Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:8813

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
19-07-2013
Zaaknummer
C-09-439288 - HA ZA 13-302
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onteigening. Betwisting onteigeningstitel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/439288 / HA ZA 13-302

Beschikking van 26 juni 2013

in de zaak van

de openbare rechtspersoon

PROVINCIE ZUID-HOLLAND,

zetelende te Den Haag,

eiseres,

advocaat: mr. G.J.M. de Jager te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [plaatsnaam], gemeente [gemeente],

gedaagde,

advocaat: mr. W.P. Keulers te Zoetermeer.

Partijen zullen hierna de provincie en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de door de provincie aan [gedaagde] uitgebrachte dagvaarding van 1 maart 2013, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de akte overlegging productie van de zijde van de provincie;

  • -

    de akte overlegging productie van de zijde van [gedaagde].

1.2.

Op 13 maart 2013 heeft de provincie de in artikel 80 juncto artikel 23 van de Onteigeningswet (Ow) bedoelde stukken ter griffie van deze rechtbank gedeponeerd, te weten een kopie van de Staatscourant van 16 maart 2011, nummer 4685, waarin het Koninklijk Besluit van 3 maart 2011, nummer 11.000556 (hierna: het KB), bekend is gemaakt (artikel 23 onder 1 Ow), alsmede een verklaring van de burgemeester van de gemeente Rijnwoude als bedoeld in artikel 23 onder 2 Ow.

1.3.

Partijen hebben hun standpunten toegelicht bij pleidooi van 27 mei 2013. Hierbij zijn van de zijde van beide partijen pleitnotities overgelegd.

1.4.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

In het KB is op grond van artikel 78 Ow ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan ‘Bentwoud’ van de gemeente Rijnwoude ten name van de provincie onder meer ter onteigening aangewezen het perceel kadastraal bekend gemeente [plaatsnaam], [sectie], [nummer], ter grootte van [nummer] hectare (grondplannummer [nummer]), gelegen nabij de [straat, huisnummer] te [plaatsnaam].

2.2.

Het bestemmingsplan ‘Bentwoud’ is op 11 december 2008 door de gemeenteraad van de gemeente Rijnwoude vastgesteld. Het college van Gedeputeerde Staten van de provincie heeft het plan op 7 juli 2009 goedgekeurd. Door een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 januari 2011 is het bestemmingsplan, wat de in het KB ter onteigening aangewezen onroerende zaken betreft, onherroepelijk geworden.

2.3.

De door de Kroon ter onteigening aangewezen gronden hebben de bestemmingen ‘Recreatiebos’, ‘Natuurbos’, ‘Water’ en ‘Verkeersdoeleinden’. Het is de bedoeling dat op de te onteigenen gronden werken en werkzaamheden zullen worden uitgevoerd die er toe strekken dat het huidige agrarische akkerbouwgebied wordt omgezet in een natuur- en recreatiegebied dat openbaar toegankelijk zal worden gemaakt voor fietsers en wandelaars.

2.4.

In het KB is [gedaagde] aangewezen als eigenaar van het onder 2.1. genoemde perceel. Op dit perceel oefent [gedaagde] zijn akkerbouwbedrijf uit.

2.5.

Uit de kadastrale registratie blijkt volgens de provincie dat er ten aanzien van het perceel van [gedaagde] een hypotheek is ingeschreven ten behoeve van de coöperatie Coöperatieve Rabobank Vlietstreek Zoetermeer U.A. te Zoetermeer en de naamloze vennootschap Rabohypotheekbank N.V. te Utrecht. Aan het betekeningsvoorschrift van artikel 18 lid 4 Ow is voldaan.

2.6.

Aan de provincie zijn geen andere rechthebbenden in de zin van artikel 3 Ow bekend.

2.7.

De provincie heeft besloten om niet het gehele in het KB ter onteigening aangewezen perceel van [gedaagde] te onteigenen, maar slechts een gedeelte ter grootte van 00.58.37 hectare. Bij brief van 7 februari 2013 heeft de provincie [gedaagde] als schadeloosstelling voor het te onteigenen perceelsgedeelte een bedrag van € 60.000,-- aangeboden, in welk bedrag alle vergoedingen, kosten en/of schade zijn begrepen. Dit aanbod wordt door de provincie bij dagvaarding gestand gedaan.

