Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:7685

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
04-07-2013
Zaaknummer
AWB-12_3047
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat eiser een bepalende rol heeft gespeeld in een tuindersfraude en dat eiser daaruit aanzienlijke provisie-inkomsten heeft genoten. Er volgt omkering bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangiften. De rechtbank volgt grotendeels de door verweerder gemaakte schatting van de provisie-inkomsten. Wel vermindering van de vergrijpboetes in verband met overschrijding van de redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Wet inkomstenbelasting 2001
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1913
V-N 2013/40.5 met annotatie van Redactie
FutD 2013-1729
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummers: SGR 12/3047 t/m SGR 12/3049, SGR 12/3051 en SGR 12/3054

uitspraak van de meervoudige kamer van 12 juni 2013 in de zaken tussen

[X] , wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft met dagtekening 13 december 2007 aan eiser navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (IB/PVV) over de jaren 2002, 2003 en 2004 opgelegd, berekend naar belastbare inkomens uit werk en woning van respectievelijk € 213.689 (2002), € 242.949 (2003) en € 162.466 (2004) en naar belastbare inkomens uit sparen en beleggen van respectievelijk € 27.905 (2002), € 5.058 (2003) en € 2.324 (2004).

Verweerder heeft met dagtekening 18 december 2008 aan eiser navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2003 en 2004 en aanslagen IB/PVV over de jaren 2005 en 2006 opgelegd, berekend naar belastbare inkomens uit werk en woning van respectievelijk € 444.177 (2003), € 312.803 (2004), € 294.915 (2005) en € 326.377 (2006) en naar belastbare inkomens uit sparen en beleggen van respectievelijk € 5.058 (2003) en € 2.324 (2004), € 8.955 (2005) en € 12.188 (2006).

Bij alle (navorderings-)aanslagen zijn vergrijpboetes van 50% over de nagevorderde belasting dan wel over de tengevolge van de correcties verschuldigde belasting opgelegd en is heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 5 maart 2012 de (navorderings-)aanslagen, de vergrijpboetes en de heffingsrenten gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft daarop gerepliceerd, waarna verweerder heeft gedupliceerd.

Verweerder heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2013.

Eiser is daar verschenen met zijn gemachtigde, bijgestaan door [B] en [C]. Namens verweerder zijn verschenen [D],

[E], [F] en [G].

Overwegingen

Feiten

Algemeen

1.

Eiser is sinds 1978 in dienst bij[H BV], een groothandel in groente en fruit. Vanaf 1985 is eiser daar werkzaam als inkoper en regelde hij het binnenlandse transport. In de jaren ‘90 is hij de positie van hoofd inkoop bij [H BV] gaan bekleden. Eiser heeft van [H BV] in de jaren 2002 tot en met 2011 een loon genoten van respectievelijk € 73.214 (2002),

€ 74.648 (2003), € 77.374 (2004), € 78.083 (2005), € 81.202 (2006), € 56.362 (2007), € 80.515 (2008), € 81.777 (2009), € 66.974 (2010) en € 83.175 (2011).

2.

In 2004 heeft de belastingdienst geconstateerd dat enkele groentegroothandels, waaronder [H BV] en [I BV], één of meerdere keren per week bedragen overboekten naar een Nederlandse bankrekening van de in 1995 opgerichte Gibraltarese vennootschap [J LTD] en dat de afboekingen op die rekening voornamelijk kasopnamen betroffen. In de jaren 1999 tot en met 2003 werd door [H BV] in totaal per jaar zo’n € 3.600.000 tot € 5.500.000 aan [J LTD] overgemaakt. Nagenoeg alle aandelen in [J LTD] werden gehouden door [K] die tevens bestuurder was van [J LTD].

3.

