Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:8797

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
19-07-2013
Zaaknummer
1231351/13-11386
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Uitspraak Commissie van Beroep niet bindend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0559
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team kanton Den Haag

Zittingsplaats Delft

JW

rolnummer: 1231351 CV EXPL 13-11386

vonnis d.d. 27 juni 2013

Vonnis in de zaak van:

[eiser] ,

wonende te[woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde: mr. J.A. Keijser,

tegen

de stichting Stichting Unicoz Onderwijsgroep,

gevestigd te Zoetermeer,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. J.W. Janse-Velema.

Partijen worden aangeduid als [eiser] en Unicoz.

Procedure

  • -

    de dagvaarding van 2 januari 2013, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de aantekeningen van de griffier van de op 10 april 2013 gehouden comparitie van partijen;

  • -

    de conclusie na comparitie van partijen aan de zijde van [eiser];

  • -

    de conclusie na comparitie van partijen aan de zijde van Unicoz, met producties;

  • -

    de akte uitlating producties aan de zijde van [eiser].

1 Feiten

De kantonrechter gaat uit van de navolgende feiten.

1.1

[eiser], geboren op[1953], is op 1 augustus 2010 bij Unicoz fulltime in dienst getreden als leraar [vak] op het [College] te [adres]. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO Voortgezet Onderwijs (verder: CAO-VO) van toepassing.

1.2

Aanvankelijk was sprake van een aanstelling voor bepaalde tijd; per 1 augustus 2011 kreeg [eiser] een benoeming voor onbepaalde tijd.

1.3

Het laatstelijk aan [eiser] toekomende salaris bedroeg € 3.739,--, exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

1.4

In maart 2012 kreeg [eiser] bij een beoordelingsgesprek een B-beoordeling (voldoet nog niet aan de eisen). In de daarop volgende maanden werd [eiser] tweemaal (20 april en 20 mei 2012) aangesproken op volgens Unicoz bestaande tekortkomingen in zijn functioneren.

1.5

Op 6 juni 2012 heeft Unicoz aan [eiser] haar voornemen bekend gemaakt hem wegens plichtsverzuim te berispen. De berisping volgde daadwerkelijk op 28 juni 2012.

1.6

Op 19 juni 2012 heeft de docent de heer [x 1] (verder:[x 1]), drie toetsen van [eiser] met klas [Y] besproken. Zijn verklaring van 8 februari 2013 ter zake luidt:

"Ik heb op 19 juni 2012 in klas [Y] de drie toetsen van [eiser] met de klas besproken. Dat was niet niks! In totaal ontbraken er 11 toetsen waarvan wel cijfers in Magister stonden. Ik heb [eiser] daarnaar gevraagd, maar hij zei ze niet meer te hebben. Verder was er zeer slordig gecorrigeerd. Zeer inconsequent. De puntentelling klopt in een aantal gevallen niet waardoor leerlingen een te laag of te hoog cijfer hadden. Een voorbeeld:[q] had voor het S.O. over 'Het Weer' een 9,0 en [q1] een 7,0 terwijl ze minder fouten had. [q2] had voor ditzelfde S.O. een 6,0, maar beweerde het nooit gemaakt te hebben. Volgens de eigen administratie van [eiser] was [q3] voorafgaand aan dit S.O. het lokaal uitgestuurd en had een 1 gekregen, maar er stond wel een 6,3 in Magister. [q3] zei het S.O. nooit ingehaald te hebben, "dat mocht niet meer". Ik sprak op 19 juni 's middags een leerlinge die in het cluster zat dat [eiser] van mij heeft overgenomen. Zij had vol bravour tegen vriendinnen verteld hoe ze [eiser] misleid had. Ze moest nog een toets inhalen, maar had gezegd dat ze dit allang gedaan had en een 6,0 had. Deze is zonder verdere controle in Magister ingevoerd.".

1.7

Op 4 juli 2012 heeft Unicoz [eiser] op staande voet ontslagen. Als reden voor het ontslag heeft Unicoz aangegeven - heel kort samengevat - dat [eiser] voor diverse leerlingen in meerdere klassen onjuiste cijfers heeft gegeven en ingevoerd in Magister en cijfers voor niet bestaand of gemaakt werk heeft gegeven.

1.8

Bij brief van 9 juli 2012 heeft [eiser] onder meer protest aangetekend tegen het hem gegeven ontslag op staande voet en zich beschikbaar gehouden om zijn werkzaamheden op eerste afroep te verrichten.

