Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:6706

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-05-2013
Datum publicatie
18-07-2013
Zaaknummer
09-777083-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Diefstal door middel van verbreking en inklimming, in vereniging gepleegd. Alsmede poging diefstal door middel van braak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/777083-13

Tul 09/640237-10

Datum uitspraak: 30 mei 2013

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1995 te [geboorteplaats],

in het kader van de preventieve hechtenis wonende te 3202 LJ Spijkenisse, Borgtweg 1 (Rijksinrichting voor Jongens De Hartelborgt Opvang).

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 16 mei 2013.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. J. Grabowsky, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie, mr. R.J.L. van Bokhoven, heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1 primair, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van zes maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (verder: GBM) voor de duur van één jaar met daaraan gekoppeld vervangende jeugddetentie voor de duur van één jaar, inhoudende:

  • -

    dat verdachte zal meewerken aan begeleiding door de William Schrikker Jeugdreclassering in het kader van ITB Harde Kern, hierna gevolgd door de maatregel hulp en steun;

  • -

    dat de verdachte zal meewerken aan individuele behandeling gegeven door een instelling als bijvoorbeeld het Palmhuis, MEE, gericht op sociale vaardigheden, emotieregulatie, weerbaarheid en identiteitsversterking;

  • -

    dat de verdachte elektronisch toezicht door de reclassering zal ondergaan;

  • -

    dat de verdachte zich zal laten begeleiden door Homerun Humanitas.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] tot een bedrag van € 299,-.

Tevens heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 299, - ten behoeve van de benadeelde partij genaamd [slachtoffer 8].

De officier van justitie heeft voorts de tenuitvoerlegging gevorderd van het voorwaardelijk deel van de bij vonnis van de kantonrechter d.d. 2 februari 2011 opgelegde werkstraf, te weten 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie.

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode 2 februari tot en met 3 februari 2013 te Delft, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (te weten [adres 1]) heeft weggenomen een HTC telefoon (type Desire) en/of een of meerdere (beveiligings)camera('s) en/of een of meerdere tablet-computer(s) en/of een notebook-computer en/of een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming te weten door het openbreken van het keukenraam van voornoemde woning en door de aldus ontstane opening naar binnen te klimmen;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij in of omstreeks 2 februari tot en 3 februari 2013 te Delft, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een HTC telefoon (type Desire) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van van die telefoon wist, althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op of omstreeks de periode 2 februari 2013 te Delft, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (te weten [adres 2]) heeft weggenomen een computer (merk HP, type Pavil8590) en/of zilveren oorbellen en/of een beautycase (kleur donkerblauw), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking

en/of inklimming te weten door het openbreken van het slaapkamerraam van voornoemde woning;

3.

hij in of omstreeks de periode 21 december tot en met 23 december 2012 te Delft tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (te weten [adres 3]) heeft weggenomen een computer (merk Apple Macbook pro 13") en/of een horloge (merk Danish Design), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te

nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming te weten door het openbreken van de raam van de woonkamer van voornoemde woning;

4.

hij in of omstreeks de periode 23 december tot en met 24 december 2012 te Delft tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (te weten [adres 4]) heeft weggenomen een sjaal (kleur zwart), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming te weten door het openbreken van de ruit van de eetkamer/slaapkamer;

5.

hij op of omstreeks 18 november 2012 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (te weten [adres 5]) weg te nemen goederen/geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot deze woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen goederen/geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming te weten door ingooing van de ruit aan de voorzijde van woning met een steen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

hij in of omstreeks de periode 31 december 2012 tot en met 1 januari 2013 te Delft met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een woning (te weten [adres 6]) heeft weggenomen diverse goederen (waaronder een zwarte Apple IPhone, zwarte Apple I-Pad, Sony fotocamera, TomTom navigatiesysteem, Nintendo spelcomputer), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 8], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming te weten door verbreking van de ruit van het (draai)raam aan de achterzijde van de woning;

