Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:8256

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2013
Datum publicatie
29-07-2013
Zaaknummer
AWB-11_447
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

De rechtbank kan in de reactie van verweerder niet anders lezen dan een weigering om terug te komen van het bestreden besluit van 9 december 2010. Deze weigering wordt ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, ex nunc meegenomen in de huidige procedure. Dit maakt dat de rechtbank alle namens eiser ondernomen pogingen om eiser te laten registreren als Marokkaans staatsburger meeweegt in haar oordeelsvorming.

De weigering van de Marokkaanse consul om de aanvraag om inschrijving van eiser door te geleiden naar de procureur des konings van de rechtbank van eerste aanleg van Rabat houdt naar het oordeel van de rechtbank dan ook een schending van het IVRK en de Marokkaanse wet in.

Alle omstandigheden in overweging nemende komt de rechtbank, oordelende ex nunc, tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat het eiser toe te rekenen is dat hij niet door middel van een schriftelijke verklaring van de Marokkaanse autoriteiten kan aantonen dat hij niet in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd waarom de pogingen die namens eiser ondernomen zijn niet als genoegzaam bewijs kunnen gelden voor de omstandigheid dat de Marokkaanse autoriteiten niet meewerken. Daarnaast heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank, zelfs in de hier geboden terughoudende toetsing, bezien in het licht van artikel 3 van het IVRK, onvoldoende rekenschap gegeven van de in dit geval zeer zwaarwegende belangen van eiser.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:18
Algemene wet bestuursrecht 6:19
Verdrag inzake de rechten van het kind 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/447

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2013 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [nummer], minderjarig, vertegenwoordigd door zijn wettelijk vertegenwoordiger [referente],

(gemachtigde: mr. P.W. Altenburg),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, voorheen de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie, verweerder.

Procesverloop

Eiser is in Nederland geboren op [datum] 2008. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.


Bij brief van 23 april 2010 heeft de moeder van eiser, [referente], namens eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Op deze aanvraag is door verweerder op 27 juli 2010 afwijzend beslist. Namens eiser is tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Bij besluit van 9 december 2010 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 5 januari 2011 is namens eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij fax van 1 februari 2011 zijn namens eiser de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft op 8 juni 2011, 4 april 2012 en 17 januari 2013 plaatsgevonden. De rechtbank heeft tijdens deze openbare behandelingen het beroep geschorst. Partijen hebben op verzoek van de rechtbank verschillende aanvullingen en toelichtingen gegeven op hun standpunt.

Op 7 mei 2013 heeft de rechtbank partijen laten weten dat het vooronderzoek afgerond is.

Partijen hebben vervolgens toestemming gegeven om zonder nadere zitting uitspraak te doen in het beroep van eiser. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1

Namens eiser is gesteld dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte zijn standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘gezinshereniging bij ouder’, heeft gehandhaafd. Daartoe is onder meer aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit vrijstelling had dienen te verlenen van het paspoortvereiste. De gevolgen van het besluit zijn nu onevenredig zwaar voor zowel eiser als referente. Dit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Referente verblijft sinds haar negende levensjaar in Nederland en kreeg een relatie met [A], een illegaal in Nederland verblijvende Marokkaanse man. Uit deze relatie is eiser geboren. De vader van eiser heeft zijn zoon alleen erkend voor de Nederlandse wet. Eiser heeft bij geboorte van zijn Marokkaanse moeder de Marokkaanse nationaliteit verkregen maar de Marokkaanse autoriteiten zijn niet bereid eiser bij te schrijven op het paspoort van referente, nu de vader van eiser niet meewerkt aan het erkennen van eiser bij de Marokkaanse autoriteiten. Ondanks eerdere mondelinge toezeggingen van de Marokkaanse autoriteiten dat eiser op de achternaam van referente ingeschreven kon worden, mits de broer van referente daartoe zijn toestemming zou geven, werd de registratie toch geweigerd nadat deze toestemming was verkregen. Omdat de vader van eiser wel bekend is voor de Nederlandse wet, en derhalve niet onbekend is, eisen de Marokkaanse autoriteiten medewerking van eisers vader bij de registratie van eiser.

Verweerder stelt ten onrechte dat eiser in staat is af te reizen naar Marokko om aldaar de afgifte van een geldig document voor grensoverschrijding te bewerkstelligen. Eiser zal echter geen toegang krijgen tot het land, nu hij geen reisdocument heeft en door de Marokkaanse autoriteiten niet wordt erkend dat eiser de Marokkaanse nationaliteit heeft.

