktober 2011 en een brief van Rijkswaterstaat van 14 maart 2012. Uit de inhoud van deze correspondentie blijkt naar voorlopig oordeel genoegzaam dat Eiseressen in ieder geval in maart 2012 op de hoogte waren van het beleid van de Staat met betrekking tot de oplaadstations en de mogelijkheid om een vergunning aan te vragen. Daar komt bij dat genoegzaam is gebleken dat de Concessiehouders ook nu nog in de gelegenheid zijn om een vergunning aan te vragen. Dat – zoals ter zitting door één van de Concessiehouders naar voren is gebracht – de ontwikkelingen met betrekking tot en de invulling van het elektrisch rijden nog niet volledig duidelijk zijn en Concessiehouders gelet op de forse investeringen die nodig zijn voor het exploiteren van een oplaadstation daardoor mogelijk terughoudend zijn, doet aan het voorgaande niet af, maar rechtvaardigt veeleer het handelen van de Staat. De strekking van het Convenant is immers, zoals hierboven reeds is overwogen, niet dat de Staat in een dergelijk geval gehouden is af te wachten totdat Eiseressen nieuwe ontwikkelingen omarmen.

4.4.

Eiseressen hebben zich er nog op beroepen dat de in de Bilaterale Overeenkomsten opgenomen Geschillenregeling doorlopen dient te worden en dat de Staat daaraan ten onrechte zijn medewerking niet verleent. De Staat heeft evenwel betoogd dat deze regeling slechts is opgenomen in de Bilaterale Overeenkomsten en niet in het Convenant en dat het niet de bedoeling is van die regeling dat ook geschillen met betrekking tot de uitleg van het Convenant en de Benzinewet eraan zijn onderworpen. Voorts heeft de Staat naar voren gebracht dat de geschillenregeling niet voorziet in schorsende werking, zodat de uitvoering van het beleid niet hoeft te worden opgeschort tot die regeling zou zijn doorlopen. Nu bovendien ter zitting van de zijde van de Staat is verklaard dat wat hem betreft de weg naar de burgerlijke rechter in een later stadium niet is afgesloten, wordt aan het beroep van Eiseressen op de toepasselijkheid van de Geschillenregeling en de daaraan volgens Eiseressen verbonden conclusie dat de Staat niet tot het verlenen van vergunningen mag overgaan voordat de geschillenregeling is doorlopen, voorbij gegaan.

Schending huurgenot

4.5

Eiseressen hebben betoogd dat de schending van hun huurgenot gelegen is in de omstandigheid dat de Staat bij Eiseressen het vertrouwen heeft gewekt dat er geen nieuwe verkooppunten op de verzorgingsplaatsen zouden komen en dat de Staat door het faciliteren van de exploitatie van oplaadpunten door derden in strijd met de gemaakte afspraken handelt. Zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.2. en 4.3. reeds is overwogen, kan dit standpunt Eiseressen niet baten, zodat daaraan voorbij wordt gegaan.

Schending bepalingen Benzinewet

4.6

Volgens Eiseressen maakt de Staat zich schuldig aan schending van de bepalingen in de Benzinewet. Zij stellen zich op het standpunt dat elektriciteit als motorbrandstof moet worden aangemerkt en derhalve valt onder de reikwijdte van de Benzinewet. In de Benzinewet is ‘locatie’ gedefinieerd als ‘gedeelte van een verzorgingsplaats, bestemd voor de vestiging van een verkooppunt van motorbrandstoffen’. Eiseressen stellen dat het begrip motorbrandstoffenverkooppunt in de Benzinewet moet worden uitgelegd aan de hand van het Convenant en de Bilaterale Overeenkomsten en dat het daarbij niet gaat om een zuiver tekstuele uitleg. Partijen hebben bij het sluiten van het Convenant en de Bilaterale Overeenkomsten met het begrip motorbrandstof alle energievormen bedoeld, ook een nieuwe vorm als elektriciteit, aldus Eiseressen. Nu de Benzinewet tot stand is gekomen als gevolg van de in het Convenant en de Bilaterale Overeenkomsten gemaakte afspraken en gelet op de omstandigheid dat, zoals hiervoor in 4.2. reeds werd overwogen, de bepalingen in de Benzinewet derhalve beperkt zijn tot de markt van fossiele brandstoffen, kan naar voorlopig oordeel van schending van de bepalingen in de Benzinewet doordat de Staat toestaat dat derden een elektrisch oplaadstation op de verzorgingsplaatsen exploiteren, geen sprake zijn.