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding onder 2 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij het onder 2 genoemde feit gepleegd zou hebben op of omstreeks de periode 2 februari 2013. De rechtbank stelt vast dat de ten laste gelegde inbraak, blijkens de aangifte van[slachtoffer 3], is gepleegd tussen 25 november 2012 te 11.30 uur en 25 november 2012 te 21.20 uur. Derhalve kan niet worden bewezen dat de verdachte het feit op of omstreeks 2 februari 2013 heeft gepleegd, zodat hij van het onder 2 ten laste gelegde zal worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de inhoud van de vorenstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder 1 primair, 3, 4, 5 en 6 vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht dat:

1.

primair

hij in de periode van 2 februari 2013 tot en met 3 februari 2013 te Delft, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (te weten [adres 1]) heeft weggenomen een HTC telefoon (type Desire) en meerdere beveiligingscamera's en meerdere tablet-computers en een notebook-computer en een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van verbreking en inklimming te weten door het openbreken van het keukenraam van voornoemde woning en door de aldus ontstane opening naar binnen te klimmen;

3.

hij in de periode van 21 december 2012 tot en met 23 december 2012 te Delft tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (te weten [adres 3]) heeft weggenomen een computer (merk Apple Macbook pro 13") en een horloge (merk Danish Design), toebehorende aan [slachtoffer 4], zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder hun bereik te hebben gebracht door middel van braak en inklimming te weten door het openbreken van het raam van de woonkamer van voornoemde woning;

4.

hij in de periode van 23 december 2012 tot en met 24 december 2012 te Delft tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (te weten [adres 4]) heeft weggenomen een sjaal (kleur zwart), toebehorende aan [slachtoffer 5], zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en het weg te nemen goed onder hun bereik te hebben gebracht door middel van braak en inklimming te weten door het openbreken van de ruit van de eetkamer/slaapkamer;

5.

hij op 18 november 2012 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (te weten [adres 5]) weg te nemen goederen/geld, toebehorende aan [slachtoffer 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en zich daarbij de toegang tot deze woning te verschaffen en die weg te nemen goederen/geld onder zijn bereik te brengen door middel van braak te weten door ingooing van de ruit aan de voorzijde van woning met een steen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

6.

hij in de periode van 31 december 2012 tot en met 1 januari 2013 te Delft met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning (te weten [adres 6]) heeft weggenomen diverse goederen (waaronder een zwarte Apple IPhone, zwarte Apple I-Pad, Sony fotocamera, TomTom navigatiesysteem, Nintendo spelcomputer), toebehorende aan [slachtoffer 8], zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik te hebben gebracht door middel van braak en inklimming, te weten door verbreking van de ruit van het (draai)raam aan de achterzijde van de woning;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

De raadsvrouw heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de ten laste gelegde inbraak niet aan de verdachte kan worden gelinkt, nu er ongeveer vierenhalf uur zitten tussen de inbraak en het moment van aantreffen van de verdachte in de auto. De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte ontkent de telefoon, die bij de inbraak was gestolen, uit het autoraam te hebben gegooid en dat er bij die inbraak bovendien meer spullen zijn gestolen, die niet zijn aangetroffen in de auto waarin de verdachte zat.

De rechtbank overweegt als volgt.

Tussen de inbraak in het huis aan [adres 1] en het aantreffen van de verdachte in de auto zit een tijdsspanne van drie tot zes en een half uur. Toen de auto waarin de verdachte zat werd aangehouden en de bestuurder uit de auto was gestapt, is één van de andere twee inzittenden achter het stuur gaan zitten terwijl de andere inzittende op de bijrijderstoel ging zitten. Vervolgens is de auto meteen weggereden. Verbalisanten zijn achter de auto aan gegaan en hebben een stopteken gegeven, waarna de auto tot stilstand kwam. Eén van de verbalisanten zag dat toen het raam van de bijrijder naar beneden ging, dat er een arm uit het raam van de bijrijder kwam en dat er een telefoon uit het raam werd gegooid, die in drie delen op de grond terecht kwam. De mouw van de jas die de bijrijder droeg was donkerblauw, met een witte bies ter hoogte van de pols. In de auto werd de verdachte, de bijrijder, aangetroffen. De verbalisanten zagen dat hij een donkerblauwe jas droeg, met witte biezen om de polsen. De verdachte heeft tegenover één van de verbalisanten en ook ter terechtzitting ontkent dat hij de telefoon had en dat hij deze op de grond heeft gegooid. Eén van de verbalisanten heeft opgemerkt dat de telefoon droog was, terwijl het op dat moment regende. Uit onderzoek bleek vervolgens dat de door de verbalisanten aangetroffen mobiele telefoon de telefoon was die eerder die nacht was gestolen uit het huis gelegen aan voornoemd adres.

