Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:8279

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2013
Datum publicatie
24-07-2013
Zaaknummer
C-09-379593 - HA ZA 10-3920
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersersaansprakelijkheid art. 2:248 BW na twee faillissementen Haags Juristen College.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/366
JONDR 2013/938
OR-Updates.nl 2013-0264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Vonnis van 10 juli 2013

in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/09/379593 / HA ZA 10-3920 van:

MR. [curator],

als curator in de faillissementen van de besloten vennootschappen Haags Juristen College BV en Haags Juristen College Beheer BV,

de curator kantoorhoudende te Den Haag,

eisende partij,

advocaat: mr. R.G. Baron Snouckaert van Schauburg (Den Haag),

tegen

[gedaagde 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde partij,

toevoeging nr. 4IY7304 van 5 november 2011,

advocaat: mr. P.M. Keijser (Amsterdam).

De rechtbank zal de procespartijen in deze zaak over vooral bestuurdersaansprakelijkheid na faillissement hierna kortheidshalve ook wel de curator en [gedaagde 1] noemen.

De procedure

1.1 De rechtbank heeft bij het wijzen van dit vonnis rekening gehouden met de inhoud van de hierna volgende processtukken, uit welke opsomming ook het procesverloop blijkt:

  • -

    het tussenvonnis van 22 februari 2012 en alle daarin opgesomde eerdere processtukken met alle producties;

  • -

    de nadere conclusie van antwoord van 4 april 2012, met de producties 7 t/m 10 van [gedaagde 1];

  • -

    de conclusie van repliek van 16 mei 2012, met de producties 57 t/m 63 van de curator;

  • -

    de conclusie van dupliek van 27 juni 2012, met de producties 11 t/m 13 van [gedaagde 1];

  • -

    de rolbeslissingen van de rechtbank van 18 juli, 19 september en 31 oktober 2012;

  • -

    de akte van 12 december 2012 met de producties 64 t/m 79 van de curator;

  • -

    de antwoordakte van 23 januari 2013 met de producties 14 en 15 van [gedaagde 1];

  • -

    de akte uitlaten producties van 20 februari 2013, met de “ingekopieerde” extra productie (nr. 80) van de curator;

  • -

    de rolbeslissing van de rechtbank van 6 maart 2013;

  • -

    de akte uitlaten van 20 maart 2013 van [gedaagde 1];

  • -

    de rolbeslissing van de rechtbank van 10 april 2013.

1.2 De vonnisdatum door een meervoudige kamer van de rechtbank is nader bepaald op vandaag, 10 juli 2013.

De feiten

2.1 Bij vonnis van 1 juli 2010 is de besloten vennootschap Haags Juristen College BV (hierna: “HJC BV”) in staat van faillissement verklaard, met benoeming van eiser tot curator. Bij vonnis van 19 augustus 2010 is daarna ook de besloten vennootschap Haags Juristen College Beheer BV (hierna: “HJC Beheer BV”) in staat van faillissement verklaard, met benoeming van eiser tot curator.

2.2 Gedaagde [gedaagde 1] was in ieder geval sinds 2005 indirect bestuurder en/of feitelijk leidinggever van HJC BV en HJC Beheer BV te Den Haag. Sinds 2008 was [gedaagde 1] ook indirect bestuurder en/of feitelijk leidinggever van andere toen opgerichte en sindsdien tot de HJC Groep van [gedaagde 1] behorende buitenlandse rechtspersonen, zoals HJC Netherlands Holding Ltd, HJC Cyprus Holding Ltd, HJC Dubai Ltd en HJC Dubai Holding Ltd.

2.3 De HJC Groep van [gedaagde 1] hield zich vanaf in ieder geval 2005 bezig met advies over en/of bemiddeling bij belastingontwijking, vermogensbescherming en estate planning door oprichting en beheer van vennootschappen, trusts en foundations in vooral Cyprus, Dubai en Panama voor vermogende ondernemers en particulieren uit Nederland en België.

2.4 De jaarrekeningen van HJC BV zijn niet gedeponeerd sinds het boekjaar 2006, en die van HJC Beheer BV niet sinds het boekjaar 2005.

De geschillen

3.1 De curator vordert primair [gedaagde 1] te veroordelen tot betaling aan de curator van de bedragen van de faillissementstekorten van HJC BV en HJC Beheer BV, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, zulks op grond van art. 2:248 BW. Subsidiair vordert de curator veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van schadevergoeding nader op te maken bij staat op grond van de wetsartikelen 6:162 BW en 2:9 BW. Ook vordert de curator veroordeling van [gedaagde 1] tot betaling van voorschotten van € 300.000,- (HJC BV) en € 40.000,- (HJC Beheer BV) op de primair en subsidiair gevorderde schadestaat bedragen, alles met de gebruikelijke nevenvorderingen.

3.2 [gedaagde 1] voert daartegen verweer. De doorslaggevende argumenten van beide partijen komen hierna bij de beoordeling door de rechtbank aan de orde.