3 Het geschil

3.1.

De provincie vordert bij vonnis:

  1. ten behoeve en ten name van de provincie bij vervroeging de onteigening uit te spreken, vrij van alle lasten en rechten, van een gedeelte ter grootte van 00.58.37 hectare van het perceel kadastraal bekend gemeente [plaatsnaam], [sectie], [nummer], totaal groot [nummer] hectare (grondplannummer [nummer]), zoals weergegeven op de aangepaste tekening (tweede onderdeel) van productie 1 bij de dagvaarding;

  2. het voorschot op de schadeloosstelling te bepalen op 100% van het aangeboden bedrag;

  3. te bepalen dat vanwege het bepalen van het voorschot op 100% van de aangeboden schadeloosstelling door de provincie geen zekerheid behoeft te worden gesteld;

  4. het bedrag van de uiteindelijke schadeloosstelling vast te stellen op het door de provincie aangeboden bedrag;

  5. de nieuws- of advertentiebladen aan te wijzen, waarin het vonnis bij uittreksel door de griffier van de rechtbank zal worden geplaatst;

alles met kostenveroordeling rechtens.

3.2.

[gedaagde] voert verweer tegen de gevorderde vervroegde onteigening. Subsidiair, voor het geval de gevorderde onteigening naar het oordeel van de rechtbank kan worden uitgesproken, verwerpt [gedaagde] de hem aangeboden schadeloosstelling.

4 De beoordeling in de hoofdzaak

Toetsing onteigeningsbesluit

4.1.

[gedaagde] verzet zich tegen de door de provincie gevorderde vervroegde onteigening. Ten aanzien van het in dit verband van toepassing zijnde toetsingskader overweegt de rechtbank als volgt.

4.2.

De toetsing van het besluit tot onteigening, voor zover het betreft de afweging van de belangen van [gedaagde] enerzijds en die van de provincie anderzijds, is beperkt tot de vraag of de Kroon bij die afweging in redelijkheid heeft kunnen komen tot het oordeel dat voor verwezenlijking van het bestemmingsplan de onderhavige onteigening noodzakelijk is (onder meer HR 25 mei 1988, NJ 1988, 928, Van der Sloot/Boxtel). De goedkeuring van het onteigeningsbesluit dient te worden getoetst naar de situatie ten tijde van dit goedkeuringsbesluit en daarbij dienen alleen de bezwaren te worden betrokken die reeds bij de Kroon naar voren zijn gebracht (onder meer HR 10 augustus 1994, NJ 1996, 35, Koopmans/Leeuwarden). Van een beoordeling van nieuwe bezwaren tegen de onteigening of van nieuwe feiten, welke worden aangevoerd ter ondersteuning van reeds door de Kroon verworpen bezwaren, kan dan ook geen sprake zijn.

4.3.

In tegenstelling tot het voorgaande is voor een zelfstandige beoordeling door de onteigeningsrechter van de noodzaak tot onteigening naar het tijdstip van de uitspraak wel plaats indien hetgeen de gedaagde daaromtrent aanvoert, zo dat juist wordt bevonden, meebrengt dat de onteigening in het licht van na (de goedkeuring van) het onteigeningsbesluit gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de onteigenende partij in strijd is met het recht omdat de onteigening niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt, of omdat ten gevolge van gewijzigde inzichten met betrekking tot de uitvoering van een aan de onteigening ten grondslag liggend besluit of plan niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering daarvan (HR 9 februari 2000, NJ 2000, 418, Strijpse Kampen/Eindhoven en Oirschot). In dat geval dient, behoudens indien het gaat om een verandering van ondergeschikte betekenis, de onteigenende partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering tot onteigening (onder meer HR 10 augustus 1994, NJ 1996, 15, Visser/Amsterdam).

4.4.

