Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:8613

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2013
Datum publicatie
31-07-2013
Zaaknummer
17 JULI 2013AWB-13_1105
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Algemene wet bestuursrecht 6:20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/1105

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2013 in de zaak tussen

[eiser] , te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. H.P. Olthof),

en

de minister van Veiligheid en Justitie (Centrale Verwerking Openbaar Ministerie), verweerder

(gemachtigden: mr. H.O. Nieuwpoort en mr. A.J. Buurma).

Procesverloop

Eiser heeft verzocht om openbaarmaking in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van een kopie van de beschikking van het Centraal Justitieel incassobureau (CJIB) met [nummer 1] en het bijbehorende zaakoverzicht.

Bij besluit van 28 september 2012 heeft verweerder dit geweigerd, omdat de gevraagde stukken niet onder hem berusten. Verweerder heeft de aanvraag doorgezonden naar het CJIB en de gemeente Delft. Eiser heeft daartegen bij brief van 5 oktober 2012 bezwaar gemaakt. Bij brief van 28 december 2012 heeft hij verweerder in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.

Eiser heeft op 5 februari 2013 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift.

Bij besluit van 28 maart 2013 heeft verweerder het door eiser gemaakte bezwaar gegrond verklaard en het zaakoverzicht alsnog verstrekt. Daarbij is verweerder overgegaan tot vergoeding van de door eiser gemaakte bezwaarkosten.

Eiser komt in beroep tegen de daarbij door verweerder gehanteerde wegingsfactor “zeer licht” (0,25).

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft een comparitie van partijen gelast te houden op 11 juni 2013 en partijen daarvoor opgeroepen.

Voor de comparitie is de zaak gevoegd met een zevental andere zaken.

De comparitie heeft op 11 juni 2013 plaatsgevonden.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Ter comparitie hebben partijen op voet van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtbank toestemming verleend het onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en de gevoegde zaken weer heeft gesplitst.

Overwegingen

1.

Beroep tegen niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar.

Nu verweerder inmiddels op 28 maart 2013 een besluit op bezwaar heeft genomen en verweerder inmiddels bij afzonderlijk besluit van 28 maart 2013 aan eiser de maximale verbeurde dwangsom ad € 1.260, -- heeft toegekend, dient het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk verklaard te worden. Omdat verweerder ten tijde van het indienen van het beroepschrift in verzuim was, bestaat wel aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de proceskosten die eiser in verband met het beroep tegen het niet tijdig beslissen heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld op € 118,-, te weten € 118,- voor het indienen van het beroepschrift (1 punt) bij een zaak van zeer licht gewicht (factor 0,25).

2.

Beroep tegen het besluit op bezwaar van 28 maart 2013.

2.1.

Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar is, gelet op artikel 6:20, derde lid, van de Awb, mede gericht tegen het alsnog genomen besluit van 28 maart 2013, waarmee niet volledig aan eiser tegemoet is gekomen.

Eisers beroep richt zich alleen tegen de door verweerder vergoede bezwaarkosten. Eiser stelt dat verweerder bij de vaststelling van de te vergoeden bezwaarkosten ten onrechte een wegingsfactor “zeer licht” (0,25) in de zin van het Bpb heeft gehanteerd. Hij stelt dat verweerder een wegingsfactor “gemiddeld” (1) had moeten hanteren, omdat ingevolge vaste jurisprudentie bij het alsnog in bezwaar openbaar maken van een document op grond van de Wob de wegingsfactor “gemiddeld” (1) dient te worden gehanteerd bij het bepalen van de te vergoeden bezwaarkosten.

2.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een wegingsfactor “zeer licht” (0,25) hier op zijn plaats is, omdat het bezwaar zich richtte tegen het niet verstrekken van het zaakoverzicht en het evident is dat dit zaakoverzicht, als dit bij het bestuursorgaan berust, openbaar gemaakt had moeten worden.

2.3.

De rechtbank is van oordeel dat het betoog van eiser juist is. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) kan het in het kader van een Wob-verzoek in bezwaar alsnog verstrekken van een document niet anders worden aangemerkt dan als een openbaarmaking in de zin van de Wob en is het geschil gelet hierop inhoudelijk van aard. De behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure behoort in beginsel tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijke redenen zijn hiervan af te wijken. Van dergelijke redenen is in de voorliggende zaak niet gebleken. Het betoog van verweerder dat evident is dat het zaakoverzicht verstrekt diende te worden doet hier niet aan af, nu dit immers niet af doet aan het recht om bezwaar te maken tegen een besluit. De rechtbank verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 13 maart 2013, LJN BZ3975 en van 7 november 2012, LJN BY2509.

Het beroep tegen het besluit van 28 maart 2013 is gegrond. Dat besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover daarbij is nagelaten de wegingsfactor "gemiddeld" (1) in plaats van de factor "zeer licht" (0,25) bij de toekenning van de omvang van de vergoeding in de proceskosten in bezwaar te hanteren. De rechtbank zal het besluit van 28 maart 2012 in zoverre vernietigen en bepalen dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het besluit.

2.4.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van dit beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Bpb vastgesteld op € 944,-, te weten € 472,- voor het beroepschrift en € 472,- voor het verschijnen ter comparitie waarbij toestemming is verleend het onderzoek ter zitting achterwege te laten, bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 28 maart 2013 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 28 maart 2013, voor zover dit strekt tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar met de wegingsfactor “zeer licht”;

  • -

    veroordeelt verweerder tot vergoeding van de bij eiser in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,-;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde onderdeel van het besluit van 28 maart 2013;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep tot een bedrag van in totaal € 1.062,- (€ 118,- + € 944,-,) te betalen aan eiser;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Allewijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Leijten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.