In 2006 is de FIOD-ECD een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de zogenoemde Westlandse tuindersfraude. De bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek zijn neergelegd in de overzichtsproces-verbalen van 15 juni 2007, 13 september 2007 en 7 februari 2008 (bijlage D1 bij het verweerschrift). Daaruit volgt dat de feitelijke gang van zaken er op neer kwam dat de betrokken tuinders tegen contante betaling producten aan [H BV] leverden en dat [H BV] deze producten administratief verwerkte als inkopen van [J LTD]. [J LTD] (en vanaf april 2006 de door de zoon van [K] opgerichte vennootschap [L], factureerde aan [H BV] en [H BV] voldeed de facturen middels overmaking naar een Nederlandse bankrekening van [J LTD]. Vervolgens nam [M] de bedragen van deze facturen in contanten op van de Nederlandse bankrekening van [J LTD] en overhandigde deze aan eiser. Eiser betaalde daarmee de betrokken tuinders voor de door hen geleverde producten. De tuinders kregen in het algemeen 85% van de dagprijs van de door hen geleverde producten. Bij deze handelslijnen met [J LTD] en [L] werd het transport van tuinproducten geregeld door eiser en werden tuinders door hem betaald (lijn-eiser) dan wel door [N] ([N]-lijn). Naast deze handelslijnen is in het onderzoek vastgesteld dat eiser op een vergelijkbare wijze was betrokken bij handelslijnen met een tweetal buitenlandse vennootschappen, te weten [O] gevestigd op Gibraltar ([O]) en [Q] te België ([Q]). Tot slot is vastgesteld dat eiser was betrokken bij een handelslijn tussen [J LTD] en [I BV].

4.

Bij arrest van het gerechtshof ’s-Gravenhage van 10 december 2010 is eiser veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie maanden wegens deelname aan een criminele organisatie die ten doel had het op grote schaal faciliteren van het buiten de boeken houden van omzetten door tuinders om aldus belasting te ontduiken, en wegens medeplichtigheid aan het door derden niet voeren van een administratie zoals door de wet geëist. Het gerechtshof heeft eiser vrijgesproken van het witwassen van gelden en van valsheid in geschrifte. Ten slotte heeft het gerechtshof bij de strafmotivering geoordeeld dat niet gebleken is dat eiser naast zijn looninkomsten bij [H BV] nog andere inkomsten heeft gehad en dat niet gebleken is dat eiser door iemand is betaald voor zijn werkzaamheden in verband met zogenoemde ‘zwarte’ leveranties. De tegen eiser ingestelde ontnemingsprocedure is door het Openbaar Ministerie ingetrokken.

Aanslagen en vergrijpboetes

5.

Eiser heeft voor de onderhavige jaren aangifte gedaan naar belastbare inkomens uit werk en woning (box 1) en belastbare inkomens uit sparen en beleggen (box 3) van respectievelijk:

De definitieve aanslagen IB/PVV over de jaren 2002 tot en met 2004 zijn conform de aangiften opgelegd.

6.

Naar aanleiding van de bevindingen van het strafrechtelijk onderzoek heeft verweerder eiser bij brieven van 5 december 2007 in kennis gesteld van zijn voornemen om navorderingsaanslagen op te leggen voor de jaren 2002 tot en met 2004 wegens niet aangegeven provisie-inkomsten, met vergrijpboetes van 50%. De bijgetelde provisie-inkomsten, uitgaande van facturen exclusief fust (dozen/verpakkingsmateriaal), zijn als volgt bepaald:

Deze bedragen zijn in aanmerking genomen in de navorderingsaanslagen die in december 2007 zijn opgelegd (eerste serie navorderingsaanslagen).

7.

Tot de gedingstukken behoort een fiscaal rapport waarin de rol van eiser in de Westlandse tuindersfraude is beschreven en een berekening is gemaakt van extra door eiser genoten provisie-inkomsten. Deze inkomsten zijn, uitgaande van een door de tuinders genoten omzet van 85% van de facturen, op de volgende bedragen berekend:

8.

