Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:7856

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-07-2013
Datum publicatie
16-07-2013
Zaaknummer
AWB-13_4091
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ontslag wegens wangedrag. Vast staat dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat verzoeker aan de opeenstapeling van keuzes die ten aanzien van hem zijn gemaakt, waardoor hij zijn carrière heeft kunnen voortzetten alsof er geen disciplinair traject gaande was, het gerechtvaardigde vertrouwen heeft mogen ontlenen dat hem geen ontslag zou worden verleend.

Wetsverwijzingen
Algemeen militair ambtenarenreglement 39
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/4091 MAW

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2013 op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[verzoeker] , te [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. R. Radema),

ten aanzien van het besluit van 23 april 2013 van de Minister van Defensie, verweerder, waarbij aan verzoeker met ingang van 1 juni 2013 ontslag is verleend wegens wangedrag .

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 21 mei 2013 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter, bij brief van 22 mei 2013, verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 18 juni 2013 ter zitting behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Namens verweerder zijn mr. E.C.H. Pot en mr. H.M. Bot verschenen.

IOverwegingen

1.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2 Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

2.1 Verzoeker is sinds 31 oktober 2011 werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee, voordien was hij werkzaam bij het Korps Mariniers. Verzoeker had een fase 3 aanstelling. Verzoeker was laatstelijk werkzaam als Medewerker [functie] bij de Brigade Speciale Beveiligingen (BSB), in de rang van wachtmeester.

2.2 Van 30 juni 2012 tot en met 28 augustus 2012 is verzoeker uitgezonden geweest naar Afghanistan.

2.3 In de nacht van 30 op 31 augustus 2012 heeft een incident in Utrecht plaatsgevonden. Verzoeker was recent terug gekeerd van een uitzending naar Afghanistan en vierde zijn terugkomst met vier vrienden door uit te gaan. Verzoeker heeft nadat hij een discotheek had bezocht, na een korte onderhandeling, een fiets van een junk gekocht voor
€ 7,-. De politie heeft dit geconstateerd door middel van camerabeelden en getuigen. Verzoeker heeft vervolgens getracht de dienstdoende politieagenten te ontlopen en zich, in het bijzijn van omstanders, meerdere malen zeer onheus uitgelaten naar de politieagenten. Verzoeker is uiteindelijk vrijwillig mee gegaan naar het politiebureau voor een gesprek.

2.4 Daags na het incident heeft de Commandant BSB een stevig gesprek gevoerd met verzoeker. Op een later moment heeft deze Commandant verzoeker een educatieve maatregel opgelegd.

2.5 Op 17 september 2012 is verzoeker gehoord door rapporteurs van de KMar, Sectie Interne Onderzoeken (SIO).

2.6 Van 20 oktober 2012 tot en met 13 november 2012 is verzoeker voor de tweede maal naar Afghanistan uitgezonden geweest.

2.7 Na terugkomst van verzoekers tweede uitzending heeft de Commandant BSB verzoeker medegedeeld dat hij in het kader van de hem opgelegde educatieve maatregel twee maal drie weken zou worden geplaatst bij de KMar Brigade te [plaats], in de “blauwe dienst”.

2.8 Bij brief van 2 november 2012 is verzoeker uitgenodigd om naar aanleiding van een melding van de SIO ter zake van heling en bejegening van politieambtenaren te worden gehoord teneinde te onderzoeken of er jegens verzoeker rechtspositionele maatregelen dienen te worden genomen, waarbij is medegedeeld dat die maatregelen onder andere uit een schorsing kunnen bestaan. Dit gesprek heeft op 22 november 2012 plaatsgevonden. Na dit gesprek heeft de Commandant besloten verzoeker niet te schorsen.

2.9 Bij brief van 11 december 2012 is verzoeker wederom uitgenodigd om naar aanleiding van diezelfde melding te worden gehoord teneinde te onderzoeken of er jegens verzoeker rechtspositionele maatregelen dienen te worden genomen, waarbij is medegedeeld dat die onder andere uit een ambtsbericht of ontslag kunnen bestaan. Dit gesprek heeft op 20 december 2012 plaatsgevonden.

2.10 Op 28 januari 2013 is verzoeker het tweede deel van zijn opleiding tot (bijzonder) opsporingsambtenaar aangevangen.

2.11 Direct na ontvangst van het bestreden besluit is verzoeker vrijgesteld van werk.

2.12 Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoeker wordt verweten dat hij zich ten tijde van het incident dusdanig normafwijkend heeft gedragen dat dit niet kan worden getolereerd. Verweerder weegt hierbij mee dat het niet om één enkel incident gaat, maar een optelsom van misdragingen, die verspreid over de nacht hebben plaatsgevonden. Verzoeker heeft meerdere momenten gehad om tot inkeer te komen en zijn houding en gedrag bij te stellen. Verzoeker heeft dit niet gedaan. Dat verzoeker zijn misdragingen heeft gepleegd onder invloed van alcohol levert wellicht een verklaring op, maar geen excuus. Verweerder rekent het verzoeker zwaar aan dat hij collega’s van de politie heeft tegengewerkt en weerstand en onbegrip ten aanzien van het politieoptreden onder omstanders heeft gecreëerd. Hierbij speelt een belangrijke rol dat verzoeker zich als een collega van de politieagenten heeft kenbaar gemaakt.

Verweerder merkt verzoekers gedrag aan als wangedrag buiten de dienst dat niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt. Bij het bestreden besluit heeft verweerder meegewogen dat de procedure meer tijd in beslag heeft genomen dan wenselijk is, dat verzoeker reeds een educatieve maatregel is aangezegd en dat niet tot een schorsing is overgegaan. Verweerder betwist dat bij verzoeker de indruk zou kunnen zijn ontstaan dat er geen nadere maatregelen, zoals ontslag, zouden worden genomen.

