Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:6730

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
AWB-12_11186
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.

Zolang belanghebbenden ná deze medeling ex artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht nog niet zijn gehoord, danwel nog geen schriftelijke reactie aan het bestuursorgaan hebben gezonden of nog niet hebben aangegeven dat ze niet willen worden gehoord is een ingebreke stelling prematuur.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:9
Algemene wet bestuursrecht 7:10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1544
V-N 2013/40.3 met annotatie van Redactie
FutD 2013-1722
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 12/11186

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 mei 2013 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z], eiser

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 115.874 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 200.000. Tevens is bij afzonderlijke beschikkingen een verzuimboete opgelegd van € 567 en een bedrag van € 9.906 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder ontving op 10 februari 2010 een pro forma bezwaar van eiser.

Eiser heeft verweerder bij brief van 6 november 2012 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift. Op 4 december 2012 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2013 te Den Haag.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen [B].

Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar.

Overwegingen

Feiten

1.

Op 31 december 2009 heeft verweerder de aanslag opgelegd naar ambtshalve vastgestelde belastbare inkomens omdat eiser geen aangifte had gedaan.

2.

In zijn brief aan verweerder van 13 januari 2010 schrijft eiser onder meer:

“Hierbij bericht ik u dat dit verzoek om informatie, eerst pas vanaf 9 februari 2010 door U kan worden behandeld als een bezwaarschrift. De motivatie hiervan zal eerst pas plaatsvinden na ontvangst van de gevraagde volledige informatie”

3.

In zijn brief gedateerd 10 februari 2009 – naar de rechtbank begrijpt is bedoeld de datum van 10 februari 2010 – schrijft eiser aan verweerder:

“Hierbij maak ik bezwaar tegen de aanslag”

4.

In zijn brief van 15 februari 2010 is eiser door verweerder onder meer verzocht de gronden van zijn bezwaar mee te delen.

5.

Bij brief van 4 juni 2010 aan verweerder verzoekt eiser om een communicatiestop met de mededeling de beantwoording van vragen eerst met 13 maanden weer ter hand te nemen.

6.

Met dagtekening 25 maart 2011 schrijft eiser aan verweerder een brief met als onderwerp in de kop:

“Betreft: motivering bezwaarschrift aanslag inkomstenbelasting 2007, [nummer]”

7.

Met referte aan de brief onder 5 wordt door verweerder bij brief van 27 april 2012 aan eiser gevraagd op eerder gestelde vragen te antwoorden.

8.

Gemachtigde reageert daarop bij brief van 16 mei 2012 die eindigt met de volgende zin:

“Indien u voornemens bent het bezwaarschrift geheel of ten dele af te wijzen, dan verzoek ik te worden gehoord”

9.

Het verzoek om te worden gehoord herhaalt gemachtigde in zijn brief aan verweerder van 3 juli 2012. Het hoorgesprek had na verdaging plaats op 14 augustus 2012.

10.

In zijn brief van 10 oktober 2012 schrijft de gemachtigde aan verweerder:

“(…) Ik verzoek u thans op korte termijn uitspraak op het bezwaarschrift te doen (…)”.

11.

In reactie op de brief onder 10, schrijft verweerder 29 oktober 2012 – zakelijk weergegeven – dat hij met een nieuw feit bekend is geworden en de daarover gestelde vragen, ook van belang voor het jaar 2006, beantwoord wil zien alvorens uitspraak op bezwaar te doen.

12.

In reactie op de brief onder 11 schrijft de gemachtigde op 6 november 2012 aan verweerder:

“(…) Onder voorbehoud van alle rechten en weren zend ik uw brief door aan belanghebbende met het verzoek de beantwoording daarvan ter hand te nemen. Ik verzoek u de termijn voor beantwoording vooralsnog tot 10 december 2012 te stellen.

Ik verzocht u in mijn brief van 10 oktober j.l. om “thans op korte termijn uitspraak op het bezwaarschrift te doen”. U heeft dit verzoek naast zich neergelegd. Thans stel ik u daarom in gebreke. Ik zeg daarmee dat u te laat bent met beslissen en ik vraag u om binnen twee weken alsnog een beslissing te nemen.”

13.

Verweerder heeft in zijn brief van 8 november 2012 aan eiser geschreven:

“(…) In uw conclusie verzoekt u zowel om uitstel van beantwoording als stelt u mij in gebreke. Dit lijkt mij tegenstrijdig en daarom beperk ik mij tot het verzoek om uitstel. (…)”

14.