De beoordeling in het tussenvonnis van 22 februari 2012

Onbehoorlijk bestuur [gedaagde 1] door structurele schending formele publicatieverplichtingen

4.1 Gelet op de hiervoor in alinea 2.4 door de rechtbank vastgestelde feiten, staat vast dat [gedaagde 1] als indirect bestuurder en/of feitelijk leidinggever van HJC BV en HJC Beheer BV in de drie jaren voorafgaande aan de faillissementen structureel heeft gehandeld in strijd met de formele publicatieverplichtingen van de jaarrekeningen, zoals door de wetgever dwingendrechtelijk voorgeschreven in art. 2:394 BW. Het eventuele falen van andere daartoe door [gedaagde 1] ingeschakelde hulppersonen kan [gedaagde 1] uit de aard der zaak niet disculperen: hij draagt immers de eindverantwoordelijkheid voor het door zijn twee BV’s nakomen van die wettelijke publicatieverplichtingen. Op grond van lid 2 van art. 2:248 BW staat daardoor vast dat [gedaagde 1] zijn bestuurstaken bij HJC BV en HJC Beheer BV onbehoorlijk heeft vervuld, en bestaat het wettelijk vermoeden dat deze formeel onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van de twee faillissementen is.

4.2 Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (zie vooral de arresten gepubliceerd in NJ 2002 nr. 95, NJ 2007 nr. 2 en NJ 2008 nr. 91) brengt een redelijke uitleg van art. 2:248 BW mee dat de aangesproken bestuurder [gedaagde 1] ter weerlegging van dit wettelijk bewijsvermoeden en dus ter voorkoming van privé aansprakelijkheid voor het faillissementstekort van lid 1 van art. 2:248 BW aannemelijk moet maken dat (samengevat) buiten zijn risicosfeer gelegen andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling door structurele schending van de formele publicatieverplichtingen belangrijke(r) oorzaken van de twee faillissementen zijn geweest, en zo nodig ook dat [gedaagde 1] als redelijk denkend en redelijk handelend bestuurder niet nalatig is geweest in het treffen van tijdige en passende maatregelen tegen die andere externe oorzaken van de faillissementen. Indien en voor zover [gedaagde 1] daarin slaagt, is het vervolgens aan de curator om aannemelijk te maken dat desondanks andere vormen van kennelijk onbehoorlijk bestuur van [gedaagde 1] mede belangrijke oorzaken van de beide faillissementen zijn geweest.

4.3 Omdat het partijdebat over die andere, meer inhoudelijke belangrijke oorzaken van de faillissementen tot dan toe onvoldoende was uitgekristalliseerd, heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 22 februari 2012 een nader schriftelijk debat, zo veel als mogelijk onderbouwd met alle mogelijke verifieerbare bewijsstukken, gelast over die andere, meer materiële belangrijke oorzaken van de beide faillissementen dan slechts de vaststaande structurele formele schending van de publicatieverplichtingen van de jaarrekeningen.

De verdere beoordeling na het tussenvonnis van 22 februari 2012

Faillissement HJC BV: de twee door [gedaagde 1] gestelde externe hoofdoorzaken en de daartegen door [gedaagde 1] getroffen maatregelen.

5.1 Het verweer van [gedaagde 1] komt er naar de kern genomen op neer dat HJC BV ten onder is gegaan aan twee externe hoofdoorzaken: ten eerste de slechte service van de internationale Sovereign Group aan de HJC Groep vanaf eind 2008 en ten tweede de aankondiging eind 2008 van een voor de diensten van HJC BV ingrijpende Nederlandse wetswijziging per 1 januari 2010. De gevolgen daarvan waren volgens [gedaagde 1] grote omzetverliezen voor HJC Dubai (Holding) Ltd, dat daardoor sinds 2010 de onkosten van haar representative office HJC BV niet meer kon betalen. Voorts stelt [gedaagde 1] in reactie op de hem door de curator gemaakte verwijten over zijn taakvervulling als indirect of feitelijk bestuurder dat hij al het mogelijke heeft gedaan om de door hem gestelde twee externe bedreigingen voor het voortbestaan van HJC BV te bestrijden, vooral door het zoeken en in juni 2010 ook vinden van een nieuwe investeerder, door het steeds aan de bel trekken bij de Sovereign Group en door in 2010 ook nog ook eigen geld in HJC BV te investeren.

5.2 [gedaagde 1] heeft daartoe in de door [gedaagde 1] zelf geschreven productie 5, die de rechtbank hierna voor een goed begrip van het verweer van [gedaagde 1] volledig zal citeren, vooral het volgende gesteld.

Analyse van de oorzaken van het faillissement van Haags Juristen College BV.

Hieronder volgt allereerst een beschrijving van de gezonde situatie zoals die bestond van 2004 t/m 2007. Tot en met 2007 maakte Haags Juristen College BV onderdeel uit van Freemont Group. Freemont Group is een groep van bedrijven gespecialiseerd in oprichting en beheer van vennootschappen, trusts en stichtingen voor ondernemers die geïnteresseerd zijn in tax planning, estate planning en vermogensbescherming. Freemont Group had drie kantoren, Freemont Cyprus, Freemont Dubai en Haags Juristen College. De kantoren in Cyprus en Dubai hielden zich bezig met oprichting en beheer van vennootschappen en het kantoor in Den Haag, onder de naam Haags Juristen College fungeerde als Representative Office en hield zich bezig met het geven van informatie aan potentiële cliënten over de diensten van de andere kantoren binnen de groep. Zoals gebruikelijk bij een Representative Office ontving HJC BV een 100% onkostenvergoeding van haar hoofdkantoor, Freemont Dubai.

