Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:6930

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
AWB-12_11377
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Controle op één adres, niet zijnde het GBA-adres, is onvoldoende om bij een gemotiveerde weerspreking van de conclusies in het controlerapport, aannemelijk te achten dat de student niet woonachtig is op het GBA-adres.

Wetsverwijzingen
Wet studiefinanciering 2000 1.5
Wet studiefinanciering 2000 9.9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 12/11377

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2013 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [plaats], eiser

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft tegen de hierna onder 2 te noemen besluiten bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft bij besluit van 4 oktober 2012 het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2013.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn broer [broer]. Namens verweerder is verschenen mr. Th. Holtrop.

Overwegingen

Feiten

1.

Eiser staat met ingang van 9 september 2011 in de Gemeentelijke basisadministratie (GBA) ingeschreven op het adres [adres 1]. Voordien stond eiser ingeschreven op het adres van zijn ouders, te weten [adres 2]. Aan eiser is met ingang van 1 oktober 2011 studiefinanciering toegekend naar de norm van uitwonende studerende.

2.

Verweerder heeft bij besluit van 23 juni 2012 de aan eiser toegekende studiefinanciering naar de norm van een uitwonende studerende met ingang van
1 januari 2012 omgezet in studiefinanciering naar de norm van een thuiswonende studerende.

3.

Bij besluit van 5 oktober 2012 heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 511,83.

Geschil
4. In geschil is of verweerder eiser per 1 januari 2012 terecht heeft aangemerkt als thuiswonende studerende.

5.

Eiser heeft aangevoerd dat hij staat ingeschreven op het adres [adres 1] en dat hij daar ook woont. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de beslissing op bezwaar en toekenning van studiefinanciering naar de norm van uitwonende studerende.

6.

Verweerder neemt het standpunt in dat eiser niet woonachtig is op het adres waarop hij in de GBA staat ingeschreven. Eiser voldoet daarmee niet aan het bepaalde in artikel 1.5 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000). Het beroep moet daarom ongegrond worden verklaard.

7.

Voor de volledige weergave van de standpunten van partijen en de onderbouwing daarvan, verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.

Beoordeling van het geschil

8.

Artikel 1.5 van de Wsf 2000 luidt met ingang van 1 januari 2012 en voor zover hier van belang:

“Voor het normbedrag voor een uitwonende studerende komt in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

  1. .  de studerende woont op het adres waaronder hij in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat ingeschreven, en

  2. .  het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens staat of staan ingeschreven.”

9.

In het eerste lid van artikel 9.9 van de Wsf 2000 is bepaald dat indien een studerende het normbedrag voor een uitwonende studerende toegekend heeft gekregen, maar niet heeft voldaan aan de verplichtingen bedoeld in artikel 1.5 van de Wsf 2000, de Minister hem een bestuurlijke boete kan opleggen van ten hoogste vijftig procent van het bedrag dat van de studerende in verband daarmee wordt teruggevorderd bij een herziening.

10.

De rechtbank stelt voorop dat de herziening van de toegekende studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende een voor eiser belastend besluit betreft. De rechtbank is van oordeel dat het in dat geval aan verweerder is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten te vergaren. De bewijslast met betrekking tot de stelling dat eiser niet woonachtig is op het GBA-adres waarop hij staat ingeschreven rust dan ook in eerste instantie op verweerder en niet op eiser. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser niet woont op het adres waarop hij in de GBA staat ingeschreven, dan ligt het op de weg van eiser de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

De vraag of eiser woont op het adres waarop hij in de GBA staat ingeschreven dient te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke omstandigheden.

11.