Referente heeft zich vele malen tot het Marokkaanse consulaat-generaal te Amsterdam (hierna: consulaat) gewend voor een geldig document voor grensoverschrijding voor eiser. Van deze pogingen zijn geen documenten opgemaakt. Dat maakt echter nog niet dat het onaannemelijk is dat het consulaat niet meewerkt. Zoals verweerder bij brieven van 15 en 22 maart 2013 heeft erkend, leveren contacten met de Marokkaanse autoriteiten geen op schrift gestelde standpunten op.

De door verweerder genoemde voorwaarden voor het verkrijgen van een internationale geboorteakte zijn niet op het geval van eiser van toepassing. Bij eiser is immers geen sprake van een onbekende vader maar van een vader die niet wenst mee te werken. De Marokkaanse autoriteiten eisen dat de vader van eiser alsnog meewerkt. Daarnaast heeft referente haar in Marokko woonachtige vader meer dan vijftien jaar geleden voor het laatst gezien en sindsdien geen contact meer met hem gehad.

Referente is voorts van oordeel dat het weigeren van de verblijfsvergunning aan eiser strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM. Referente verblijft zoals gezegd vanaf haar negende levensjaar in Nederland en voelt zich volkomen Nederlands. Het grootste deel van referentes familie is ook in Nederland woonachtig. Verweerder beweert ten onrechte dat referente in Marokko is geworteld. Tot slot is er sprake van strijd met het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK).

2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor de gevraagde vergunning in aanmerking komt, omdat hij niet voldoet aan het paspoortvereiste.

Referente heeft niet aangetoond dat eiser niet in het bezit gesteld kan worden van een geldig document voor grensoverschrijding. Gebleken is dat er verschillende procedures mogelijk zijn ten einde eiser in de Marokkaanse burgerlijke stand in te laten schrijven. Verweerder stelt zich op het standpunt dat referente zich niet tot het uiterste ingespannen heeft deze inschrijving te realiseren. Verweerder heeft hierbij gewezen op de omstandigheid dat in deze zaak de ex-tunc toets aan de orde is vanaf het moment dat de zaak zich in de beroepsfase bevond. Verweerder wijst voorts op het onderscheid tussen de inschrijving van de geboorte van eiser op basis van de achternaam van zijn vader of op basis van de achternaam van referente.

3

Ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000, wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder beperkingen verleend, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Daarbij is bepaald dat aan de vergunning voorschriften kunnen worden verbonden.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.

Op grond van artikel 3.13, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming, verleend aan het in artikel 3.14 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 genoemde voorwaarden.

Op grond van artikel 3.23, eerste lid, van het Vb 2000 wordt een verblijfsvergunning verleend aan de in Nederland geboren vreemdeling, die het hoofdverblijf niet buiten Nederland heeft verplaatst en die naar het oordeel van de Minister is blijven behoren tot het in Nederland gevestigde gezin van de ouder, die rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Ingevolge het vierde lid, onder b, van die bepaling geldt als voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of dat hij naar het oordeel van de Minister heeft aangetoond niet in het bezit van dit document te kunnen worden gesteld.



Ingevolge artikel 3.72 van het Vb 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, niet op grond van artikel 16, eerste lid, onder b, van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling naar het oordeel van de minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

In de ten tijde van het bestreden besluit geldende paragraaf B2/5.11 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 staat dat artikel 3.23 van het Vb 2000 een bijzondere regeling bevat voor kinderen die in Nederland dan wel tijdens kort verblijf buiten Nederland zijn geboren uit niet-Nederlandse ouders van wie ten minste één houder is van een verblijfsvergunning voor (on)bepaalde tijd. De verblijfsvergunning wordt verleend aan het in Nederland geboren kind, indien, voor zover hier van belang, het kind beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, of heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld (zie paragraaf B1/4.2 van de Vc 2000), waarbij kan worden volstaan met bijschrijving in het paspoort van de ouder.

Het ten tijde van het bestreden besluit geldende beleid, zoals neergelegd in paragraaf B1/4.2 van de Vc 2000, vereist dat het feit dat de vreemdeling vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld, wordt aangetoond aan de hand van een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van dat land, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. Indien een dergelijke verklaring niet door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in Nederland wordt afgegeven en de vreemdeling ook overigens geen genoegzaam bewijs kan leveren, dient de vreemdeling in beginsel naar zijn land van herkomst terug te reizen om daar de afgifte van een geldig document voor grensoverschrijding te bewerkstelligen.

4

Uit de uitspraak van de AbRS van 7 februari 2012 (LJN: BV3716) volgt dat artikel 3 van het IVRK rechtstreekse werking heeft in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat het eerste lid van artikel 3 van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient door de bestuursrechter in dit verband te worden getoetst of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.