1.9

Bij beroepsschrift van 8 augustus 2012 heeft [eiser] beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep (verder: de Commissie) tegen de hem gegeven berisping en tegen het gegeven ontslag op staande voet.

1.10

De Commissie heeft [eiser] in haar uitspraak van 26 september 2012 ten aanzien van beide beroepen in het gelijk gesteld en het beroep op beide onderdelen gegrond verklaard.

1.11

Bij beschikking van 19 september 2012 heeft de kantonrechter te Delft (mr. Weiss) op verzoek van Unicoz en na door [eiser] gevoerd verweer de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2012 voorwaardelijk ontbonden, te weten voor het geval dat zou komen vast te staan dat het op 4 juli 2010 (lees: 4 juli 2012) gegeven ontslag op staande voet geen stand zou houden. Aan [eiser] werd daarbij geen vergoeding toegekend.

2 Vordering

[eiser] vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, - kort samengevat - :

I. Unicoz te veroordelen tot betaling van achterstallig loon van € 4.486,08 bruto over de schooljaren 2010-2011 en 2011-2012;

II. voor recht te verklaren dat (primair) het ontslag van 4 juli 2012 (ver)nietig(d) is, althans dat de arbeidsverhouding tot aan de datum van de rechterlijke ontbinding is blijven bestaan, (subsidiair) dat aan het ontslag geen dringende reden ten grondslag ligt, (meer subsidiair) dat het ontslag onregelmatig is gegeven, (nog meer subsidiair) dat het ontslag tevens kennelijk onredelijk is vanwege een valse c.q. voorgewende reden en/of vanwege de gevolgen van het gegeven ontslag voor [eiser] in verhouding tot het belang van Unicoz bij het ontslag;

III. Unicoz te veroordelen (primair) het achterstallige loon over de periode 4 juli 2012 tot 1 oktober 2012 te betalen, (subsidiair) de gefixeerde schadevergoeding ex artikel 7:677 lid 4 juncto artikel 7:680 lid 1 BW en een (aanvullende) schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, op te maken bij staat;

IV. Unicoz te veroordelen de buitengerechtelijke kosten en de kosten van deze procedure te betalen.

[eiser] legt aan zijn vordering, tegen de achtergrond van voormelde feiten, het volgende ten grondslag.

2.1

[eiser] functioneren was van dien aard dat hij op verzoek van de school zowel in schooljaar 2010/2011 als in schooljaar 2011/2012 meer lesuren ingeroosterd werd dan bij zijn betrekkingsomvang hoorde. In het schooljaar 2010/2011 heeft [eiser] 52 lesuren (van 45 minuten) overgewerkt. Aanvankelijk was het de bedoeling dat deze uren in het schooljaar 2011/2012 in tijd zouden worden gecompenseerd. Dat is echter niet gebeurd; in plaats daarvan heeft [eiser] ook in laatstgenoemd schooljaar - tot en met het vierde kwartaal - 78 extra lesuren gemaakt. Alle genoemde extra uren - 140 (lees: 130) lesuren in totaal - heeft [eiser] niet uitbetaald gekregen. [eiser] heeft ter onderbouwing van een en ander gegevens overgelegd met betrekking tot de omvang van zijn lestaak en roostergegevens waaruit zijn overuren blijken.

2.2

[eiser] meent dat Unicoz hem loon verschuldigd is voor het door hem in opdracht van Unicoz verrichte overwerk als hiervoor sub 2.1 uiteengezet. Nu Unicoz weigert dit achterstallig loon te voldoen, is [eiser] genoodzaakt dit loon te vorderen. [eiser] maakt daarbij tevens aanspraak op de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, alsook op de wettelijke rente vanaf 22 december 2012. Uitgaande van 27 lesuren per week bij een volledige betrekkingsomvang, vertegenwoordigen de 130 extra lesuren een periode van 4,814 weken. Op basis van het laatstverdiende bruto maandloon van € 3.739,--, heeft [eiser] jegens Unicoz nog aanspraak op loonbetaling tot een bedrag van € 4.486,08 bruto (inclusief vakantietoeslag).

2.3

Uitspraken van een Commissie van Beroep binden het schoolbestuur, niet alleen op grond van de voor Unicoz geldende bekostigingsvoorwaarden (artikel 52 lid 3 Wet op het voortgezet onderwijs), maar ook op grond van de toepasselijke CAO (artikel 19 lid 4 CAO-VO) aan welke CAO Unicoz als werkgever gebonden was.