Eind 2007 besloot het management van de Freemont Group om HJC BV af te stoten omdat ze ervan uitgingen dat er een goedkopere manier was om nieuwe cliënten te werven dan het in stand houden van een Representative Office. Zij gingen er van uit dat het goedkoper moest zijn om belastingadviseurs en accountants een commissie te betalen voor het aanbrengen van nieuwe cliënten. Begin 2008 verkocht Freemont Group haar aandelen in Haags Juristen College BV en Haags Juristen College Beheer BV aan de vennootschap HJC Netherlands Holding Ltd. Eigenaar van deze vennootschap was HJC Cyprus Holding Limited en eigenaar van deze vennootschap was HJC Dubai Holding Ltd. De Groep die hiermee was ontstaan werd informeel ook wel HJC Group genoemd, ondanks dat deze naam nooit formeel als handelsnaam is geregistreerd. HJC Group had het plan om eigen kantoren op te zetten in Cyprus en Dubai die dezelfde functie zouden hebben als de kantoren die Freemont had in Cyprus en Dubai, namelijk oprichting en beheer van vennootschappen.

Om deze kantoren te kunnen opzetten was een investeerder nodig. Zolang die echter niet gevonden was, werd de samenwerking met Freemont Group voorgezet op een onafhankelijke basis. Dit betekent dat cliënten werden geïntroduceerd bij Freemont Group in ruil voor een commissie. Deze tijdelijke vorm van samenwerking leidde om twee redenen om aanloopverliezen. In de eerste plaats omdat een gemiddelde cliënt 5 jaar blijft in de trustbranche en dus 4 keer verlengd en omdat de tarieven daarop afgestemd zijn. De kosten worden eigenlijk uitsluitend helemaal in het begin gemaakt, vervolgens is er voor een normaal trustkantoor 5 jaar lang de gelegenheid die kosten terug te verdienen en meestal worden ze pas in het tweede jaar terugverdiend. Pas vanaf het 2e jaar is er op z’n vroegst sprake van winstgevendheid. In de tweede plaats was het zo dat HJC nu geen onderdeel meer uitmaakte van een groep die zelf trustdiensten bood maar de groep moest overleven op basis van een commissie hetgeen ertoe leidt dat het break-even point niet in het tweede jaar wordt bereikt maar pas in het 4e of 5e jaar. Deze aanloopverliezen moesten natuurlijk worden gefinancierd en Freemont Group was niet bereid deze aanloopkosten te financieren zodat HJC ging op zoek moest naar een investeerder om niet alleen de aanloopverliezen te financieren maar ook het opzetten van eigen operationele kantoren binnen de Groep in Cyprus en Dubai te financieren om daarmee er voor te zorgen dat er niet langer op commissiebasis hoefde te worden gewerkt maar voortaan alle omzet gegenereerd door cliënten volledig binnen de Groep zelf zouden blijven.

Dit betekende dat een belangrijk deel van de management tijd en creativiteit en energie werd gestoken in het vinden van een investeerder. Deze werd ook gevonden, er waren goede onderhandelingen gevoerd, men verkeerde inmiddels in de goeder trouw van de precontractuele fase. De potentiële investeerder werd gegoogled, daar kwam niets raars uit, echter kort voordat de deal zou worden gemaakt kwam iemand op het idee om zijn naam te googlen, niet met zijn achternaam voluit, namelijk [X] maar in plaats daarvan werd gegoogled [X]. Toen kwam er ineens naar voren dat deze man werd verdacht van verduistering, vervolgens is dat onderzocht en bleek dat hij niet alleen werd verdacht van verduistering maar ook werd vervolgd. Daar is deze investeerder mee geconfronteerd. Zijn reactie was weinig hoopgevend, het vertrouwen was verloren en er is besloten de onderhandelingen te stoppen en op zoek te gaan naar een nieuwe investeerder. Hierdoor waren er echter wel een aantal verliesgevende maanden voorbij gegaan. Vervolgens werd een tweede investeerder gevonden, ook met hem werden prettige gesprekken gevoerd en onderhandeld. Deze onderhandelingen leidden ook tot een overeenkomst. Deze overeenkomst is op schrift gezet en ondertekend. Vervolgens moest de investeerder het geld overmaken, maar op de datum dat het geld er had moeten zijn, was het niet binnen. Hij had hier een bijzonder geloofwaardige verklaring voor en vroeg om uitstel. Dit is hem gegeven echter bij de nieuwe datum was er weer geen geld. Ook nu had deze investeerder hiervoor een bijzonder geloofwaardige verklaring, deed opnieuw een toezegging dat het geld alsnog zou komen op een latere datum. Deze datum verstreek wederom zonder dat het geld er was. Weer had hij een zeer geloofwaardige verklaring en dit proces bleef zich een aantal keren herhalen. De potentiële investeerder kwam zelfs met een brief van zijn bank waarin bevestigd werd dat het geld zou worden overgemaakt. Bij navraag bij deze bank bleek de brief niet van de bank afkomstig. Op dat moment was het vertrouwen in deze investeerder verloren en moest er weer op zoek worden gegaan naar een nieuwe investeerder.