Vervolgens heeft verweerder eiser bij brieven van 25 november 2008 in kennis gesteld van zijn voornemen om een tweede navorderingsaanslag op te leggen voor de jaren 2003 en 2004 (tweede serie navorderingsaanslagen) en tevens af te wijken van de voor de jaren 2005 en 2006 ingediende aangiften en daarbij vergrijpboetes van 50% op te leggen. Verweerder heeft de extra provisie-inkomsten uit het fiscaal rapport onder 7 als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen in de aanslagen van december 2008

9.

De bij de navorderingsaanslagen vastgestelde vergrijpboetes zijn op de voet van

artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) opgelegd. De bij de aanslagen vastgestelde vergrijpboetes zijn op de voet van artikel 67d van de Awr opgelegd.

Geschil

10. In geschil is of de (navorderings-)aanslagen en vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd en of daarbij naar juiste bedragen heffingsrente in rekening is gebracht.

11.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging respectievelijk vermindering van de (navorderings-)aanslagen, vergrijpboetes en heffingsrentebeschikkingen, omdat hij betwist de provisie-inkomsten te hebben genoten.

12.

Verweerder concludeert tot vermindering van de bij de tweede serie navorderingsaanslagen over de jaren 2003 en 2004 vastgestelde vergrijpboetes tot bedragen, naar de rechtbank begrijpt, van respectievelijk € 6.440 (2003) en € 25.011 (2004) en voor het overige tot ongegrondverklaring van de beroepen.

13.

Voor de standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

Bewijslastverdeling

14.

Verweerder heeft gesteld dat eiser in de jaren 2002 tot en met 2006 de onder 6 en 7 berekende provisie-inkomsten heeft genoten en hij heeft daarbij een beroep gedaan op omkering en verzwaring van de bewijslast omdat eiser niet de vereiste aangiften heeft gedaan en niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 47 van de Awr. De rechtbank zal eerst beoordelen of verweerder volgens de normale regels van stelplicht en bewijslast feiten en omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die zouden moeten leiden tot omkering van de bewijslast. In dat verband dient te worden beoordeeld of het bedrag van de belasting dat als gevolg van de niet aangegeven inkomsten zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is en eiser ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich daarvan bewust moest zijn.

15.

Vaststaat dat eiser betrokken was bij de hiervoor onder 3 beschreven [J LTD]-lijn. De rechtbank stelt in dat verband vast dat de werkzaamheden van eiser zodanig omvangrijk en van zodanige aard waren dat hij in de [J LTD]-lijn een centrale, bepalende rol had. Zo onderhield hij contacten met [K] als afnemer, met de transporteur en met de tuinders, en was hij verantwoordelijk voor het administratieve traject en voor het instrueren van bij deze handelslijn betrokken werknemers van [H BV]. Daarnaast valt uit de in het strafdossier opgenomen getuigenverklaringen van een aantal werknemers van [H BV] op te maken dat eiser tevens de prijs van de geleverde producten bepaalde en dat hij de benodigde gegevens aanleverde voor het opstellen van facturen door de als afnemer genoemde [J LTD] en [L]. Bovendien had eiser de met de [J LTD]-lijn behaalde omzet in contanten tot zijn beschikking:

de betrokken tuinders ontvingen in het algemeen 85% van de dagprijs van de door hen geleverde producten, terwijl eiser 100% van het factuurbedrag van [M] ontving.

16.

Eisers stelling dat hij de gelden onder zich hield tot [K] die kwam ophalen, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Te meer niet nu [K] zelf toegang had tot de Nederlandse bankrekening van [J LTD]. Aan de ongedateerde schriftelijke verklaring van [K] hieromtrent gaat de rechtbank voorbij nu deze verklaring op gespannen voet staat met diens verklaring van 4 augustus 2007 dat eiser 1% provisie ontving van het bedrag dat [J LTD] aan [H BV] factureerde. Anders dan eiser stelt, kan ook uit de kasadministratie van [M] (bijlage 54 bij het beroepschrift) op geen enkele wijze worden afgeleid dat eiser de resterende contanten aan [K] had afgegeven. Uit deze administratie valt immers slechts op te maken dat geldloper [M] aanzienlijke bedragen had gepind die hij aan - onder meer - eiser had uitbetaald. De rechtbank volgt eiser evenmin in diens stelling dat hij voor de door hem verrichte werkzaamheden in de [J LTD]-lijn een passend salaris genoot van [H BV]. Het salaris van eiser in 2011, zijnde het jaar waarin hij, naar hij heeft gesteld, weer als hoofd inkoop werkzaam is geweest, wijkt namelijk niet substantieel af van het salaris dat eiser heeft genoten in de jaren waarin hij tevens werkzaamheden in de [J LTD]-lijn verrichtte (zie 1).