[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat sprake is van de onder 4.3. genoemde uitzonderingssituatie. Hiertoe voert hij aan dat, gelet op de aanpassingen die thans door de provincie worden doorgevoerd in de realisatie van het bestemmingsplan, het KB niet (meer) kan dienen als onteigeningstitel. Bij de Kroon is immers uitsluitend aan de orde geweest de onteigening van het gehele hem in eigendom toebehorende perceel ten behoeve van met name de bestemming ‘Recreatiebos’, terwijl de thans gevorderde, tot een oppervlakte van 00.58.37 hectare beperkte, onteigening nagenoeg uitsluitend geschiedt voor de bestemming ‘Verkeersdoeleinden’. Hiermee is door de Kroon geen rekening gehouden. In de visie van [gedaagde] is sprake van de situatie dat de onteigening geschiedt voor een ander doel of plan dan in de voorafgaande procedure aan de orde is geweest en geschiedt de onteigening niet ter uitvoering van het thans vigerende bestemmingsplan. Gezien het voorgaande en nu geen sprake is van een wijziging van ondergeschikte betekenis, is een volledige en inhoudelijke toetsing van de vraag of ook in de huidige omstandigheden en bij de gewijzigde inzichten de noodzaak tot onteigening is gegeven op zijn plaats, aldus [gedaagde].

4.5.

Uit de door [gedaagde] overgelegde nieuwsbrief van de provincie Zuid-Holland blijkt dat de provincie er – als gevolg van gewijzigd rijksbeleid, waardoor de beschikbare middelen om natuur en recreatie te ontwikkelen aanzienlijk zijn beperkt – voor heeft gekozen om voor de door haar gewenste ontwikkeling van het ‘Bentwoud’ slechts een deel van het perceel van [gedaagde] te onteigenen. De provincie heeft dit ter zitting bevestigd. De rechtbank overweegt op dit punt dat, zoals door de provincie terecht is gesteld, op grond van de jurisprudentie moet worden aangenomen dat een vordering tot onteigening van een kleinere oppervlakte dan hetgeen ter onteigening is aangewezen, op zichzelf mogelijk is. De stelling van de provincie dat de vordering tot het bij vervroeging uitspreken van de onteigening van het betreffende perceel reeds daarom voor toewijzing gereed ligt, volgt de rechtbank echter niet. Op zichzelf is het immers mogelijk dat met hetgeen na aanpassing in de realisatie van het bestemmingsplan ter onteigening resteert sprake is van een zodanige beperking dat aangenomen dient te worden dat de onteigening niet (meer) geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt of dat niet (meer) kan worden gezegd dat de onteigening geschiedt ter uitvoering van het aan de onteigening ten grondslag gelegde bestemmingsplan.

4.6.

Anders dan [gedaagde] is de rechtbank van oordeel dat hiervan in de onderhavige zaak geen sprake is. De rechtbank overweegt hiertoe dat uit het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen dat een groot deel van het onderliggende bestemmingsplan wel tot uitvoering zal worden gebracht. De provincie heeft immers onvoldoende gemotiveerd weersproken gesteld dat van de beoogde te onteigenen oppervlakte van 650 hectare slechts 20 à 30 hectare is komen te vervallen. Bovendien is geen sprake van een planologische afwijking van het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan blijft op hoofdlijnen intact en ongewijzigd. Zoals hiervoor reeds is overwogen vloeit de beperking van de te onteigenen gronden alleen voort uit rijksbezuinigingen. Het enkele feit dat als gevolg van die beperking de onteigening wat betreft het perceel van [gedaagde] voor een groot deel geschiedt voor de bestemming ‘Verkeersdoeleinden’ en nog slechts voor een klein deel voor de bestemming ‘Recreatiebos’, neemt niet weg dat de onteigening nog steeds geschiedt ten behoeve van het doel waarvoor volgens het onteigeningsbesluit onteigend wordt en dat de onteigening nog steeds geschiedt ter uitvoering van het aan de onteigening ten grondslag gelegde bestemmingsplan.

4.7.

Gezien het voorgaande is de rechtbank met de provincie van oordeel dat voor een zelfstandige beoordeling van de noodzaak tot onteigening naar het tijdstip van deze uitspraak geen plaats is.

4.8.

Voor zover [gedaagde] subsidiair heeft bedoeld te stellen dat het goedkeuringsbesluit van de Kroon ook de marginale toets niet kan doorstaan, overweegt de rechtbank als volgt. Zoals hiervoor reeds is overwogen dient in het kader van deze marginale toets op grond van de bij de Kroon bekende feiten en omstandigheden beoordeeld te worden of de Kroon in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat er een noodzaak tot onteigening bestaat. Uitgangspunt is immers dat alleen dan onteigening kan plaatsvinden wanneer dit noodzakelijk is ter uitvoering van het bestemmingsplan.