2.4

Primair stelt [eiser] dat die gebondenheid impliceert dat het ontslag van 4 juli 2012 daarmee (ver)nietig(d) was, althans dat op Unicoz de rechtsplicht rustte de arbeidsovereenkomst met [eiser] voort te zetten c.q. die te herstellen. Ook Unicoz lijkt van mening dat de uitspraak van de Commissie door haar niet kan worden genegeerd, gezien het feit dat de door [eiser] ingezette beroepsprocedure(s) voor Unicoz reden was/waren om voorwaardelijk ontbinding te verzoeken. Met (de gebondenheid van Unicoz aan) de uitspraak van de Commissie staat tussen partijen vast dat de aan de ontbindingsbeschikking van 19 september 2012 verbonden voorwaarde vervuld is, zodat de onderlinge arbeidsovereenkomst tussen partijen eerst door ontbinding op 1 oktober 2012 is geëindigd.

2.5

[eiser] heeft zich ook bereid verklaard en beschikbaar gehouden de bedongen arbeid te blijven verrichten, zoals blijkt uit zijn brief van 9 juli 2012. Tot 1 oktober 2012 was Unicoz [eiser] derhalve loon verschuldigd. [eiser] vordert dan ook primair betaling van achterstallig loon over de periode van 4 juli 2012 tot 1 oktober 2012, verhoogd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 22 december 2012.

2.6

Subsidiair stelt [eiser] dat in het geval de uitspraak van de Commissie niet het rechtsgevolg heeft dat het ontslag van 4 juli 2012 (ver)nietig(d) c.q. rechtens irrelevant is geworden, uit de gebondenheid van de werkgever aan die uitspraak in ieder geval wel volgt dat de schriftelijke berisping jegens [eiser] ongeldig is en dat aan het bewuste ontslag géén geldige dringende reden ten grondslag lag.

2.7

Immers, dat een Commissie-uitspraak (volgens bepaalde jurisprudentie) niet het gesloten stelsel van ontslagrecht vermag te doorbreken, betekent niet dat het oordeel van de Commissie over het al dan niet aanwezig zijn van een dringende reden voor dat ontslag daarmee zonder betekenis zou zijn. Dat laatste zou in strijd zijn met de uit wet en CAO voortvloeiende gebondenheid van de werkgever aan dat oordeel.

2.8

Nu met de uitspraak van de Commissie voor c.q. jegens Unicoz bindend vast staat dat géén dringende reden bestond voor het op staande voet verleende ontslag, staat naar [eiser] (nog steeds subsidiair) stelt tevens vast dat:
a) de geldende opzegtermijn (van drie maanden conform CAO) niet in acht is genomen, zodat het ontslag tevens onregelmatig is in de zin van artikel 7:677 BW, én
b) het ontslag is geschied onder opgave van een voorgewende of valse reden in de zin van artikel 7:681 BW en dus kennelijk onredelijk is in de zin van diezelfde wettelijke bepaling.

2.9

Meer subsidiair voert [eiser] aan dat zelfs als zou aan de uitspraak van de Commissie om enige reden rechtens geen betekenis kunnen worden toegekend dan waren de berisping alsook het ontslag op staande voet ook om inhoudelijk redenen onterecht, omdat er geen sprake was van plichtsverzuim of dringende redenen die een berisping of ontslag op staande voet rechtvaardigden. Na de minder goede beoordeling in maart 2012 tuimelden de acties van Unicoz jegens hem over elkaar heen, waarbij onterechte conclusies zijn getrokken en [eiser] geen gelegenheid is gegeven zijn functioneren (waar nodig) te verbeteren.

2.10

Ook als de uitspraak van de Commissie buiten beschouwing zou moeten worden gelaten, heeft te gelden dat het ontslag onregelmatig en kennelijk onredelijk is gegeven. [eiser] verwijst voor zijn inhoudelijke verweer tegen het vermeende plichtsverzuim/dringende redenen uitdrukkelijk naar een door hem als productie 8 bijgevoegde verklaring, die hij in de dagvaarding als woordelijk herhaald en ingelast wenst te zien.