17.

Gelet op hetgeen eiser in punt 15 van zijn pleitnota heeft aangevoerd, moet het ervoor worden gehouden dat de [J LTD]-lijn in ieder geval sinds 1999 bestond en dat eiser daar toen al bij betrokken was. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding om te veronderstellen dat eisers rol in de periode vóór april 2003 anders is geweest dan hiervoor beschreven. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat eiser gedurende de gehele door verweerder in aanmerking genomen periode van 2002 tot en met 2006 provisie-inkomsten heeft genoten, te meer nu hij met zijn werkzaamheden (strafrechtelijk) risico liep en aannemelijk is dat hij ook hiervoor betaald zou worden. De uitkomst van de strafzaak tegen eiser (zie 4) en de intrekking van de ontnemingsprocedure maken dit niet anders. De belastingrechter is niet aan de uitkomst van de strafzaak gebonden, maar dient zich een zelfstandig oordeel te vormen omtrent de hem voorgelegde feiten (vgl. Hoge Raad 19 juni 1996, nr. 31 079, LJN: AA1946).

18.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gegeven de omvang van de contanten die eiser na betaling van de tuinders onder zich moet hebben gehad, heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat eiser in de onderliggende periode aanzienlijke bedragen aan provisie-inkomsten heeft genoten. De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat het bedrag aan belasting dat daardoor niet zou worden geheven relatief en absoluut omvangrijk is en dat eiser dit wist of zich daarvan bewust moet zijn geweest. Aldus heeft eiser niet de vereiste aangiften gedaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat ingevolge het bepaalde in artikel 27e, eerste lid, van de Awr de bewijslast dient te worden omgekeerd. Dit betekent dat de beroepen ongegrond worden verklaard tenzij eiser doet blijken, dat wil zeggen overtuigend aantoont, dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. Eiser heeft namelijk geen enkel bewijs geleverd waaruit blijkt dat de door verweerder in aanmerking genomen bedragen aan provisie-inkomsten onjuist zouden zijn.

Nieuw feit of kwade trouw (2003 en 2004)

19.

Zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank aannemelijk dat eiser ook in 2003 en 2004 provisie-inkomsten heeft genoten. Vaststaat dat eiser die inkomsten niet heeft aangegeven en ook anderszins verweerder niet over die inkomsten heeft ingelicht, ook niet nadat de eerste serie navorderingsaanslagen waren opgelegd. Gelet op eisers jarenlange centrale rol in de [J LTD]-lijn, moet eiser zich er destijds bewust van zijn geweest dat hij daarmee verweerder opzettelijk de juiste inlichtingen heeft onthouden. Naar het oordeel van de rechtbank was eiser aldus te kwader trouw als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de Awr.

Eisers stelling dat hij zich er niet van bewust was dat hij met iets strafbaars bezig was, maakt dit niet anders. Het gaat hier namelijk niet om de vraag of aan eisers handelen of nalaten een strafrechtelijke sanctie moet worden verbonden, maar wel of door eisers bewust nalaten, verweerder alsnog in staat moet worden gesteld de juiste belasting te heffen. Evenmin is van belang dat eiser niet strafrechtelijk is vervolgd voor het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte, aangezien die omstandigheid geen beperking aan verweerder oplegt om de juiste belasting te kunnen heffen. De door eiser in dit verband aangehaalde jurisprudentie kan hem evenmin baten, omdat, anders dan in die jurisprudentie aan de orde was, eiser verweerder opzettelijk niet van alle relevante informatie heeft voorzien. Nu sprake is van kwade trouw, heeft verweerder terecht een tweede serie navorderingsaanslagen voor de jaren 2003 en 2004 opgelegd.

