Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:7717

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-06-2013
Datum publicatie
16-07-2013
Zaaknummer
443058
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg na een voorlopige machtiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Kinderrechter

Rekestnummer: JE RK 13-1261

Zaaknummer : C/09/443058

Datum beschikking: 11 juni 2013

Machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg na een voorlopige machtiging

Beschikking op het op 19 mei 2013 gedane mondelinge verzoek, welk verzoek is bevestigd door het op 21 mei 2013 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden, locatie Den Haag (verder: de Raad),

met betrekking tot de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats],

kind van:

[mevrouw],

de moeder,

wonende te [plaats A],

die het ouderlijk gezag alleen uitoefent.

In deze procedure wordt tevens als belanghebbende aangemerkt:

[mijnheer],

de stiefvader,

wonende op het adres van de moeder.

De minderjarige verblijft feitelijk in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg, te weten

[instelling A].

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van:

  • -

    het verzoekschrift, met bijlagen;

  • -

    de instemmingsverklaring d.d. 21 mei 2013 van een gedragswetenschapper als bedoeld in

artikel 29c, vierde lid, van de Wet op de Jeugdzorg, die de jeugdige met het oog daarop

kort tevoren heeft onderzocht;

- het indicatiebesluit van Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden (verder: Bureau

Jeugdzorg) d.d. 6 juni 2013, met de daarbij behorende aanvraag;

- de beschikking van de kinderrechter d.d. 22 mei 2013, waarvan de inhoud als hier

overgenomen dient te worden beschouwd;

- aanvullende informatie van de zijde van de Raad d.d. 5 juni 2013.

Op 11 juni 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank op locatie, te weten in de gesloten jeugdzorginstelling [instelling A], opnieuw met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen:

[mevrouw A] namens de Raad;

[mevrouw B] en [mevrouw C ] namens Bureau Jeugdzorg;

de moeder;

de stiefvader;

de minderjarige, bijgestaan door mr. G.H. Fijma;

[mevrouw D], als pedagogisch medewerker werkzaam bij [instelling A];

[mevrouw E], als gedragswetenschapper werkzaam bij [instelling A].

Feiten

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 21 mei 2013 de Raad voor Rechtsbijstand te Den Haag bevolen een advocaat aan de minderjarige toe te voegen.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. 22 mei 2013 de minderjarige onder toezicht gesteld van 23 mei 2013 tot 13 maart 2014.

Bij voornoemde beschikking d.d. 22 mei 2013 heeft de kinderrechter voorts een voorlopige machtiging verleend om de minderjarige in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg te doen opnemen en te doen verblijven van 23 mei 2013 tot 16 juni 2013en het verzoek voor het overige aangehouden tot een nadere zitting.

Verzoek en verweer

Het aangevulde verzoek strekt tot machtiging de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de periode van drie maanden, te rekenen vanaf 19 mei 2013.

Aan het aangevulde verzoek ligt ten grondslag dat er nog steeds zorgen zijn over de ontwikkeling van de minderjarige, maar dat behandeling bij de GGZ aangewezen lijkt.

Aangegeven is dat er zo snel mogelijk een passende plek en behandeling in het kader van de GGZ moet worden ingezet.

De moeder en de stiefvader alsook mr. Fijma hebben, ieder voor zich, verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Tijdens de behandeling ter terechtzitting is van de zijde van de Raad meegedeeld dat het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg voor de duur van 3 maanden wordt gehandhaafd, omdat er nog onduidelijkheid bestaat over het verdere hulpverleningstraject. De behandeling in het kader van de GGZ is nog niet gerealiseerd.

Van de zijde van Bureau Jeugdzorg is ter zitting meegedeeld dat het ACT team van De Jutters aan het bespreken is of de minderjarige bij De Jutters een passende behandeling kan krijgen en op welke termijn dit kan worden gerealiseerd. Totdat hierover duidelijkheid bestaat moet de veiligheid van de minderjarige door de gesloten plaatsing worden gewaarborgd. Mocht de gesloten plaatsing niet worden gecontinueerd, dan zal de minderjarige - aldus aangegeven - binnen Jeugdformaat moeten worden geplaatst, alwaar zij naar alle waarschijnlijkheid, gelet op de psychiatrische problematiek, niet zal worden geaccepteerd. Zou hiervan inderdaad sprake zijn, dan zal de minderjarige ter overbrugging weer thuis moeten wonen.

[mevrouw E] heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat [instelling A] op dit moment geen gedragsproblemen bij de minderjarige ziet, maar dat de minderjarige geen onderdeel uitmaakt van het groepsproces. Zij trekt zich terug. Tevens is meegedeeld dat observatie van de minderjarige nog twee weken zal duren en dat de psychiater, die verbonden is aan

[instelling A], de minderjarige in deze twee weken nog zal zien.

De moeder heeft ter zitting aangeven dat zij het ermee eens was dat er een tijdelijke interventie zou zijn om de veiligheid van de minderjarige te waarborgen, maar dat zij niet achter een verdere verlenging van het verblijf van de minderjarige in een gesloten setting staat. De minderjarige is, aldus de moeder, niet op haar plek in [instelling A], alwaar zij door haar depressie dagen op bed ligt. Dit is zeer zorgwekkend en een snelle doorplaatsing naar een GGZ-instelling is noodzakelijk.

De stiefvader heeft zich bij het standpunt van de moeder aangesloten.

Mr. Fijma heeft namens de minderjarige afwijzing van het verzoek bepleit nu een ander hulpverleningstraject wenselijker is en er druk op de ketel moet worden uitgeoefend.

De crisisinterventie is, aldus gesteld, voorbij en plaatsing in een GGZ-instelling moet zo spoedig mogelijk plaatsvinden. Dat Bureau Jeugdzorg dit nog niet heeft geregeld doet aan de noodzaak van deze plaatsing niet af.

De minderjarige heeft zelf nog meegedeeld dat het echt niet goed met haar gaat en dat zij alle hulp die goed voor haar is wil aannemen.

De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de minderjarige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die haar ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de minderjarige zich aan de zorg die zij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Daarbij overweegt de kinderrechter in het bijzonder dat er op 19 mei 2013 directe zorgen waren over de veiligheid van de minderjarige en dat naar aanleiding daarvan is ingegrepen. Thans is er geen sprake meer van een crisissituatie, maar moet de veiligheid van de minderjarige nog steeds worden gewaarborgd. Nu er op dit moment nog geen plaats is een GGZ-instelling, alwaar de minderjarige de juiste behandeling kan krijgen, en plaatsing in de crisisopvang zeker niet in het belang van de minderjarige zal zijn, is continuering van het verblijf in [instelling A] aangewezen.

De kinderrechter gaat ervan uit dat Bureau Jeugdzorg de plaatsing van de minderjarige in een GGZ-instelling voortvarend ter hand zal nemen en zal de verzochte machtiging dan ook slechts verlenen tot 19 juli 2013, met afwijzing van het verzoek voor het overige.

Derhalve zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:

machtigt de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden de minderjarige te doen opnemen en te doen verblijven in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg zoals bedoeld in artikel 29b, eerste lid, van de Wet op de Jeugdzorg van 16 juni 2013 tot 19 juli 2013, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 6 juni 2013;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2013, in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte

als griffier.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.