In artikel 7, eerste lid, van het IVRK is bepaald dat het kind onmiddellijk na de geboorte wordt ingeschreven en vanaf de geboorte het recht heeft op een naam, het recht een nationaliteit te verwerven en, voor zover mogelijk, het recht zijn of haar ouders te kennen en door hen te worden verzorgd.

In het tweede lid is bepaald dat de Staten die partij zijn, de verwezenlijking van deze rechten waarborgen in overeenstemming met hun nationale recht en hun verplichtingen krachtens de desbetreffende internationale akten op dit gebied, in het bijzonder wanneer het kind anders staatloos zou zijn.

5.1

De rechtbank overweegt het volgende

5.2

Tussen partijen is in geschil of namens eiser voldoende aannemelijk gemaakt is dat eiser niet in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding gesteld kan worden. De rechtbank zal beoordelen of verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat referente zich niet tot het uiterste ingespannen heeft dit te realiseren. Daarbij wenst de rechtbank vooraf op te merken dat de norm, neergelegd in artikel 3 van het IVRK, ook geldt voor de rechtbank. De rechtbank heeft dan ook getracht om in het belang van eiser in deze zaak te komen tot een finale beslechting van het bestaande geschil door duidelijkheid te verkrijgen over de (gestelde) Marokkaanse nationaliteit van eiser. In dit verband heeft de rechtbank getracht om door middel van verscheidene heropeningen van het vooronderzoek, en het geven van opdrachten aan partijen, duidelijkheid te verkrijgen over de nationaliteit van eiser.

5.3

De rechtbank stelt vast dat in de onderhavige procedure de volgende pogingen ondernomen zijn om aan het paspoortvereiste te voldoen.

In eerste instantie zijn namens eiser tot driemaal toe pogingen op het consulaat ondernomen om eiser bij te laten schrijven in het paspoort van referente. De Marokkaanse autoriteiten weigerden dit en weigerden ook om de weigering op schrift te stellen. Na de eerste behandeling van het beroep op 8 juni 2011 heeft de gemachtigde van eiser, op verzoek van de rechtbank, een brief opgesteld waarin aan het Marokkaanse consulaat twee handelwijzen werden voorgelegd. Een is de mogelijkheid dat eiser kan worden bijgeschreven in het paspoort van referente als zij een internationale geboorteakte en een handtekening van een mannelijke familieoudste ter erkenning van eiser overlegt. De tweede is dat het Marokkaanse consulaat gewezen wordt op de verplichtingen van Marokko als partij bij het IVRK. Hierop is geen schriftelijke reactie van het consulaat gevolgd. Na twee volgende bezoeken heeft referente een ongedateerde verklaring van het consulaat meegekregen met de mogelijkheden tot inschrijving. Vervolgens is het beroep wederom op zitting behandeld, nu op 4 april 2012. De rechtbank is destijds ambtshalve bekend geraakt met informatie van het Marokkaanse consulaat-generaal in Rotterdam. Blijkens deze informatie is het mogelijk voor een niet gehuwde Marokkaanse vrouw om voor haar kind zelf een procedure tot erkenning te volgen, waarbij een nationaliteitsbewijs aangevraagd kan worden bij de procureur des konings van de rechtbank van eerste aanleg van Rabat (hierna: Rabat-procedure). Gebleken is echter, hoewel de Marokkaanse autoriteiten dit niet op schrift willen stellen, dat doorgeleiding van deze aanvraag die bij het consulaat wordt gedaan, alleen plaatsvindt met toestemming van de biologische vader van eiser. Deze laatste wil zijn medewerking alleen verlenen als referente met hem in het huwelijk wil treden, waarna hij voor legaal verblijf in Nederland in aanmerking komt. Referente is niet bereid op die eis in te gaan. Ook de poging die verweerder naar aanleiding van de behandeling van het beroep ter zitting op 17 januari 2013 ondernomen heeft om een inhoudelijke mededeling over de zaak (op schrift) te krijgen bij het Marokkaanse consulaat is op niets uitgelopen. De rechtbank kan derhalve vaststellen dat het vrijwel onmogelijk is om met documenten te onderbouwen dat de Marokkaanse autoriteiten eiser niet willen inschrijven als Marokkaans staatsburger, waarna hij in het paspoort van zijn moeder kan worden bijgeschreven.

5.4

De rechtbank heeft verweerder bij brief van 15 april 2013 de vraag gesteld of het eiser nog in redelijkheid tegengeworpen kan worden dat hij niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, nu is gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten, ondanks daartoe door verweerder te zijn verzocht, zich niet uitlaten over de Marokkaanse nationaliteit van eiser. Voorts heeft de rechtbank verweerder verzocht om per ommegaande aan te geven of hij, de huidige stand van zaken in aanmerking nemende, aanleiding ziet om eiser alsnog in het bezit van een verblijfsvergunning te stellen. Verweerder heeft bij fax van 26 april 2013 laten weten dat de omstandigheid dat verweerder niet inhoudelijk te woord werd gestaan geen reden vormt om thans af te zien van het paspoortvereiste.

De rechtbank kan in de reactie van verweerder niet anders lezen dan een weigering om terug te komen van het bestreden besluit van 9 december 2010. Deze weigering wordt ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, ex nunc meegenomen in de huidige procedure. Dit maakt dat de rechtbank alle namens eiser ondernomen pogingen om eiser te laten registreren als Marokkaans staatsburger meeweegt in haar oordeelsvorming.

5.5

De rechtbank stelt voorop dat de belangen van eiser, als niet door de Marokkaanse autoriteiten als Marokkaan erkende minderjarige jongen, zeer zwaar wegen, nu hij in feite staatloos is en daardoor in de samenleving allerlei problemen en beperkingen ondervindt. De rechtbank heeft aanwijzingen dat eiser daadwerkelijk de Marokkaanse nationaliteit bezit. Daarbij wijst de rechtbank onder meer op het Marokkaanse familierecht dat via de website van het Marokkaanse consulaat-generaal te Rotterdam te raadplegen. Een uitdraai van deze site is achter het proces-verbaal van de zitting van 4 april 2012 gevoegd. Artikel 6 van de wet omtrent de nationaliteit die onlangs gewijzigd is door wet nr. 62/06 van 2 april 2007 bepaalt dat “Elk kind met een Marokkaanse vader of moeder de Marokkaanse nationaliteit heeft.” Verder laat de site weten dat elk kind van een Marokkaanse moeder de Marokkaanse nationaliteit kan verkrijgen en ingeschreven kan worden in de registers van de Marokkaanse burgerlijke stand. De rechtbank gaat er van uit dat deze informatie over de toepasselijke Marokkaanse wetgeving, gelet op de bron, juist en volledig is.

De weigering van de Marokkaanse consul om de aanvraag om inschrijving van eiser door te geleiden naar de procureur des konings van de rechtbank van eerste aanleg van Rabat houdt naar het oordeel van de rechtbank dan ook een schending van het IVRK en de Marokkaanse wet in. Eiser wordt immers door de Marokkaanse consulaire autoriteiten in Nederland de facto de mogelijkheid onthouden via de Rabat-procedure zijn Marokkaanse nationaliteit

- een rechtsfeit in de zin van artikel 6 van de Marokkaanse wet omtrent de nationaliteit - te doen vaststellen doordat in weerwil van de aangehaalde bepaling van de Marokkaanse wet daarvoor de toestemming van eisers biologische vader wordt geëist. De rechtbank vermag niet in te zien welke andere of meer activiteiten (referente voor) eiser nog meer zou moeten of kunnen ondernemen om de Marokkaanse consulaire autoriteiten in Nederland tot een andere opstelling te bewegen.

Alle omstandigheden in overweging nemende komt de rechtbank, oordelende ex nunc, tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat het eiser toe te rekenen is dat hij niet door middel van een schriftelijke verklaring van de Marokkaanse autoriteiten kan aantonen dat hij niet in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld. Verweerder heeft onvoldoende onderbouwd waarom de pogingen die namens eiser ondernomen zijn niet als genoegzaam bewijs kunnen gelden voor de omstandigheid dat de Marokkaanse autoriteiten niet meewerken. Daarnaast heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank, zelfs in de hier geboden terughoudende toetsing, bezien in het licht van artikel 3 van het IVRK, onvoldoende rekenschap gegeven van de in dit geval zeer zwaarwegende belangen van eiser.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Het beroep wordt daarom gegrond verklaard. Hetgeen overigens in beroep is aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking. Verweerder zal opnieuw op het bezwaar moeten beslissen, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

6

Het beroep is derhalve gegrond.

7

De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.416,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het voor de eerste maal verschijnen ter zitting en tweemaal 0,5 punt voor het verschijnen op twee opvolgende zittingen, met een waarde per punt van € 472,-).

Beslissing

De rechtbank

1

verklaart het beroep gegrond;

2

vernietigt het bestreden besluit;

3

bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar neemt;

4

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.416,-;

5

gelast verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht van € 150,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.H.B. Sentrop, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Badermann, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (nadere informatie: www.raadvanstate.nl)