3

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het opleggen van het ontslag wegens wangedrag in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Verzoeker betwist niet dat hij zich aan de verweten gedragingen schuldig heeft gemaakt. Verzoeker stelt echter dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij niet ontslagen zou worden. De Commandant heeft verzoeker een educatieve maatregel opgelegd, die verzoeker al deels heeft ondergaan. Bovendien stelt verzoeker dat de Commandant BSB zou hebben gezegd dat “het bijna niets scheelde of hij was ontslagen geweest”. Voorts is verzoeker niet geschorst, is hij opnieuw uitgezonden en is hij opleidingen begonnen, zoals het Gereedstellingsprogramma voor uitzending en de opleiding tot algemeen opsporingsambtenaar.

Verzoeker stelt ten slotte dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat hij kort voor het incident terugkwam van een uitzending naar Afghanistan, hij een transactie ter zake van de aankoop van de fiets heeft aanvaard en hij een excuusbrief heeft geschreven aan de politieambtenaren die bij het incident betrokken waren.

4

In artikel 39, tweede lid, aanhef en onderdeel l, van het AMAR is bepaald dat aan de militair ontslag kan worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor zijn dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

5

Volgens vaste rechtspraak hanteert de Centrale Raad van Beroep ten aanzien van disciplinaire straffen in ambtenarenzaken de toetsingsmaatstaf dat het plichtsverzuim dient vast te staan, dat het plichtsverzuim de ambtenaar moet zijn toe te rekenen en dat de opgelegde straf evenredig dient te zijn aan de ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Deze maatstaf wordt in de rechtspraak evenzeer aangewezen geacht voor een geval als dit waarin sprake is van een ontslag dat is gebaseerd op wangedrag.

Een ontslag op grond van wangedrag met alle gevolgen van dien is voorts een zodanig zware maatregel dat daartoe slechts kan worden overgegaan indien de feiten die aan het ontslag ten grondslag worden gelegd, niet voor gerede twijfel vatbaar zijn.

6.1

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker niet betwist dat hij zich in de nacht van 30 op 31 augustus 2012 ernstig heeft misdragen door onder dubieuze omstandigheden een fiets te kopen en door zich zeer onwelgevallig uit te laten tegen dienstdoende politieagenten. Gelet op het vorenstaande staat vast dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag, hetgeen niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

6.2

Niet gebleken is dat de gedragingen waaraan verzoeker zich schuldig heeft gemaakt hem niet kunnen worden toegerekend. Het feit dat verzoeker recent was teruggekeerd uit Afghanistan en het feit dat verzoeker te veel alcohol had gedronken zijn wellicht verklaringen, maar zeker geen excuus.

6.3

Ter beoordeling is de vraag of verzoeker er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat aan hem geen ontslag zou worden verleend. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het door verweerder overgelegde e-mail bericht van 29 mei 2013, van verzoekers Commandant, niet blijkt dat hem toezeggingen zijn gedaan dat hij niet zou worden ontslagen. Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken en hetgeen ter zitting is gezegd is wel gebleken dat verzoeker door zijn Commandant een educatieve maatregel is opgelegd ter lering van het incident, dat verzoeker in de periode van 20 oktober 2012 tot en met 13 november 2012 voor de tweede maal naar Afghanistan is uitgezonden, dat verzoeker op 28 januari 2013 is begonnen met het tweede deel van zijn opleiding tot (bijzonder) opsporingsambtenaar en dat verzoeker een gereedstellingsprogramma voor een derde uitzending heeft gevolgd. Voorts heeft verweerder ter zitting medegedeeld dat intern een stevige discussie is gevoerd over de vraag welke rechtspositionele maatregelen ten aanzien van verzoeker diende te worden genomen. Verzoekers Commandant was het bevoegd gezag met betrekking tot het al dan niet opleggen van een schorsing. De Commandant heeft er welbewust voor heeft gekozen verzoeker niet te schorsen. Volgens verweerder heeft de Commandant – vooruitlopend op een mogelijke uitkomst, namelijk het opleggen van een ambtsbericht – keuzes gemaakt die verweerder onder de gegeven omstandigheden niet zou hebben gemaakt. Verweerder betreurt dit, maar het doet volgens verweerder niet af aan de juistheid van het opgelegde ontslag. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat verzoeker aan de opeenstapeling van keuzes die ten aanzien van hem zijn gemaakt, waardoor hij zijn carrière heeft kunnen voortzetten alsof er geen disciplinair traject gaande was, het gerechtvaardigde vertrouwen heeft mogen ontlenen dat hem geen ontslag zou worden verleend. Dat verweerder er niet in is geslaagd de keuzes van de Commandant in lijn te krijgen met het besluit van verweerder om aan verzoeker ontslag te verlenen, dient voor rekening en risico van verweerder te komen.

7

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter onrechtmatig is.

8

De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding het verzoek om een voorlopige voorziening toe te wijzen, in die zin dat het besluit van verweerder van 23 april 2013 wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van het besluit op bezwaar.

9

De voorzieningenrechter ziet voorts aanleiding verweerder te veroordelen in de

kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 944,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472,-).

IIBeslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank

  • -

    wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe in zoverre dat het bestreden besluit wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 160,- aan verzoeker te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 944,- welke kosten verweerder aan verzoeker dient te vergoeden.

De uitspraak is gedaan door mr. D.G.J. Dop, rechter, in aanwezigheid van

mr.drs. C.M.A. Demetriadis, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2013.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.