De gemachtigde heeft in zijn brief van 19 november 2012 aan verweerder geschreven:

“10. Wellicht kunt U vooruitlopend op het eventuele nadere hoorgesprek de informatie van 22 oktober 2012 aan mij doen toekomen.

11.

Ik handhaaf mijn ingebrekestelling.”

15.

In de brief van 4 december 2012 schrijft de gemachtigde van eiser:

“(…) Helaas bereikte mij het bericht dat mijn cliënt vorige week plotseling in het ziekenhuis is opgenomen met een –naar het zich laat aanzien –ernstige aandoening. Als gevolg daarvan is hij op dit moment niet in staat de door u gevraagde gespecificeerde opgave te vervaardigen.

Ik verzoek u dan ook uitstel voor de beantwoording van uw vragen.

(…)

Ondertussen heb ik beroep aangetekend tegen uw fictieve weigering uitspraak op bezwaar te doen.(…)”

Geschil

16. In geschil is of verweerder ten onrechte nog geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan.

17.

Eiser neemt het standpunt in dat verweerder de termijn waarbinnen hij uitspraak op bezwaar had moeten doen, ten onrechte heeft overschreden.

18.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep en verzoekt om verweerder op te dragen om binnen twee weken na verzending van de uitspraak door de rechtbank uitspraak op bezwaar te doen onder verbeurte van een dwangsom.

19.

Verweerder heeft gemotiveerd betwist dat hij ten onrechte nog geen uitspraak op bezwaar heeft gedaan en concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

20.

Ingevolge artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) beslist het bestuursorgaan binnen zes weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Uitgaande van de dagtekening van de aanslag, te weten 31 december 2009, ving de beslistermijn voor verweerder in beginsel aan op 12 februari 2010. Op 10 februari 2010 ontving verweerder de brief onder 3. Ook de daaraan voorafgaande brief opgenomen onder 2 had vanaf 9 februari 2010 als bezwaarschrift in behandeling kunnen worden genomen door verweerder. Beide brieven bevatten geen motivering van het bezwaar.

21.

Ingevolge het tweede lid van artikel 7:10 van de Awb wordt de beslistermijn opgeschort gerekend vanaf de dag na die waarop de indiener is verzocht een verzuim als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb te herstellen, tot de dag waarop het verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Vast staat dat eiser door verweerder bij brief opgenomen onder 4 is verzocht de gronden van het bezwaar mee te delen.

22.

Hoewel uit eerdere brieven van eiser zoals een brief van 14 april 2010 – deels – al een onderbouwing voor zijn bezwaar valt op te maken, zal de rechtbank voor het vervolg de gemachtigde volgen in zijn stelling dat met de brief onder 6 die motivering was gegeven ondanks dat het onderwerp van die brief anders doet vermoeden.

23.

De rechtbank stelt vast dat door partijen kennelijk daarna gebruik is gemaakt van de mogelijkheid van verder uitstel van de beslistermijn bedoeld in artikel 7:10, onderdeel a, van de Awb. Daarbij neemt de rechtbank met name de brieven onder 5, 7, 8 en 9 in samenhang gelezen, in aanmerking.

24.

Artikel 7:9 van de Awb luidt:

“Wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, wordt dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.”

25.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 22 en 23 en gelet op de brieven onder 11 tot en met 13 heeft verweerder met een beroep op artikel 7:9 van de Awb terecht het standpunt ingenomen dat de ingebrekestelling door eiser prematuur was. De rechtbank acht aannemelijk dat verweerder in oktober 2012 op de hoogte is gekomen van een feit waarmee hij niet eerder bekend was, te weten de aankoop annex verbouwing door eiser van een onroerende zaak in België. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet kan worden uitgesloten dat informatie met betrekking tot dat feit van aanmerkelijk belang kan zijn voor de op het bezwaar te nemen beslissing. Tevens neemt de rechtbank daarbij in aanmerking dat de gemachtigde in zijn brief onder 14 nog wijst op een eventueel nader hoorgesprek. Een nader hoorgesprek dan wel schriftelijke reactie kon – naar de rechtbank begrijpt – nog niet plaatsvinden wegens ziekte van eiser zoals meegedeeld door de gemachtigde in zijn brief onder 15. Eiser heeft evenmin aangegeven te willen afzien van een hoorgesprek. Daarvan uitgaande is het beroep van eiser om verweerder ingevolge artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb, te gelasten uitspraak op bezwaar te doen, prematuur.

26.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient het beroep wegens niet tijdig beslissen op bezwaar ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

27.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.L. Scholte, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. . de naam en het adres van de indiener;

  2. . een dagtekening;

  3. . een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

  4. . de gronden van het hoger beroep