Staatssteun

4.7

Eiseressen hebben zich op het standpunt gesteld dat de vrijstelling van de gebruiksvergoeding voor de nieuwe exploitanten van een elektrisch oplaadstation, althans in ieder geval tot en met 2015, een ongeoorloofde steunmaatregel betreft, ter zake waarvan VPR bij de Europese Commissie een klacht heeft ingediend. Eiseressen hebben kanttekeningen geplaatst bij de berekening die de Nederlandse autoriteiten bij brief van 8 juli 2013 aan de Europese Commissie hebben gezonden naar aanleiding van de staatssteunklacht. Volgens Eiseressen is de in die brief genoemde vergoeding voor de exploitatie van een laadstation niet marktconform en gaat de berekening uit van onjuiste aannames. De Staat heeft hier tegenover naar voorlopig oordeel voldoende aannemelijk gemaakt dat de berekening is gebaseerd op de gebruikelijke systematiek bij verzorgingsplaatsen en dat rekening is gehouden met het lagere verdienend vermogen van een elektrische laadpaal ten opzichte van een regulier tankstation, zodat een correctiefactor is toegepast. Uit de berekening is genoegzaam gebleken dat de vrijstelling van het betalen van een gebruiksvergoeding voor de exploitanten van een elektrisch oplaadstation slechts een beperkt voordeel oplevert, dat de drempel voor de zogenoemde de-minimissteun niet overschrijdt, zodat er geen verplichting bestaat de steunmaatregel aan te melden bij de Europese Commissie. Voorts heeft de Staat voldoende aannemelijk gemaakt dat Eiseressen er ten onrechte van uit gaan dat een vergelijking met de gebruiksvergoeding voor een gemiddeld tankstation dient te worden gemaakt en dat de exploitatie al vanaf het eerste jaar ten minste kostendekkend is. Gelet op het voorgaande rechtvaardigen de door Eiseressen genoemde bezwaren tegen de berekening – tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door de Staat – niet de conclusie dat op voorhand moet worden aangenomen dat die berekening zodanig ondeugdelijk is dat moet worden geconcludeerd dat niettemin de hierboven genoemde drempel wordt overschreden. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding om vooruit te lopen op het oordeel van de Europese Commissie met betrekking tot de staatssteunklacht, door thans reeds te verbieden dat laadstations worden opgericht en geëxploiteerd.

Schade

4.8.

Met betrekking tot de stelling van Eiseressen dat zij schade hebben geleden of zullen lijden door het handelen van de Staat vanwege onrechtmatige concurrentie of een ontoelaatbare vermindering van de waarde van de concessies overweegt de voorzieningenrechter het volgende. Eiseressen hebben onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij schade hebben geleden of zullen lijden vanwege concurrerende activiteiten op de verzorgingsplaatsen, dit nog daargelaten dat het feit dat schade zou worden geleden als zodanig niet kan leiden tot de conclusie dat het handelen van de Staat in strijd met het Convenant of de Benzinewet is. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat het potentiële marktaandeel van de oplaadstations slechts bestaat uit hybride of volledig elektrische auto’s en derhalve (vooralsnog) ten opzichte van de totale markt uit een beperkt deel van de markt en dan bovendien uit dat deel van de markt dat in overwegende mate geen gebruik maakt van de fossiele brandstoffen. Naar verwachting zullen de oplaadstations dan ook slechts een geringe invloed hebben op het aantal weggebruikers dat gebruik maakt van de door de Concessiehouders geëxploiteerde tankstations. Voorts heeft de Staat naar voren gebracht dat het de (toekomstige) vergunninghouders – buiten het exploiteren van een elektrisch oplaadstation – niet is toegestaan om bijvoorbeeld een horeca-gelegenheid of een winkeltje te exploiteren, zodat voorshands niet aannemelijk is geworden dat uit dat oogpunt concurrentie te verwachten is. Aan de stelling van Eiseressen dat zij in de toekomst degenen die hun diesel- of benzineauto vervangen door een elektrische auto willen bedienen op hun Locaties en dat het de Concessiehouders vrijwel onmogelijk wordt gemaakt om te concurreren op elektriciteit als de Staat derden toestaat om op de verzorgingsplaatsen laadstations te plaatsen, wordt onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 4.3. is overwogen voorbij gegaan. Dat de concessies minder waard worden door het toelaten van elektrische oplaadstations is – tegenover de gemotiveerde betwisting ervan door de Staat en mede in het licht van het aan de Concessiehouders voorbehouden recht om horeca of een winkeltje te exploiteren – evenmin aannemelijk geworden. De voorzieningenrechter acht het in dit verband opnieuw illustratief dat (vrijwel) geen van Eiseressen zelf initiatief heeft genomen om een snellaadpaal te plaatsen.

Conclusie en proceskosten

4.9.

De slotsom van het voorgaande is dat de vorderingen van Eiseressen worden afgewezen. Eiseressen zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, alsmede (deels voorwaardelijk) in de nakosten.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt Eiseressen in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van de Staat en van Breesaap en Fastned (deze voegende partijen gezamenlijk) telkens begroot op € 1.405,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 589,-- aan griffierecht;

- verklaart deze proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2013.

mvt