Verweerder heeft aan het besluit ten grondslag gelegd een rapportage van huisbezoeken welke op 2 juni 2012 is opgemaakt door [A] en[B], controleurs werkzaam bij Investiga B.V. Als conclusie vermeldt deze rapportage “student woont niet op geregistreerd GBA-adres”. Uit de rapportage blijkt verder dat tijdens de vier huisbezoeken die de controleurs op het adres [adres 1] hebben afgelegd niemand aanwezig was. Wel was in de woning een blaffende hond te horen. Gegevens over de woonsituatie en/of GBA-informatie over de personen die op dat adres woonachtig zijn, zijn door verweerder niet verstrekt.
Bij het huisbezoek aan het adres [adres 2] heeft de moeder van eiser de controleurs toegang tot de woning verschaft en een slaapkamer laten zien met daarin een kast waarin herenkleding lag. Voorts is een kamer getoond waarin twee eenpersoonsbedden, een boekenkast en een bureau stonden. In de boekenkast werden bescheiden aangetroffen op naam van eiser die, op een enkele uitzondering na, geadresseerd waren aan het adres [adres 1]. In deze kamer stonden ook twee bromfietsen. De moeder van eiser heeft tijdens dit huisbezoek verklaard dat eiser niet op haar adres woont.
Op basis van de bevindingen van dit huisbezoek stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet woont op zijn geregistreerd GBA-adres.

12.

Eiser betwist deze conclusie. Hij heeft daartoe gesteld dat hij bij zijn oudste broer op het adres [adres 1] woont. Deze broer is de hoofdbewoner van dat adres en eiser woont bij hem in. Behalve eisers broer wonen daar nog diens vrouw en hun kind. Zowel eiser als eisers broer en diens vrouw gaan ’s morgens vroeg weg en komen pas laat weer thuis. Eiser heeft voorts gesteld dat hij noch zijn broer een hond heeft nu zij uit religieuze overwegingen geen honden mogen houden.
De kleding die de controleurs op het adres [adres 2] hebben aangetroffen is van eisers broer. De brommers die in het kamertje stonden zijn inderdaad van eiser. Deze staan in de woning van zijn ouders nu eiser daarvoor bij zijn broer geen ruimte heeft. Eiser komt regelmatig bij zijn moeder en heeft op [adres 2], mede vanwege het ruimtegebrek op [adres 1], nog spullen en boeken staan die hij niet direct nodig heeft. De hele familie eet regelmatig bij hun moeder op het adres [adres 2] hetgeen binnen de cultuur van eiser gebruikelijk is, aldus eiser.

13.

Met hetgeen eiser tegen de bevindingen van de controleurs heeft ingebracht, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank in relevante mate twijfel doen rijzen aan de op basis van die bevindingen getrokken conclusie. De rechtbank ziet onvoldoende reden om het betoog van eiser, dat ter zitting in grote lijnen werd bevestigd door diens broer, op voorhand onaannemelijk te achten. Daarbij is voorts van belang dat de controleurs slechts op één adres, te weten op het adres van eisers ouders, een huisbezoek hebben afgelegd, zodat niet kan worden vastgesteld of eiser al dan niet woonachtig zou kunnen zijn op het adres [adres 1]. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat met de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapportage onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat eiser niet op zijn GBA-adres woont. Verweerder heeft eiser derhalve ten onrechte per
1 januari 2012 aangemerkt als thuiswonende.

14.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard. De beslissing op bezwaar van 4 oktober 2012 en het primaire besluit van 23 juni 2012 dienen te worden vernietigd.

15.

Met het vernietigen van het primaire besluit van 23 juni 2012 komt de grondslag aan het primaire besluit van 5 oktober 2012 te ontvallen. Zo al niet tegen dit besluit afzonderlijk bezwaar is gemaakt, neemt de rechtbank aan dat verweerder het beroepschrift in de onderhavige zaak als bezwaarschrift tegen het boetebesluit zal behandelen en dat het besluit van 5 oktober 2012 zal worden vernietigd.

Proceskosten

16.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, omdat niet is gebleken dat eiser kosten heeft gemaakt die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vernietigt het primaire besluit van 23 juni 2012;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 42 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, rechter, in aanwezigheid van
mr. P.C. Stroebel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
12 juni 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending van de uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. -

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. -

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroe