Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:8230

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-07-2013
Datum publicatie
16-07-2013
Zaaknummer
443271
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Rekestnummer: JE RK 13-1299

Zaaknummer: C/09/443271

Datum beschikking: 1 juli 2013

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op het op 22 mei 2013 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord, locatie Den Haag (verder: de Raad),

met betrekking tot de minderjarigen:

1.

[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 1996 te [geboorteplaats 1];

2.

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2006 te [geboorteplaats 2];

kinderen van:

[mevrouw],

de moeder,

wonende te[woonplaats],

die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.

De minderjarige sub 1 verblijft feitelijk in een kamertrainingscentrum, de minderjarige sub 2 verblijft feitelijk bij de moeder.

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift met als bijlage het raadsrapport d.d. 13 mei 2013 (kenmerk SK-1-HFHWV4).

  • -

    het verweerschrift.

Op 1 juli 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • -

    [de heer x] namens de Raad;

  • -

    de moeder met haar advocaat, mr. M.C. Carli-Lodder, kantoorhoudende te Den Haag;

  • -

    [mevrouw y] namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden.

De minderjarige sub 1 is op 21 juni 2013 in raadkamer gehoord.

Verzoek en verweer

Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van voornoemde minderjarigen voor de periode van één jaar en tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing met betrekking tot voornoemde minderjarige sub 1.

De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

De Raad heeft het verzoek – verkort weergegeven – als volgt onderbouwd. Er bestaan al enige tijd zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling van zowel de minderjarige sub 1 als de minderjarige sub 2. Hulpverlening in het vrijwillig kader is tot nu toe onvoldoende op gang gekomen. Volgens de Raad kampt de moeder met psychische problemen, vertoont zij onvoorspelbaar gedrag en heeft zij een ambivalente houding jegens de hulpverlening. De Raad vraagt zich af of zij op dit moment in staat is om een veilige, stabiele opvoedingsomgeving te bieden. De situatie tussen haar en de minderjarige sub 1 is begin dit jaar geëscaleerd door een geweldsincident waarbij de minderjarige sub 1 de moeder heeft geslagen. De moeder toont weinig inzicht in haar eigen aandeel in de problematiek die tot het incident heeft geleid en legt de schuld vooral neer bij de minderjarige sub 1. Na het incident heeft de minderjarige sub 1 het huis verlaten en hij woont thans in een kamertrainingscentrum. Aangenomen moet worden dat de minderjarige sub 2 veel last heeft gehad van de oplopende spanningen thuis. Op dit moment mist zij haar broer met wie zij een goede band heeft. De indruk bestaat dat zij door de moeder gebruikt wordt om weer met de minderjarige sub 1 in contact te komen en dat de minderjarige sub 2 min of meer klem zit in deze situatie.

De Raad heeft ter zitting verklaard dat de moeder de afgelopen periode meer open lijkt te staan voor de hulpverlening, hetgeen wellicht te verklaren is doordat de Raad het onderhavige verzoek heeft ingediend.

Van de zijde van de moeder is geen verweer gevoerd tegen het verzoek met betrekking tot de minderjarige sub 1; zij voert wel verweer tegen het verzoek met betrekking tot de minderjarige sub 2.

Zij betreurt het dat de situatie tussen haar en haar zoon geëscaleerd is, maar zij beschouwt dat als een op zichzelf staand incident. Het beeld dat de Raad in de stukken van haar schetst strookt volgens de moeder niet met de werkelijkheid, zoals de – mate van – psychische problematiek waarmee zij zou kampen, de stelling dat zij geen bemoeienis meer wenst met de minderjarige sub 1 en de stelling dat zij de hulpverlening heeft afgehouden. Er is door de hulpverlenende instanties, met name door Bureau Jeugdzorg, tot nu toe niet goed met haar gecommuniceerd wat er onder meer toe heeft geleid dat zij tot op heden geen contact heeft met de minderjarige sub 1. De moeder beschouwt zichzelf als een goede en betrokken moeder. Ondanks de problemen tussen haar en de minderjarige sub 1 heeft zij hem wel zodanig gestimuleerd dat hij nu behoorlijk zelfstandig is en dat hij zijn opleiding heeft afgemaakt. De moeder heeft zich inmiddels op eigen initiatief aangemeld bij de opvoedpoli ten behoeve van de minderjarige sub 2 en zij heeft voor zichzelf gesprekken aangevraagd bij de GGZ. Zij hoopt dat een gezinscoach haar zal kunnen helpen en ondersteunen met de zorg voor de minderjarige sub 2 en wellicht kan bijdragen aan een verzoening tussen haar en de minderjarige sub 1. De moeder ziet geen reden voor een ondertoezichtstelling van de minderjarige sub 2. De zorgen die er zijn, concentreren zich slechts op de relatie tussen de moeder en de minderjarige sub 1.

De kinderrechter overweegt als volgt.

Ten aanzien van de minderjarige sub 1 is de kinderrechter, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:254, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn.

Voorts is de kinderrechter van oordeel dat de in artikel 1:261, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor een machtiging tot uithuisplaatsing aanwezig zijn. De minderjarige bevindt zich reeds in een kamertrainingscentrum en maakt daar een goede ontwikkeling door. Gelet op de onderhavige situatie, die met de machtiging uithuisplaatsing wordt bestendigd, is het doel van de kinderbeschermingsmaatregelen met name gelegen in het vergroten van de zelfstandigheid (zelfredzaamheid) van de minderjarige. De gezinsvoogd kan echter ook hulp bieden bij contactherstel tussen de minderjarige sub 1 en de moeder en de minderjarige sub 2. De kinderrechter zal de verzochte maatregelen derhalve toewijzen tot 23 april 2014, het moment dat de minderjarige achttien jaar oud wordt.

Ten aanzien van de minderjarige sub 2 overweegt de kinderrechter dat er mogelijk zorgen zijn over haar ontwikkeling, maar dat de kinderrechter aanleiding ziet het verzoek voor zes maanden pro forma aan te houden zodat de moeder in de gelegenheid wordt gesteld aan de slag te gaan met de reeds door haar ingeschakelde hulpverlening in het vrijwillig kader. De kinderrechter verzoekt de Raad zich uiterlijk drie weken voor na te noemen datum schriftelijk uit te laten over de stand van zaken.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

stelt de minderjarige sub 1 van 1 juli 2013 tot 23 april 2014 onder toezicht van de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg;

en

machtigt de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden, de minderjarige sub 1 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 1 juli 2013 tot 23 april 2014, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 6 maart 2013 en verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt het verzoek voor het overige aan tot

1 januari 2014 PRO FORMA;

verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming zich tijdig, doch uiterlijk 21 dagen voor voornoemde datum uit te laten over de stand van zaken met betrekking tot de minderjarige sub 2;

bepaalt dat – voor zover de Raad het verzoek handhaaft – ná ontvangst van de reactie van de Raad en nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld om daarop binnen veertien dagen schriftelijk te reageren, de behandeling ter terechtzitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet;

gelast de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling ter terechtzitting op te roepen.

Deze beschikking is gegeven door mr. P. de Haan, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 juli 2013, in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof te

’s-Gravenhage.