Inmiddels was het augustus 2008 en was er een behoorlijk verlies binnen de groep ontstaan waardoor het water aan de lippen stond. Nieuwe investeerders moest dan ook worden verteld dat de investering snel moest plaatsvinden omdat het anders niet meer hoefde. Dit was geen goede binnenkomer en de nieuwe investeerders haakten allemaal af. Hierdoor zag de situatie er voor HJC BV bijzonder slecht uit omstreeks september 2008. Vervolgens heeft HJC Group onderhandeld met Sovereign Group. Een groep gespecialiseerd in het leveren van trust- en corporate services, met vestigingen in 20 landen. Een groep die al lang bestaat, een goede reputatie heeft, zeer professioneel overkomt met een goede website en brochuremateriaal. Deze werd ook gerecommandeerd en had goede referenties van mensen die HJC Group al jarenlang kenden. Nadeel van het contract met Sovereign was echter dat ook zij net zoals Freemont wilden samenwerken op basis van een commissie, dus het introduceren van cliënten op exclusieve basis bij Sovereign op basis van een provisie. Belangrijk verschil met Freemont Group was echter dat Sovereign in tegenstelling tot Freemont wel bereid was om de aanloopverliezen te financieren met een plafond van € 600.000. Aangezien alle andere investeerders afhaakten op grond van de financiële situatie, was er geen andere keus dan ingaan op dit aanbod van Sovereign Group. Sovereign hield zich aan de financiële afspraken, maakte een bedrag van € 250.000 over om daarmee alle aanloopverliezen die tot dat moment waren geleden alsnog te financieren. Hiermee leken de problemen van HJC Group en daarmee ook de problemen van HJC BV, die als gevolg van de aanloopverliezen van het hoofdkantoor niet meer tijdig de gehele onkosten vergoed kreeg, in een klap opgelost.

Onder het contract diende de HJC Group echter alle cliënten exclusief te introduceren bij Sovereign Dubai totdat de lening was afgelost en vervolgens drie jaren zouden zijn verstreken. HJC Dubai Holding Ltd introduceerde aldus potentiële klanten bij Sovereign en ontving hiervoor commissie. Nadat deze samenwerking begon, ontstonden er een aantal problemen. Een groot aantal cliënten raakten bijzonder ontevreden over vertragingen, fouten en ook over het feit dat klachten niet serieus werden genomen of werden genegeerd door Sovereign. Sovereign had verteld dat zij een renewal rate hadden van 80%, dit betekent dat 20% van de cliënten per jaar afvalt, hetgeen ook standaard is in de industrie. Dit bleek echter niet het geval te zijn, althans niet met de cliënten die HJC introduceerde, namelijk 70% van de cliënten viel een jaar later al af. Er was dus slechts een renewal rate van 30%. Dit leidde niet alleen tot minder inkomsten van HJC Dubal Holding Ltd maar ook tot een enorme reputatieschade voor de gehele HJC Group. Positieve mond tot mond reclame, die in deze branche extreem belangrijk is, veranderde in negatieve mond tot mond reclame. Dit leidde ook tot een verlies van motivatie bij het personeel van HJC BV die nu boze telefoontjes moesten afwikkelen van ontevreden cliënten en ook veel tijd moesten gaan besteden aan het achterna zitten van het personeel van Sovereign Dubai, meestal met weinig effect, hetgeen leidde tot steeds grotere frustraties.

Daarnaast kondigde de overheid op 24 oktober 2008 aan dat zij anti-ontwijkingsregelgeving zou voorstellen in april 2009. Deze nieuwe wetgeving zou trusts en foundations gaan behandelen als fiscaal transparant per 1 januari 2010. Aangezien meer dan driekwart van de omzet van de operationele kantoren bestond uit het oprichten en beheren van structuren die eigendom zijn van foundations, hadden de herhaaldelijke publicaties daarover een sterk negatief effect op de omzet van Sovereign en aldus de HJC Group. Helaas was het zo dat door omstandigheden, misverstanden, miscommunicatie en verschillen van mening tussen Sovereign Group en HJC Group geen oplossing voor dit probleem werd gevonden of gepresenteerd aan prospects tot 23 december 2009. Dit heeft geleid tot een dramatische daling in omzet van HJC Dubai Holding Ltd en ook een daling in motivatie onder het personeel van HJC BV. Voor een samenvatting van de gebeurtenissen omtrent deze anti-ontwijkingswetgeving ofwel reparatiewetgeving wordt verwezen naar het tweede deel van productie 2 hij de conclusie van antwoord, welke is weggevallen maar alsnog (als productie 2-11) in het geding wordt gebracht. Voor de omzetdaling wordt verwezen naar het overzicht in productie 2 bij de conclusie van antwoord.

Het resultaat van deze twee problemen was dat de omzet van het hoofdkantoor sterk daalde. Deze omzetdaling veroorzaakte cashflow problemen. Hierdoor kon niet langer worden geïnvesteerd in marketing en konden de kosten van het representative office niet langer tijdig en geheel worden voldaan. Hierdoor begon het personeel zich zorgen te maken om hun inkomenszekerheid en baanzekerheid. Dit leidde tot een enorme daling van motivatie en uiteindelijk heeft het ertoe geleid dat twee personeelsleden ontslag hebben genomen per 30 november 2009. De Sovereign Group werd verzocht het plafond voor het financieren van de (aanloop)verliezen te verhogen. Zij zou dat in de bestuursvergadering bespreken. In april 2010 heeft Sovereign besloten het plafond niet verder te verhogen.