2.11

Ad 2.8 onder a): (geldend voor het bovenstaande subsidiaire en meer subsidiaire betoog): Gegeven de onregelmatigheid van het ontslag van 4 juli 2012 door het niet in acht nemen van de geldende opzegtermijn, is Unicoz [eiser] een schadeloosstelling verschuldigd. [eiser] kiest daarbij voor de gefixeerde schadevergoeding, ter hoogte van het loon dat hij ontvangen zou hebben als Unicoz jegens hem wel de geldende opzegtermijn in acht zou hebben genomen. Uitgaande van een ontslagvoornemen per 4 juli 2012, zou het ontslag gegeven de conform CAO-VO geldende opzegtermijn (van drie maanden) op zijn vroegst per 1 november 2012 hebben kunnen ingaan. [eiser] maakt derhalve aanspraak op een schadevergoeding van vier bruto maandsalarissen, met de daarover verschuldigde toeslagen en emolumenten.

2.12

Ad 2.8 onder b): (tevens geldend voor het bovenstaande subsidiaire en meer subsidiaire betoog): Naast de kennelijke onredelijkheid van het ontslag op grond van een valse/voorgewende reden, is het ontslag van 4 juli 2012 volgens [eiser] - zelfs als aan de uitspraak van de Commissie niet de betekenis toekomt die [eiser] daar subsidiair aan toekent - tevens kennelijk onredelijk omdat de gevolgen van de opzegging voor hem - mede in aanmerking genomen het achterwege zijn gebleven van voorzieningen door Unicoz en zijn beperkte kansen om passend werk te vinden - te ernstig zijn in verhouding tot het belang van Unicoz bij die opzegging (gevolgencriterium).

2.13

[eiser] wijst daarbij op zijn leeftijd en op zijn zeer beperkte kansen op de arbeidsmarkt gegeven zijn leeftijd en de teruglopende werkgelegenheid in het onderwijs als gevolg van bezuinigingen en demografische ontwikkelingen en de door Unicoz gebezigde ontslagreden. De wijze waarop Unicoz sinds maart 2012 met de gerechtvaardigde belangen van [eiser] is omgesprongen door op een onzorgvuldige en hijgerige wijze hem het vuur aan de schenen te leggen, en zaken als vaststaand aan te nemen zonder zorgvuldig onderzoek en zonder [eiser] reële en eerlijke gelegenheid te geven om zijn functioneren (waar nodig) te verbeteren, is in strijd met de eisen van goed werkgeverschap.

2.14

Ook wijst [eiser] er op dat Unicoz met de wijze van ontslag bewust heeft beoogd om hem niet in aanmerking te doen komen voor een werkloosheidsuitkering. Dit laatste blijkt ook uit het feit dat Unicoz bij het UWV bezwaar heeft gemaakt tegen een (voorlopige) toekenning van een uitkering aan [eiser]. Unicoz heeft de gerechtvaardigde belangen van [eiser] met het ontslag op staande voet bewust willen beschadigen zonder zelf een belang te hebben dat die handelwijze in redelijkheid rechtvaardigde.

2.15

De omvang van de door [eiser] geleden en te lijden schade is sterk afhankelijk van de uiteindelijke beslissing van het UWV omtrent zijn uitkeringsrechten. [eiser] kiest er daarom voor de hoogte van de schadevergoeding op te maken bij staat.

2.16

Zowel ten aanzien van de overuren als de ontslagkwestie (primair en subsidiair) weigert Unicoz ondanks sommatie [eiser] het verschuldigde loon en schadevergoeding te betalen.

3 Verweer

3.1.

Unicoz heeft verweer gevoerd en geconcludeerd [eiser] in zijn vorderingen niet ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure, daaronder begrepen het salaris voor de gemachtigde van Unicoz.

3.2.

Op het gevoerde verweer zal hierna, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4 Beoordeling

4.1

Unicoz heeft ter zake door [eiser] gevorderde betaling van 130 uren verwezen naar de jaartaakbrieven van de cursusjaren 2010/2011 en 2011/2012. Unicoz heeft vervolgens de lesuren die [eiser] volgens de lesroosters in de betreffende schooljaren heeft gemaakt afgezet tegen de te geven lesuren zoals opgenomen in de jaartaakbrieven.
Daaruit blijkt, aldus Unicoz, dat [eiser] in het cursusjaar 2010/2011 gemiddeld 1,5 lesuur per week te veel heeft gegeven, te weten 22,5 in plaats van 21. Voor het schooljaar 2011/2012 betrof dit gemiddeld 2 lesuren te veel, te weten 23 in plaats van 21.