4.9.

[gedaagde] heeft betwist dat wat betreft het perceelsgedeelte waarvan thans de vervroegde onteigening wordt gevorderd, in het bijzonder in de huidige vorm, een noodzaak tot onteigening bestaat. Op de beperking van de omvang van het te onteigenen perceelsgedeelte kan echter, nu de beslissing van de provincie om slechts een beperkt deel van het in het KB ter onteigening aangewezen perceel van [gedaagde] te onteigenen is genomen na het goedkeuringsbesluit van de Kroon, geen acht te worden geslagen. In het kader van de marginale toets heeft de rechtbank de rechtmatigheid van het goedkeuringsbesluit immers te beoordelen naar de situatie ten tijde van dat besluit.

4.10.

Maar ook indien de rechtbank wel acht zou mogen slaan op de beslissing van de provincie om slechts een beperkt gedeelte van het perceel van [gedaagde] te onteigenen, kan het verweer van [gedaagde] niet slagen. De rechtbank overweegt hiertoe dat de provincie niet, althans onvoldoende gemotiveerd, weersproken heeft gesteld dat de thans gevorderde onteigening noodzakelijk is voor de realisering van het bestemmingsplan, nu de op het betreffende perceelsgedeelte te realiseren weg een onmisbare ontsluiting is van het gebied. Bovendien is de onteigening volgens de provincie noodzakelijk ten behoeve van de realisering van het op de zuidelijk en de zuidoostelijk gelegen percelen te ontwikkelen recreatiebos. In het licht van dit verweer heeft [gedaagde] zijn stelling dat de betreffende weg ook op eigen grond van de provincie kan worden aangelegd onvoldoende onderbouwd. Tot slot overweegt de rechtbank dat de stelling van [gedaagde] dat het als gevolg van de gevorderde onteigening resterende perceel, zeker in de huidige vorm, niet meer bedrijfsmatig kan worden geëxploiteerd, in dit verband geen rol speelt. Dit argument zal in het vervolg van de procedure, te weten bij de bepaling van de schadeloosstelling, aan de orde komen.

4.11.

Gelet op het vorenstaande zal het verweer van [gedaagde], inhoudende dat als gevolg van de omstandigheid dat slechts een deel van het ter onteigening aangewezen perceel wordt onteigend geen noodzaak tot onteigening (meer) bestaat, worden verworpen.

Onderhandelingen minnelijke verwerving

4.12.

[gedaagde] heeft – overigens eerst ter gelegenheid van het pleidooi – voorts als verweer gevoerd dat door de provincie niet, althans onvoldoende is geprobeerd om het perceel waarvan thans de onteigening wordt gevorderd minnelijk te verwerven. De provincie heeft betwist dat onvoldoende onderhandelingen zijn gevoerd.

4.13.

De rechtbank stelt voorop dat voor de onteigenende partij een dubbele onderhandelingsplicht geldt. De onderhandelingsverplichting geldt zowel in de administratieve fase als in de gerechtelijke fase. Wat betreft de gerechtelijke fase is de verplichting neergelegd in artikel 17 Ow. In dit artikel is bepaald dat de onteigenende partij tracht hetgeen onteigend moet worden bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen. Hierbij heeft te gelden dat in de periode tussen het KB en de dagvaarding door de onteigenende partij serieuze verwervingspogingen ondernomen dienen te worden.

4.14.

De rechtbank stelt vast dat gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] bij de Kroon heeft geklaagd over tekortschietende pogingen van de provincie om in de periode voorafgaand aan de totstandkoming van het KB de te onteigenen grond minnelijk te verwerven. Wel heeft [gedaagde] aangevoerd dat de provincie hem nimmer een vervangend perceel heeft aangeboden. Het verweer van [gedaagde] houdt verder in dat de provincie in strijd met artikel 17 Ow niet (serieus) heeft onderhandeld over de verwerving van het perceel waarvan thans onteigening wordt gevorderd.