[gedaagde 1] heeft ondertussen zelf geld gepompt in HJC BV, in de vorm van geldleningen van in totaal een bedrag ad € 59.271,12, in afwachting van de zoektocht naar een nieuwe investeerder. [gedaagde 1] heeft vervolgens ook een investeerder gevonden die een contract heeft getekend op basis waarvan hij zou gaan investeren. Dit contract is gesloten kort voordat het faillissement werd uitgesproken. Dit was voor de investeerder geen reden om niet te investeren, hij was op de hoogte gebracht van het op handen zijnde faillissement en heeft [gedaagde 1] ook gevraagd om het contract te tonen aan de rechter tijdens de faillissementszitting en de rechter te verzoeken de uitspraak van het faillissement voor een periode van veertien dagen aan te houden zodat hij de gelegenheid zou hebben om gelden gereed te maken en deze over te maken. [gedaagde 1] heeft dat contract getoond aan de faillissementsrechter, deze heeft besloten geen uitstel van veertien dagen te geven maar binnen twee dagen een besluit te nemen. Hij kwam tot de beslissing het faillissement uit te spreken. Zelfs dat was voor de investeerder geen reden om zich terug te trekken omdat hij nog steeds vertrouwen had in de mogelijkheden om een doorstart tot een succes te maken. Echter toen de curator besloten heeft om het pand op slot te gooien, de server weg te halen zodat er geen afspraken meer konden worden afgezegd met prospects en mensen die zich hadden ingeschreven voor een seminar, het personeel naar huis werd gestuurd, de telefoon werd doorgeschakeld naar het kantoor van de curator waardoor alle potentiële cliënten en alle mensen die belden omdat zij voor een gesloten deur stonden een curator aan de lijn kregen, heeft de investeerder besloten om zich terug te trekken en niet te investeren in een doorstart, zie ook productie 4 bij de conclusie van antwoord. Met deze handelswijze heeft de curator de boedel grote schade toegebracht.

5.3 In reactie daarop heeft de curator betoogd dat [gedaagde 1] deze te algemene en door de curator ter comparitie betwiste stellingen over de twee volgens [gedaagde 1] externe hoofdoorzaken van het faillissement van HJC BV in het vervolg van de procedure onvoldoende nader heeft uitgewerkt en onvoldoende met verifieerbare bewijsstukken heeft onderbouwd ondanks de daartoe door de rechtbank in het tussenvonnis gegeven instructies, zodat reeds daarom de vorderingen moeten afgewezen. Verder betoogt de curator - sterk verkort weergeven - dat het hier geen externe oorzaken van de faillissementen betreft maar oorzaken die binnen de risicosfeer en invloedsfeer van [gedaagde 1] liggen waartegen [gedaagde 1] onvoldoende tijdige en adequate maatregelen heeft getroffen. Dit omdat geen redelijk handelend indirect en/of feitelijk bestuurder volgens de curator na het beweerde terugtrekken van de Freemont Group eind 2007 vanaf 2008 zou zijn doorgegaan met deze te kwetsbare financieringsstructuur van HJC BV en met het maken van te forse schulden zoals die blijken uit de aanzienlijke vorderingen die uiteindelijk in beide faillissementen zijn ingediend, en voorts met een onvoldoende deugdelijke administratie en een slecht debiteuren- en crediteurenbeheer, waarvan [gedaagde 1] volgens de curator ook nog eens persoonlijk heeft geprofiteerd. Volgens de curator had [gedaagde 1] voor de BV’s na 2007 andere structurele oplossingen moeten treffen en anders zo nodig veel eerder “de stekker eruit moeten trekken” dan [gedaagde 1] in feite heeft gedaan.

5.4 Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde 1] na het tussenvonnis van 22 februari 2012 onvoldoende aannemelijk gemaakt en onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat de door hem in algemene termen gestelde twee externe factoren belangrijke materiële externe oorzaken van het faillissement van HJC BV zijn geweest. Ook heeft [gedaagde 1] naar het oordeel van de rechtbank in het vervolg van deze procedure onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij als indirect en/of feitelijk bestuurder van HJC BV voldoende tijdige en passende maatregelen heeft genomen om die door hem geschetste twee externe bedreigingen voor het voortbestaan van HJC BV te lijf te gaan. Daartoe is het hierna volgende voor de rechtbank doorslaggevend.

5.5 De curator betoogt naar het oordeel van de rechtbank terecht dat de door [gedaagde 1] gestelde maar door de curator betwiste forse omzetdaling van HJC Dubai (Holding) door [gedaagde 1] in deze procedure niet is aangetoond en onvoldoende aannemelijk is gemaakt. [gedaagde 1] heeft van deze voor zijn verweer zeer relevante stelling immers onvoldoende inzichtelijk en verifieerbaar gemaakt, hoewel dat bij uitstek op zijn weg lag. De twee door [gedaagde 1] gestelde achterliggende hoofdoorzaken van deze door hem onvoldoende aangetoonde forse omzetdaling van HJC Dubai (Holding) - ten eerste de beweerde wanprestaties door de Sovereign Group en ten tweede de Nederlandse wetswijziging - liggen naar oordeel van de rechtbank bovendien in de risicosfeer van [gedaagde 1], omdat dit nu juist twee specifieke bedrijfsrisico’s voor zijn HJC Groep waren waartegen [gedaagde 1] als indirect bestuurder en/of feitelijk leidinggever van zijn Haagse representative office HJC BV tijdige en passende maatregelen had behoren te treffen. Dat heeft [gedaagde 1] echter niet of onvoldoende gedaan.

5.6 [gedaagde 1] ziet bij zijn betogen over de gestelde maar betwiste wanprestaties van de Sovereign Group over het hoofd dat hij zelf degene is geweest die namens HJC Dubai Holding deze voor zijn HJC Groep ongunstige exclusieve overeenkomst (productie 41 van de curator) met Sovereign Trust Gibraltar Ltd heeft uitgekozen en gesloten. [gedaagde 1] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom hij in 2008 niet andere voor het voortbestaan van HJC BV minder riskante overeenkomsten met concurrenten van de Sovereign Group zoals de Freemont Group kon sluiten, en voorts niet waarom [gedaagde 1] de ongunstige overeenkomst met de Sovereign Groep wegens de gestelde wanprestaties van Sovereign Group niet (tijdig) heeft ontbonden en alsnog naar een of meerdere concurrenten van de Sovereign Group is overgestapt voordat [gedaagde 1] de lening van Sovereign Group aan HJC Dubai Holding tegen 8% rente in 2010 had laten oplopen van € 250.000,- tot € 600.000,-.