Redelijke schatting

Handelslijnen [J LTD] en [L] met [H BV] en [J LTD] met [I BV]
20. Op verweerder rust ondanks omkering van de bewijslast de verplichting om een redelijke schatting te maken van de verzwegen provisie-inkomsten. Verweerder heeft zijn schatting gebaseerd op het, overigens niet door eiser weersproken, uitgangspunt dat de tuinders in het algemeen 85% van de dagprijs van de door hen geleverde producten ontvingen. Voor het schatten van de inkomsten uit verschillende handelslijnen waarbij eiser was betrokken, te weten de [J LTD]-lijn en de [L]-lijn met [H BV] en de [J LTD]-lijn met [I BV], heeft verweerder een rekenmodel gehanteerd dat is opgenomen in het fiscaal rapport en in bijlage C-8 bij het verweerschrift. Het rekenmodel is volgens de bijlage gebaseerd op een aantal facturen van [L] aan [H BV] uit de periode 9 oktober 2006 tot en met 11 oktober 2006, een factuur van [J LTD] aan [I BV] van 6 oktober 2006, een tweetal, in tapverslagen vastgelegde, op 11 oktober 2006 gevoerde telefoongesprekken tussen [K] en eiser alsmede op een aan [M] gerichte fax van 11 oktober 2006. Hiervan uitgaande heeft verweerder de door eiser genoten inkomsten als volgt berekend:

  • -

    [J LTD]/[L] lijn: 7% van de facturen van [J LTD]/[L] aan [H BV] in de lijn met eiser;

  • -

    [J LTD]/[L] lijn - [N]: 3% van de goederenbedragen in de facturen van [J LTD]/[L] aan [H BV] in de [N]-lijn;

  • -

    [J LTD]/[I BV] lijn: 1% van de facturen van [J LTD] aan [I BV].

21.

De rechtbank acht de door verweerder aldus berekende inkomsten gelet ook op diens toelichting hierop, alleszins redelijk. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat, naar verweerder onweersproken heeft gesteld, een toepassing van de in het rekenmodel gehanteerde percentages op de facturen van [L] aan [H BV] uit de periode 17 juli 2006 tot en met 11 december 2006 redelijk aansluiten op de uit de kasadministratie van [M] blijkende betalingen aan eiser in die periode en op de aan eiser uit te betalen bedragen zoals die blijken uit de faxen aan [M] uit die periode. Ook de toelichting van verweerder op de telefoongesprekken tussen [K] en eiser op 1 december 2006 (bijlage C-6, blz. 50, verweerschrift), en op een tweetal facturen van [L] aan [H BV] (bijlage C-12, blz. 5, verweerschrift) en een drietal facturen van [J LTD] aan [I BV] (bijlage C-13, blz. 2, verweerschrift), onderbouwen naar het oordeel van de rechtbank de door verweerder in het rekenmodel in aanmerking genomen percentages in de [N]-lijn van 3% en in de lijn [I BV] van 1%.

22.

Dat het door verweerder gehanteerde rekenmodel op een zeer korte periode in 2006 ziet en is geëxtrapoleerd naar alle in geding zijnde jaren, brengt niet mee dat de schatting van verweerder onredelijk is. De erkenning door eiser van het feit dat hij in ieder geval sinds 1999 bij de geconstrueerde [J LTD]-lijn met [H BV] is betrokken, wijst op een jarenlange bestendige praktijk, waarin eiser steeds hetzelfde werk deed. Aldus is het niet onredelijk om, bij gebrek aan gegevens, ook in andere jaren van hetzelfde rekenmodel uit te gaan. Het door eiser aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 9 maart 2012, nr. 11/01129, LJN: BV8190, ziet op een geheel andere situatie, zodat dit aan voormeld oordeel niet kan afdoen.