4.15.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat de Onteigeningswet alleen voorziet in het aanbieden van een financiële schadeloosstelling. Aan de onteigenende partij kan derhalve niet de verplichting worden opgelegd om – op straffe van het oordeel dat de onderhandelingsplicht is geschonden – vervangende grond aan te bieden. Aan de stelling van [gedaagde] dat de provincie nooit een concreet aanbod tot ruil van grond heeft gedaan, gaat de rechtbank derhalve voorbij.

4.16.

Voorts overweegt de rechtbank dat de provincie heeft gesteld dat al sinds het laatste kwartaal van 2012 met [gedaagde] is gesproken over het feit dat zij niet langer het volledige ter onteigening aangewezen perceel wenst te verwerven en dat daarover ook onderhandelingen zijn gevoerd. Volgens de provincie is het finale aanbod dat bij brief van 7 februari 2013 is gedaan in lijn met die gesprekken. Nu [gedaagde] deze stellingen van de provincie niet (voldoende) heeft weersproken en nu gesteld noch gebleken is dat het (finale) aanbod dat de provincie heeft gedaan zo laag is dat dit in redelijkheid niet als een serieus bod is te beschouwen, is de rechtbank van oordeel dat de provincie voldoende pogingen tot minnelijke verwerving van het perceel waarvan thans onteigening wordt gevorderd, heeft ondernomen. Op het moment van dagvaarding was aldus voldoende aannemelijk dat de onderhandelingen voorlopig niet tot de gewenste eigendomsoverdracht zouden leiden.

4.17.

De rechtbank gaat, gezien het voorgaande, voorbij aan het verweer van [gedaagde] dat sprake is van strijd met de op de provincie rustende onderhandelingsplicht.

Slotoverwegingen

4.18.

Nu het verweer van [gedaagde] tegen de gevorderde vervroegde onteigening op alle punten is verworpen en de rechtbank heeft vastgesteld dat alle op straffe van nietigheid voorgeschreven wettelijke termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen, ligt de vordering van de provincie tot vervroegde onteigening voor toewijzing gereed.

4.19.

De provincie heeft voor het betreffende perceelsgedeelte een bedrag van € 60.000,-- aangeboden, welk aanbod door [gedaagde] is verworpen. Gelet op het bepaalde in artikel 54i Ow en gezien het verzoek van de provincie zal de rechtbank het voorschot op de schadeloosstelling bepalen op 100% van het aangeboden bedrag, te weten op € 60.000,--. Dit betekent dat zekerheidstelling als bedoeld in het vierde lid van voornoemd artikel achterwege kan blijven.

4.20.

Nu [gedaagde] het aan hem gedane aanbod niet heeft aanvaard, dient de rechtbank zich ingevolge artikel 54j Ow te laten voorlichten door deskundigen ter begroting van de aan [gedaagde] toekomende schadeloosstelling. De rechtbank overweegt dat zij voornemens is om

mr. J.R. Vermeulen, ing. P.H. Reinders Folmer en ir. H. Leonard als deskundigen te benoemen. Genoemde personen beschikken over een ruime ervaring en deskundigheid op het gebied van onteigeningen en hebben de rechtbank reeds te kennen gegeven dat zij bereid en in staat zijn om in de onderhavige zaak als deskundigen op te treden.

4.21.

Alvorens de rechtbank tot de benoeming van voornoemde deskundigen overgaat, stelt zij partijen in de gelegenheid om zich binnen één week na heden uit te laten over de vraag of hiertegen al dan niet bezwaar bestaat. Indien tegen de benoeming van (één van) de genoemde deskundigen bezwaar bestaat, dienen partijen dit gemotiveerd aan te geven. De rechtbank verzoekt partijen om daarbij ook hun verhinderdata voor de maanden augustus en september op te geven, zulks ten behoeve van het plannen van een datum voor de descente. Tot slot verzoekt de rechtbank de (advocaat van de) provincie om door te geven op welke locatie de in aansluiting op de descente te houden toelichting zal kunnen plaatsvinden.

4.22.

In afwachting van de uitlatingen van partijen zal de rechtbank de uitspraak omtrent de vervroegde onteigening aanhouden.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 3 juli 2013 voor akte aan de zijde van beide partijen met het doel als in 4.21. is overwogen, waarna de zaak zal worden verwezen naar de rol voor vonnis op een termijn van vier weken;

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. G.H.I.J. Hage, D.R. Glass en W.A. Jacobs en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2013.