5.7 Ook het zelf eerder vinden of doen vinden van een “oplossing” voor de komende Nederlandse wetswijziging die het voortbestaan van zijn HJC Groep bedreigde behoorde tot de primaire taken van [gedaagde 1] als feitelijk leidinggever van HJC BV en van de overige tot zijn HJC Groep behorende rechtspersonen. Daarmee heeft [gedaagde 1] echter te lang gewacht en dat heeft hij als feitelijk leidinggever van HJC BV naar het oordeel van de rechtbank te lang overgelaten aan de fiscaal jurist Hoogland van de Sovereign Groep, zonder dat [gedaagde 1] daarbij duidelijke afspraken maakte over de betaling van deze fiscaal jurist Hoogland van de Sovereign Group en vooral over de uiterste termijn binnen welke Hoogland met zijn “oplossing” voor de aangekondigde wetswijziging zou moeten komen.

5.8 De rechtbank moet met de curator concluderen dat [gedaagde 1] - in plaats van het treffen van tijdige en adequate maatregelen tegen de door hem gesignaleerde twee grote bedreigingen voor de HJC Groep en dus vooral ook voor representative office HJC BV - in de vanaf 2008 na het terugtrekken door de Freemont Group voor HJC BV ernstig verslechterde financieel-economisch situatie onverantwoord grote bedrijfsrisico’s heeft genomen, die geen enkel ander redelijk denkend en redelijk handelend bestuurder in de gegeven benarde omstandigheden voor HJC BV en voor haar potentiële schuldeisers zou hebben genomen. Daartoe overweegt de rechtbank in het bijzonder het hierna volgende.

Faillissement HJC BV: de overige twaalf door de curator gestelde interne hoofdoorzaken en de daartegen door [gedaagde 1] genomen maatregelen.

5.9 Naar het oordeel van de rechtbank betoogt de curator terecht dat als eerste belangrijke materiële en voor risico van [gedaagde 1] komende oorzaak van het faillissement moet worden aangemerkt dat [gedaagde 1] vanaf de evident verslechterde situatie in 2008 de te wankele financieringsstructuur van HJC BV als representative office in stand heeft gelaten. Daarmee heeft [gedaagde 1] naar het oordeel van de rechtbank vanaf 2008 een onverantwoord bedrijfsrisico genomen, omdat HJC BV sindsdien niet meer zoals voorheen kon rekenen op volledige betaling van al haar kosten door haar vroegere aandeelhoudster van de Freemont Group, maar voortaan volstrekt afhankelijk zou zijn van één nieuwe geldverstrekker HJC Dubai Holding Ltd van [gedaagde 1] zelf, die op haar beurt financieel en bedrijfsmatig volstrekt afhankelijk was van de prestaties van en de betalingen op langere termijn door haar enige geldverstrekker Sovereign Gibraltar. Dit hoewel tegelijkertijd alle forse onkosten van de HJC Groep van [gedaagde 1] zoals de kosten van zeven personeelsleden, reclamekosten, advocatenkosten, kosten van het monumentale huurpand van HJC BV op landgoed Marlot te Den Haag en overige representatiekosten onverminderd volledig voor rekening bleven komen van HJC BV, echter zonder enige zekerheidstelling door rechtspersonen behorend tot de HJC Groep en/of de Sovereign Group.

5.10 Een dergelijke de continuïteit bedreigende financieringsstructuur van HJC BV zou echter in die sinds 2008 ernstig verslechterde situatie - in de woorden van [gedaagde 1] zelf stond immers in augustus 2008 “het water al aan de lippen”, zie daartoe het citaat in de voorgaande alinea 5.2 - geen redelijk denkend en redelijk handelend bestuurder van HJC BV zijn aangegaan en/of hebben gehandhaafd. Dat kwalificeert zich naar het oordeel van de rechtbank als kennelijk onbehoorlijk bestuur van HJC BV. Zie daartoe ook de enigszins vergelijkbare feitelijke omstandigheden zoals die blijken uit de arresten van de Hoge Raad gepubliceerd in NJ 1997 nr. 360 en in NJ 2009 nr. 565. Daar komt nog bij dat [gedaagde 1] in dit geval bij de door hem gekozen wankele basis voor HJC BV als representative office ook meer oog lijkt te hebben gehad voor het voortbestaan en de toekomst van zijn HJC Groep als geheel en als concern dan voor de daarvan te onderscheiden belangen van HJC BV en haar schuldeisers waar het in een zaak over bestuurdersaansprakelijkheid na faillissement zoals deze primair om gaat; vergelijk daartoe het arrest van de Hoge Raad, gepubliceerd in NJ 2002 nr. 94.