4.2

Daar staat echter tegenover, aldus Unicoz, dat [eiser] conform het geldende beleid minder lesgebonden werkzaamheden kreeg opgedragen, zoals dit blijkt uit de jaartaakbrieven. Unicoz heeft de lesroosters van de hier bedoelde schooljaren overgelegd en zij is van mening dat zij, met verwijzing naar de overgelegde producties, heeft aangetoond, dat [eiser] in het schooljaar 2010/2011 41 klokuren en in het schooljaar 2011/2012 34 klokuren te weinig heeft gewerkt.

4.3

De kantonrechter oordeelt als volgt. De stelling van [eiser] dat hij te veel uren had gemaakt in het eerste jaar en dat hem is toegezegd dat die uren in het tweede jaar zouden worden gecompenseerd, maar dat die toezegging door Unicoz niet is nagekomen, gaat niet op. Immers, zoals Unicoz heeft aangevoerd en [eiser] niet heeft weersproken, blijkt die correctie uit de jaartaakbrief over 2011/2011, waar een nacalculatie (project [z] 10-11) van 25 uur heeft plaatsgevonden.

4.4

Voor het overige heeft [eiser] het door Unicoz gevoerde verweer naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende weersproken en zijn eigen stellingen onvoldoende onderbouwd. Zijn stelling dat Unicoz het aantal lesuren heeft erkend is correct, maar waarom Unicoz niet uit zou mogen gaan van de jaartaakbrieven - waartegen [eiser] bezwaar had kunnen maken, maar van welke gelegenheid hij geen gebruik heeft gemaakt - heeft [eiser] onvoldoende duidelijk gemaakt.
De conclusie van het vorenstaande is, dat het gevorderde op dit onderdeel zal worden afgewezen.

4.5

Unicoz heeft als verweer aangevoerd, dat zij niet aan de uitspraak van de Commissie is gebonden. Onder verwijzing naar jurisprudentie (onder meer het zogenaamde Amghane arrest van de Hoge Raad) voert zij aan, dat wil een uitspraak van de Commissie voor beide partijen gelden als een bindend advies, dat dan vereist is dat van een dergelijke overeenkomst "ondubbelzinnig" moet blijken. Daarvan is volgens Unicoz geen sprake. Artikel 51 lid 3 WMO (waarin is bepaald dat het bevoegd gezag zich onderwerpt aan de uitspraak van de Commissie) en artikel 19 lid 4 CAO-VO (waarin is bepaald dat de uitspraak van de Commissie voor de werkgever bindend is) zijn bekostigingsvoorwaarden en geen arbeidsvoorwaarden. Daaraan kan de werknemer jegens de werkgever geen rechten ontlenen. De (kanton)rechter dient de eventuele nietigheid van het ontslag naar de mening van Unicoz derhalve vol te toetsen.

4.6

Dit verweer slaagt. De uitspraak van de Commissie dient niet te worden aangemerkt als een bindend advies. De artikelen 51 lid 3 WMO en 19 lid 4 CAO-VO zijn, zoals Unicoz heeft gesteld en [eiser] heeft erkend althans niet voldoende gemotiveerd heeft weersproken, bekostigingsvoorwaarden en geen arbeidsvoorwaarden en [eiser] kan op grond daarvan geen rechten jegens Unicoz ontlenen. Dat anderszins sprake zou zijn van een (tussen partijen overeengekomen) bindend advies door de Commissie is gesteld noch gebleken. De beslissing van Unicoz om [eiser] op staande voet te ontslaan, dient derhalve vol getoetst te worden.
De vraag of de beslissing van de Commissie op formele gronden (al dan niet onjuiste samenstelling van de Commissie) rechtskracht ontbeert, kan verder - bij gebrek aan belang - onbesproken blijven.

4.7

De kantonrechter stelt bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een al dan niet terecht gegeven ontslag op staande voet voorop, dat alle omstandigheden van het geval - in onderling verband en samenhang bezien - daarbij dienen te worden meegewogen.

4.8

Uitgaande van dat beoordelingskader is de kantonrechter - overigens: evenals de Commissie - van oordeel dat objectief bezien zich in casu een dringende reden voordoet: [eiser] heeft door zijn gedragingen de verplichtingen die de arbeidsovereenkomst hem oplegt, grovelijk veronachtzaamd. Die dringende reden is ook de kern van het door [eiser] genomen ontslagbesluit. Ter zake van die dringende reden wordt het volgende overwogen.

a. In voldoende mate is komen vast te staan, dat de door [eiser] gegeven cijfers in enkele gevallen niet overeenstemmen met de door hem ingevoerde cijfers in Magister;

b. sommige door [eiser] gegeven cijfers komen voorts niet overeen met de inhoud van het werk;

c. voorts zijn cijfers ingevoerd in Magister, terwijl daar geen werk tegenover stond;

d. verder is in een groepsverslag niet voor iedere leerling hetzelfde cijfer in Magister ingevoerd als op het groepsverslag is vermeld.