23.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder de inkomenscorrecties zoals berekend aan de hand van het rekenmodel inzake de [J LTD]-lijn, de [L]-lijn en de [J LTD]-[I BV] lijn terecht als resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking genomen.

Handelslijnen [O] en [Q]

24.

Verweerder is voor de berekening van de inkomsten uit de lijnen [O] en [Q] uitgegaan van respectievelijk 15% en 10%. Naar het oordeel van de rechtbank bevatten de gedingstukken echter onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat de door verweerder gehanteerde percentages als redelijk kunnen worden aangemerkt. Mede gelet op de percentages die verweerder ter zake van de andere lijnen als inkomenscorrecties in aanmerking heeft genomen, vermindert de rechtbank de correcties waarvan verweerder ter zake van de lijnen [O] en [Q] bij de tweede serie navorderingsaanslagen en bij de aanslagen IB/PVV 2005 en 2006 is uitgegaan, tot de helft. Dit heeft tot gevolg dat de (navorderings-) aanslagen worden verminderd door de volgende verlaging van de belastbare inkomens uit werk en woning tot respectievelijk:

Vergrijpboetes

25.

Met betrekking tot de vergrijpboetes stelt de rechtbank voorop dat op verweerder de bewijslast rust dat het aan opzet van eiser is te wijten dat hij in elk van de jaren voor de belastingheffing relevante provisie-inkomsten niet heeft verantwoord.

26.

Naar het oordeel van de rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de conclusie gerechtvaardigd dat eiser in de jaren 2002 tot en met 2006 omvangrijke bedragen aan provisie-inkomsten heeft genoten, dat hij wist dat hij die inkomsten moest aangeven en dat hij door deze inkomsten ten onrechte niet in zijn aangiften over de jaren 2002 tot en met 2006 op te nemen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat van hem in elk van de jaren 2002 tot en met 2004 te weinig belasting is geheven en dat de aangiften over de jaren 2005 tot en met 2006 onjuist zijn gedaan. De rechtbank acht de door verweerder opgelegde vergrijpboetes van 50%, rekening houdend met de omstandigheid dat de verschuldigde belastingbedragen zijn komen vast te staan met omkering van de bewijslast, passend en vanuit een oogpunt van normhandhaving geboden.

27.

Van schending van het una via-beginsel als bedoeld in artikel 5:44, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht is geen sprake. De feiten waarvoor eiser is vervolgd – deelname aan een criminele organisatie, medeplegen van het door derden niet voeren van een administratie, witwassen en valsheid in geschrifte – omvatten niet het opzettelijk zodanig handelen dat daardoor te weinig belasting is geheven respectievelijk het opzettelijk onjuist doen van een aangifte. Eiser is beboet voor het feit dat hij de inkomsten in zijn aangiften IB/PVV had kunnen en moeten opnemen, maar dit niet heeft gedaan. De feiten waarvoor aan eiser bestuurlijke boetes zijn opgelegd, liggen niet besloten in de feiten waarvoor eiser strafrechtelijk is vervolgd. Van dubbele bestraffing ter zake van hetzelfde feit is derhalve geen sprake.



28. Verweerder heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het deel van de in de tweede serie navorderingsaanslagen begrepen vergrijpboetes, dat ziet op de correctie in de [J LTD] lijn met eiser (de verhoging van 5% naar 7%), buiten de boetegrondslag dient te vallen. De rechtbank volgt dit standpunt en oordeelt dat er voor het overige geen aanleiding is de boetes om reden dat een tweede serie navorderingsaanslagen is opgelegd, te verminderen. Weliswaar is de beboetbare gedraging voor de boetes opgelegd bij de eerste serie navorderingsaanslagen op dezelfde wijze omschreven als in de aankondiging van de boetes voor de tweede serie navorderingsaanslagen en de correcties. Echter nu die gedragingen zien op andere grondslagen acht de rechtbank geen sprake van meerdaadse samenloop die tot een vermindering van de boetes aanleiding zou geven.