5.11 Naar het oordeel van de rechtbank betoogt de curator ook terecht dat als tweede bijkomende belangrijke en voor risico van [gedaagde 1] komende oorzaak van het faillissement van HJC BV moet worden aangemerkt dat [gedaagde 1] persoonlijk heeft geprofiteerd van de door hem gekozen financieringsstructuur. [gedaagde 1] heeft in deze procedure immers geen steekhoudende verklaring gegeven voor de vaststaande feiten dat [gedaagde 1] ondanks de vanaf 2008 zorgelijke financiële omstandigheden van HJC BV ten eerste in juli 2009 aan zichzelf een 60% salarisverhoging heeft toegekend tot een jaarinkomen 2009 van totaal € 102.816,04 bruto (productie 73 van de curator) en dat [gedaagde 1] ten tweede aan zichzelf jaarlijks ook nog eens € 16.800,- netto liet uitkeren als “borgstellingsprovisie” door HJC Dubai Holding Ltd (productie 71 van de curator) in plaats van dit bedrag ten goede te laten komen aan de schuldeisers van HJC BV. Ook dit zijn naar het oordeel van de rechtbank handelingen die geen redelijk denkend en redelijk handelend bestuurder van HJC BV in de gegeven financieel benarde omstandigheden zou hebben verricht.

5.12 Ten derde moet de rechtbank met de curator constateren dat [gedaagde 1] vanaf 2008 is doorgegaan met het aangaan van onverantwoorde schulden door HJC BV in plaats van het terugbrengen van de forse kosten van HJC BV en/of het eerder aanvragen van het faillissement van HJC BV. Niet is immers gebleken van serieuze pogingen van [gedaagde 1] om te bezuinigen op de in de benarde situatie veel te forse kosten van HJC BV zoals personeelskosten en huurkosten, terwijl [gedaagde 1] zonder enig concreet vooruitzicht op verbetering wel relatief veel geld namens HJC BV bleef uitgeven aan de door hem onbetaald gelaten concurrente schuldeisers die in het faillissement van HJC BV door de curator zijn erkend, zoals meerdere advocatenkantoren, BNR Nieuwsradio en kort voor faillissement ook nog een relatief kostbare reclamecampagne voor de HJC Groep door de Ster. Ook dit nalaten en handelen van [gedaagde 1] als indirect bestuurder en/of feitelijk leidinggever van HJC BV kwalificeert de rechtbank als kennelijk onbehoorlijk bestuur en misbruik van HJC BV en haar met lege handen achtergelaten schuldeisers, dat de wetgever nu juist heeft beoogd te voorkomen met art. 2:248 BW.

5.13 [gedaagde 1] kan zich daarbij niet disculperen door te wijzen op de omstandigheid dat hij veel tijd en energie heeft gestoken in het vinden van een nieuwe investeerder. Dat ziet immers vooral op het redden van de HJC Groep als geheel, maar niet op het redden van HJC BV als zelfstandige rechtspersoon. Voorts moeten de door [gedaagde 1] in zijn productie 5 beschreven pogingen tot het vinden van een geschikte investeerder in de HJC Groep vanaf 2008 (zie daartoe de in alinea 5.2 geciteerde passages van [gedaagde 1] zelf) zonder nadere toelichtingen en onderbouwingen - die ontbreken - worden gekwalificeerd als in de gegeven omstandigheden onvoldoende en voorts onprofessioneel. Het contract met de late investeerder [A] waar [gedaagde 1] op hamert (producties 5 en 6 van [gedaagde 1]) is zoals de curator terecht betoogt slechts een in vage termen gestelde, niet bindende intentieovereenkomst. Daaruit volgt niet welke concrete bedragen op welke voorwaarden deze [A] namens Project Consultancy Ltd op welke wijze en op welke datum in HJC BV zou investeren. Ook volgt daaruit niet of, en zo ja op welke wijze deze [A] daartoe ook feitelijk in staat zou zijn geweest. Het is dan ook geenszins verwonderlijk dat de faillissementsrechter die in de Engelse taal gestelde onduidelijke intentieovereenkomst van 28 juni 2010 niet relevant heeft geacht voor haar beslissingen om ten eerste het faillissementverzoek van de belastingdienst niet zoals door [gedaagde 1] verzocht aan te houden en om ten tweede het faillissement van HJC BV kort daarna op 1 juli 2010 uit te spreken.

5.14 Ook betoogt [gedaagde 1] nog dat hij op het laatst bijna € 60.000,- privé geld in HJC BV heeft geïnvesteerd, althans aan HJC BV heeft geleend. De curator heeft daar echter terecht tegenin gebracht dat gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de curator in deze procedure door [gedaagde 1] onvoldoende concreet is gesteld en onvoldoende met verifieerbare bewijsstukken is aangetoond dat dit ook daadwerkelijk privé geld van [gedaagde 1] betrof. Ook deze onvoldoende onderbouwde stelling kan [gedaagde 1] in deze procedure dus niet baten, nog daargelaten de vraag of een eventuele late privé investering van

€ 60.000,- voldoende tegengewicht zou hebben gevormd om nog te kunnen ontkomen aan privé aansprakelijkheid van [gedaagde 1] wegens kennelijk onbehoorlijk bestuur van HJC BV.

5.15 De rechtbank moet bij deze stand van zaken oordelen dat alle bovenstaande voor risico en rekening van [gedaagde 1] komende feiten en omstandigheden meerdere vormen van materieel kennelijk onbehoorlijk bestuur door [gedaagde 1] van HJC BV opleveren, die in hun onderling verband beschouwd de belangrijkste rechtens relevante materiële oorzaken zijn geweest van het faillissement van HJC BV. Geconcludeerd moet dan ook worden dat [gedaagde 1] op grond van art. 2:248 BW aansprakelijk is voor het gehele tekort in het faillissement van HJC BV. De overige negen door de curator gestelde maar door [gedaagde 1] betwiste materiële oorzaken van dat faillissement kan en zal de rechtbank bij deze stand van zaken buiten beoordeling laten. Datzelfde geldt voor de door de curator gestelde maar door [gedaagde 1] betwiste tweede meer formele oorzaak, die zou bestaan uit het door [gedaagde 1] (doen) schenden van de administratieve verplichtingen van HJC BV zoals door de wetgever voorgeschreven in art. 2:10 BW. Over die laatste kwestie zal, naar de rechtbank uit de wederzijdse stellingen in deze civiele procedure begrijpt, de strafrechter nog moeten oordelen in de na de aangifte van de curator bij de FIOD nog tegen [gedaagde 1] bij deze rechtbank lopende strafzaak (zie nader de producties 64 t/m 66 van de curator).