4.9

De kantonrechter is met Unicoz - wederom: en met de Commissie - van oordeel, dat Unicoz door deze handelwijze van [eiser] is geraakt in haar kerntaak: het opleiden van leerlingen en de mogelijkheid daarover op een betrouwbare manier verantwoording af te kunnen leggen aan de leerlingen, ouders en de inspectie. Het is daarbij niet relevant of [eiser] bij het onjuist invoeren van de cijfers opzettelijk heeft gehandeld, nu Unicoz er immers zonder meer op moet kunnen vertrouwen, dat het invoeren/verwerken en de totstandkoming van de cijfers op een correcte en zorgvuldige wijze geschiedt. Daarvan is echter geen sprake geweest.

4.10

[eiser] heeft in deze procedure het hem verweten handelen betwist en onder meer gesteld, dat hij geen cijfers heeft gefingeerd. Aan die stelling gaat de kantonrechter echter voorbij. Als aan leerlingen wel een cijfer wordt toegekend in Magister, terwijl door die leerlingen ter zake geen werk is ingeleverd - hetgeen bij de leerlingen [q4 1] en [q5] van klas [Y1]is komen vast te staan - kan dat moeilijk anders worden uitgelegd, dan het fingeren van cijfers. In ieder geval is dat handelen, afgezien van de kwalificatie, uiterst onzorgvuldig en onaanvaardbaar.

4.11

Dat er sprake was van ontoelaatbaar handelen van [eiser] wordt voorts bevestigd door de verklaring van[x 1] over klas [Y], welke verklaring niet, althans onvoldoende gemotiveerd door [eiser] is weersproken, laat staan weerlegd. Er dient mitsdien uitgegaan te worden van de juistheid van deze verklaring.

4.12

[eiser] heeft nog aangevoerd dat nergens uit blijkt dat de goede naam van Unicoz geschaad is of dat zij schade heeft geleden door de wijze waarop [eiser] werk van leerlingen heeft beoordeeld, maar ook die stelling gaat niet op. Het moge wellicht zo zijn dat de goede naam van Unicoz (nog) niet geschaad is door het handelen van [eiser], maar dat zou zeker wel het geval zijn, indien Unicoz het verweten handelen van [eiser] zou accepteren en daartegen niet (direct) zou optreden.

4.13

De kantonrechter is voorts van oordeel - overigens: anders dan de Commissie - dat de aan [eiser] verweten gedragingen een subjectieve dringende reden voor Unicoz opleverden. Unicoz heeft als werkgever immers binnen bekwame tijd nadat zij het aan [eiser] verweten handelen heeft vastgesteld, [eiser] met onmiddellijke ingang ontslagen. Unicoz achtte de dringende reden dus (subjectief) dringend en zij heeft daarom kennelijk de geldende opzegtermijn niet in acht willen nemen. Naar het oordeel van de kantonrechter terecht, gelet op hetgeen hiervoor sub 4.9 tot en met 4.12 is overwogen.

4.14

Al het vorenstaande betekent, dat naar het oordeel van de kantonrechter sprake is van een terecht gegeven ontslag op staande voet. De persoonlijke omstandigheden van [eiser], hoe vervelend en ingrijpend mogelijk ook voor hem, doen daar onvoldoende aan af.

4.15

Nu sprake is van een terecht gegeven ontslag op staande voet, is vanzelfsprekend geen sprake van een kennelijk onredelijk ontslag of van een onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst.

5 Slotsom; proceskosten

5.1

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zijn de vorderingen van [eiser] niet toewijsbaar.

5.2

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld.

5.3

Op hetgeen verder door partijen is aangevoerd zal de kantonrechter niet nader ingaan, nu een inhoudelijke behandeling daarvan niet tot een andere beslissing zal leiden.

Beslissing

De kantonrechter:

  1. wijst de vorderingen van [eiser] af;

  2. veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure tot hiertoe aan de zijde van Unicoz vastgesteld op € 500,-, als het aan de gemachtigde van Unicoz toekomende salaris, onverminderd de eventueel over deze kosten verschuldigde BTW.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Windt, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 juni 2013, in tegenwoordigheid van de griffier.