29.

Voorts dienen de vergrijpboetes evenredig te worden verminderd in verband met de hiervoor onder 24 genoemde verminderingen van de (navorderings-)aanslagen.

Redelijke termijn

30.

Hoewel eiser ter zitting zijn standpunt dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn heeft ingetrokken, dient de rechtbank dit alsnog ambtshalve te beoordelen.

31.

Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak wordt gedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (vgl. Hoge Raad 22 april 2005, nr. 37 984, LJN: AO9006). De rechtbank is van oordeel dat voor het eerst bij brieven van 5 december 2007 en 25 november 2008 jegens eiser een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat aan hem voor de onderliggende jaren vergrijpboetes zouden worden opgelegd. Op grond van voormeld arrest levert dit in beginsel een overschrijding van de redelijke termijn op. Gelet op de complexiteit van de zaken, doen zich hier bijzondere omstandigheden voor die een afwijking van deze regel rechtvaardigen met een half jaar. Daarnaast ziet de rechtbank ook in de proceshouding van eiser – het veelvuldig verzoeken om uitstel voor het indienen van stukken – aanleiding om een deel van het tijdsverloop aan hem toe te rekenen. De rechtbank zal, gelet op de gedingstukken, een periode van twee jaar aan eiser toerekenen. Hieruit volgt dat de redelijke termijn voor de navorderingsaanslag over 2002 en de eerste navorderingsaanslagen over 2003 en 2004 is overschreden met bijna één jaar en voor de overige (navorderings-)aanslagen met minder dan zes maanden. De rechtbank zal de in deze navorderingsaanslagen begrepen vergrijpboetes matigen met de navolgende percentages (vgl. gerechtshof Amsterdam 2 juli 2009, nr. 04/003329, LJN: BJ1298):

Heffingsrente

32.

Eiser heeft tegen de in rekening gebrachte heffingsrenten geen gronden ingebracht. Wel dienen de in rekening gebrachte heffingsrenten, in verband met de onder 24 genoemde verminderingen van de (navorderings-)aanslagen, dienovereenkomstig te worden verminderd.

Slotsom

33. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de beroepen tegen de tweede serie navorderingsaanslagen IB/PVV 2003 en 2004, tegen de aanslagen IB/PVV 2005 en 2006, tegen de boetes alsmede tegen de heffingsrente bij genoemde aanslagen gegrond te worden verklaard, en zijn de beroepen voor het overige ongegrond.

Proceskosten

34.

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.770 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het indienen van de conclusie van repliek, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 472, wegingsfactor 1 en factor 1,5 voor samenhang).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen tegen de tweede serie navorderingsaanslagen IB/PVV 2003 en 2004, de aanslagen IB/PVV 2005 en 2006, tegen de boetes en tegen bij deze aanslagen vastgestelde heffingsrente gegrond, en voor het overige ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de gegronde beroepen;

  • -

    vermindert de tweede navorderingsaanslag IB/PVV over 2003 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 415.374 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 5.058;

  • -

    vermindert de tweede navorderingsaanslag IB/PVV over 2004 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 282.497 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 2.324;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV over 2005 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 262.224 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 8.965;

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV over 2006 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 306.647 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.188;

  • -

    vermindert de vergrijpboetes overeenkomstig de oordelen onder 24, 28 en 31;

  • -

    wijzigt de beschikkingen heffingsrente aldus dat de heffingsrenten worden verminderd tot bedragen, berekend naar de nader vastgestelde bedragen van de (navorderings-) aanslagen;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.770, te betalen aan eiser;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42 aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, voorzitter, en mr. T. van Rij en

mr. E.E. Schotte, leden, in aanwezigheid van mr. U.A. Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. . de naam en het adres van de indiener;

  2. . een dagtekening;

  3. . een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

  4. . de gronden van het hoger beroep.