Faillissement van HJC Beheer BV.

5.16 Het partijdebat over de belangrijke materiële oorzaken van het faillissement van HJC Beheer BV die het wettelijk bewijsvermoeden ten nadele van [gedaagde 1] eventueel nog zouden kunnen ontkrachten is na het tussenvonnis zeer summier gebleven en feitelijk ondergesneeuwd in het felle partijdebat over de oorzaken van het faillissement van HJC BV. HJC Beheer BV lijkt in feite ook een vennootschap te zijn die zowel binnen de HJC Groep als in de buitenwereld niet of nauwelijks bedrijfsactiviteiten ontplooide.

5.17 Als enige belangrijke materiële oorzaak van dit faillissement stelt [gedaagde 1] dat dit de curator zelf is, die volgens [gedaagde 1] als curator van HJC BV ten onrechte het faillissement van HJC Beheer BV heeft aangevraagd op basis van een verjaarde rekening-courant vordering. De curator betwist dit. Naar het oordeel van de rechtbank is het faillissement van HJC Beheer BV een rechtsfeit, waartegen voor [gedaagde 1] geen rechtsmiddelen meer open staan. Voorts heeft [gedaagde 1] onvoldoende aannemelijk en inzichtelijk gemaakt dat een belangrijke oorzaak van dit faillissement zou zijn dat de curator het faillissement zou hebben aangevraagd op basis van een verjaarde rekening-courant vordering van HJC BV op HJC Beheer BV. Bovendien geldt dat als dit al feitelijk juist zou zijn, het primair aan [gedaagde 1] moet worden verweten dat hij in dat geval als indirect en/of feitelijk bestuurder van HJC Beheer BV een verjaarde vordering in de administratie heeft laten staan en dus kennelijk de boekhoudplicht van art. 2:10 BW heeft geschonden. Met deze stelling - indien al feitelijk juist - kan [gedaagde 1] het wettelijk bewijsvermoeden van art. 2:248 BW wegens de vaststaande structurele schending van art. 2:394 BW dus uit de aard der zaak niet ontkrachten.

Slotoverwegingen en proceskosten.

5.18 De advocaat van [gedaagde 1] heeft ook nog een beroep gedaan op matiging van het bedrag van de eventuele aansprakelijkheid van [gedaagde 1] als bedoeld in lid 4 van art. 2:248 BW. De curator heeft daarop gereageerd met het verweer dat er geen aanleiding is om dit slechts in algemene termen gestelde en niet onderbouwde of nader toegelichte beroep op matiging te honoreren, mede gelet op in dit geval de aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling door [gedaagde 1] en op de overige maatstaven zoals daartoe bepaald door de wetgever in lid 4 van art. 248 BW. Omdat [gedaagde 1] daarna ook op dit geschilpunt niet meer inhoudelijk heeft gereageerd, ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding om over te gaan tot matiging van het bedrag van de aansprakelijkheid.

5.20 Al het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat de vorderingen van de curator grotendeels moeten worden toegewezen, met dien verstande dat de rechtbank ten aanzien van het faillissement van HJC Beheer BV in het licht van het partijdebat over de omvang van dat faillissementstekort het gevorderde voorschot van € 40.000,- niet toewijsbaar acht maar slechts een voorschot van € 30.000,-.

5.21 Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij moet [gedaagde 1] de proceskosten van de curator betalen inclusief de gevorderde beslagkosten en nakosten. De rechtbank begroot die kosten in dit geval op in totaal € 367,77 voor door de curator betaalde kosten deurwaarder, € 1.395,- voor door de curator betaalde griffierechten rechtbank en € 10.131,- voor forfaitair salaris advocaat, dat is in totaal dus € 11.893,77, nog te vermeerderen met de daarover gevorderde wettelijke rente en met € 68,- in geval van betekening van dit vonnis aan [gedaagde 1].

De beslissingen

De rechtbank:

- veroordeelt [gedaagde 1] om aan de curator op grond van art. 2:248 BW te betalen de bedragen gelijk aan de gehele faillissementstekorten van HJC BV en van HJC Beheer BV, die bedragen nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

- veroordeelt [gedaagde 1] om als voorschotten op die faillissementstekorten te betalen aan de curator van HJC BV een voorschotbedrag van € 300.000,- en aan de curator van HJC Beheer BV een voorschotbedrag van € 30.000,-;

- veroordeelt [gedaagde 1] om aan de curator te betalen een bedrag van in totaal € 11.893,77 voor proceskosten inclusief beslagkosten en nakosten, dat totaalbedrag te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van de 15de dag na dit vonnis, en met € 68,- in geval van betekening van dit vonnis aan [gedaagde 1];

- verklaart dit vonnis tot zover zoveel als mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het door de curator meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. H. Wien, mr. L. Alwin en mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op woensdag 10 juli 2013.