De rechtbank overweegt dat de verdachte geen logische verklaring heeft gegeven voor het wegrijden van de auto terwijl de bestuurder, tevens eigenaar van de auto door de politie werd ondervraagd. De verdachte ontkent weliswaar de telefoon uit de auto te hebben gegooid, maar de rechtbank gaat uit van de ambtsedige verklaring van de verbalisanten inhoudende dat zij hebben gezien dat er een telefoon uit de auto werd gegooid, dat degene die gooide een blauwe mouw met witte biezen rond de polsen had, dat de verdachte een blauwe jas droeg met witte biezen ter hoogte van de polsen en dat de telefoon droog was terwijl het regende. De rechtbank stelt derhalve vast dat de telefoon, die eerder die nacht bij de inbraak op voornoemd adres was gestolen, door de verdachte uit het autoraam is gegooid. Gelet op het relatief korte tijdsverloop tussen de inbraak en het aantreffen van de verdachte met één van de gestolen spullen en het ontbreken van een plausibele verklaring hiervoor, concludeert de rechtbank dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het hem onder 1 primair ten laste gelegde.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgrond aannemelijk is geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in een periode van ongeveer tweeënhalve maand in Delft schuldig gemaakt aan het plegen van een vijftal strafbare feiten. Het gaat om vier inbraken en een poging daartoe, al dan niet in vereniging gepleegd. De verdachte is verschillende huizen binnen gegaan en heeft daar spullen weggenomen. Daarbij is steeds schade aangericht door (met een steen) de ruit te (ver)breken. Inbraak is een vervelend strafbaar feit waarbij ernstig inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van personen. In huis behoort men zich veilig te weten. Het moeten meemaken van een inbraak, zeker als men tijdens de inbraak thuis is zoals de aangever van feit 4, maakt onzeker en angstig. Afgezien daarvan veroorzaakt een inbraak veel overlast verband houdende met de ontstane schade en het moeten missen van spullen die voor de eigenaren een materiële en/of emotionele waarde vertegenwoordigen. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij zich aan deze inbraken heeft schuldig gemaakt. De verdachte is enkel uit geweest op eigen gewin en is geheel voorbijgegaan aan de gevolgen van zijn handelen voor de slachtoffers. Door zijn ontkennende en nonchalante houding heeft de verdachte er helaas geen blijk van gegeven dat hij het betreurt dat hij deze feiten heeft gepleegd.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, in het verleden reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke en andere strafbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op de omtrent de verdachte opgestelde rapportages. De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op:

1.

het rapport inhoudende een advies gedragsbeïnvloedende maatregel van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 14 mei 2013, opgesteld door [deskundige A], gedragsdeskundige, orthopedagoog; [deskundige B], gedragsdeskundige, psycholoog/orthopedagoog en [deskundige C], gedragsdeskundige, GZ-psycholoog;

2.

het rapport 2B van de Raad voor de Kinderbescherming, d.d. 14 mei 2013, opgesteld en ondertekend door [mijnheer], raadsonderzoeker;

Het onder 1 genoemde rapport houdt onder meer in, verkort en zakelijk weergegeven:

Bij de verdachte is sprake van een licht verstandelijke beperking, hetgeen hem kwetsbaar en beïnvloedbaar maakt. Het risico van overvraging is groot en er is sprake van een beperkt vermogen tot zelfreflectie. De verdachte is sociaal-emotioneel zwak. Hij heeft een gering vermogen zich in een ander in te leven. De kans op recidive wordt vergroot door het gemis aan positieve sociale contacten, beperkte copingvaardigheden, weinig inzicht in complexe situaties, beïnvloedbaarheid en het ontbreken van een situatie die bij zijn vermogens aansluit. Ook het bagatelliseren van problemen en het afweren van hulp en controle zijn van invloed op de recidivekans. Voor een positieve ontwikkeling moeten verschillende basisvoorwaarden worden gecreëerd, zoals een goed gestructureerd opvoedklimaat. Verder zijn een strakke begeleiding en begrenzing nodig. Er moet een hulpverleningsaanbod komen dat goed aansluit bij de intelligentie en persoonlijkheid van de verdachte. Hij kan profiteren van een individuele, ontwikkelingsgerichte therapie, gericht op het versterken van zijn sociale en morele vaardigheden en het stimuleren van de identiteitsontwikkeling en het gevoelsleven. Verder moet hij zo snel mogelijk weer naar school gaan en ter verdere invulling van de dagbesteding worden aangemeld bij een sportclub. Een GBM wordt geïndiceerd en het meest passend geacht ter voorkoming van recidive, gezien het lik op stuk karakter, de duidelijke afbakening, de programma’s op maat en de stok achter de deur. Bovendien hebben eerdere interventies onvoldoende gewerkt. Als contra-indicaties voor de GBM worden echter genoemd de beperkte verstandelijke vermogens en het feit dat een detentiestraf niet passend is bij de problematiek van de verdachte. Ouderbegeleiding kan niet worden ingezet omdat de ouders van de verdachte te weinig draagkracht hebben. Voorts zoekt de verdachte sterk de weg van zelfstandigheid op. In het rapport wordt een groot aantal behandeldoelen genoemd, gericht op de voorkoming van recidive en het creëren van een gunstige ontwikkeling van de verdachte, waarbij hij een goede dagbesteding zal hebben en kan worden gewerkt aan een goed toekomstperspectief. Ondersteuning in de vorm van ITB Harde Kern, uitgevoerd door de William Schrikker Stichting wordt geïndiceerd geacht. Ook kan Homerun Humanitas ondersteuning en begeleiding bieden. Een behandeling gericht op de sociale vaardigheden, emotieregulatie, weerbaarheid en identiteitsversterking kan vanuit het Palmhuis of Stichting MEE worden geboden. Ook hierin kan Homerun mogelijk een rol spelen. Voorts wordt reguliere behandeling vanuit de (jeugd)reclassering, die kan doorlopen na de GBM, geadviseerd. Tot slot zou elektronisch toezicht onderdeel moeten uitmaken van de op te leggen hulpverlening. Voor de GBM wordt een termijn van een jaar geadviseerd. Mocht tijdens de GBM blijken dat de hulpverlening onvoldoende aansluit bij de mogelijkheden van de verdachte, dan kan in een time-out periode worden onderzocht of wijziging binnen de GBM aan orde is. Gedacht kan worden aan een uithuisplaatsing in een residentiële setting, gericht op jongeren met een licht verstandelijke beperking. Op het moment van opstellen van de rapportage bestond nog onduidelijkheid over de haalbaarheid van verschillende modules binnen de GBM.

In het onder 2 genoemde rapport worden vergelijkbare conclusies getrokken ten aanzien van de problematiek van de verdachte. Voorts houdt het rapport in, zakelijk weergegeven:

Het algemeen recidiverisico wordt hoog geschat. Het belangrijkste is dat de verdachte een goede daginvulling krijgt. Problematisch zijn het tekort aan vaardigheden, de mogelijke beïnvloeding, het niet vasthouden van een dagbesteding en het steeds slechter luisteren naar de hulpverlening. Ondersteuning op die gebieden is belangrijk. Homerun heeft veel expertise op dat gebied. Ter voorkoming van recidive heeft de verdachte externe druk nodig in de vorm van controle, alsook ondersteuning op weg naar de zelfstandigheid. Geadviseerd wordt om aan de verdachte op te leggen de GBM voor de duur van twaalf maanden. Deze maatregel kan de verdachte intensieve hulp op maat bieden en vormt een stok achter de deur. De voorwaarden waaraan de verdachte zou moeten meewerken zijn:

  • -

    Begeleiding door de jeugdreclassering van de William Schrikker Stichting in het kader van ITB Harde Kern, gevolgd door de maatregel hulp en steun (dit biedt controle volgens een strikt programma);

  • -

    Individuele behandeling gegeven door een instelling als het Palmhuis of Stichting MEE, gericht op sociale vaardigheden, emotieregulatie, weerbaarheid en identiteitsversterking;

  • -

    Elektronisch toezicht door de reclassering (zodat het voor de verdachte duidelijk is waar hij wanneer moet zijn);

  • -

    Begeleiding door Homerun Humanitas (een programma van zes uren per week, dat vooral praktische hulp biedt, speciaal gericht op licht verstandelijk beperkte jongeren).

Ter terechtzitting is verschenen de heer[mijnheer 2], als raadsonderzoeker werkzaam bij de Raad voor de Kinderbescherming. Hij heeft verklaard dat de Raad voor de Kinderbescherming het nodig vindt dat de uitvoering van de jeugdreclassering door de William Schrikker Jeugdreclassering wordt uitgevoerd, aangezien deze instantie beter is toegerust om de verdachte met zijn specifieke problematiek te begeleiden. Aan de verdachte wordt dan de laatste kans geboden van een op hem toegespitst hulpverleningsprogramma te profiteren. De heer[mijnheer 2] heeft verklaard dat er weliswaar contra-indicaties zijn voor oplegging van de GBM, maar dat raadsonderzoeker [mijnheer] op creatieve wijze een programma heeft weten samen te stellen om de verdachte nog een kans te geven. De heer[mijnheer 2] heeft het strafadvies van de Raad voor de Kinderbescherming gehandhaafd. Hij heeft aangegeven dat, indien de rechtbank de GBM niet haalbaar oordeelt, wordt geadviseerd om aan de verdachte de maatregel hulp en steun op te leggen, onder dezelfde voorwaarden als opgesteld voor de GBM. De heer[mijnheer 2] heeft voorts de dadelijke tenuitvoerlegging van de hulpverlening geadviseerd. Hij heeft benadrukt dat het, gelet op de uitgebreide problematiek van de verdachte, belangrijk is dat hij zo snel mogelijk met het voor hem opgestelde programma aan de slag gaat. De heer[mijnheer 2] heeft erkend dat het een ingewikkeld programma is en dat het risico bestaat dat het hulpverleningstraject zal mislukken. Omdat er veel steun en controle zal zijn, de verdachte zich thuis wel aan de regels houdt, er binnen de familie mogelijkheden zijn een baantje voor hem te regelen en Homerun zich met de praktische uitvoering van de maatregel kan bemoeien, is de Raad voor de Kinderbescherming van mening dat de verdachte toch een kans moet worden geboden om de GBM tot een succes te maken. Tot slot heeft de heer[mijnheer 2] verklaard dat de verdachte heeft meegewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek en dat daaruit is gebleken dat geen sprake is van een gedragsstoornis of psychische problematiek.

De rechtbank onderschrijft de conclusies uit voornoemde rapportages voor zover deze zien op de bij de verdachte vastgestelde problematiek, de grote kans op recidive en de noodzaak passende hulpverlening te krijgen. Anders dan de officier van justitie en de Raad voor de Kinderbescherming is de rechtbank van oordeel dat oplegging van de GBM echter niet aangewezen is. Uit de onder 1 genoemde rapportage en hetgeen ter zitting door de heer[mijnheer 2] is verklaard, blijkt dat er duidelijke contra-indicaties zijn voor oplegging van de GBM aan de verdachte. De rechtbank acht, gelet op de houding en problematiek van de verdachte en het ontbreken van pedagogische vaardigheden bij de ouders, de kans op het mislukken van de maatregel dermate groot, dat zij oplegging van de maatregel niet in het belang van de verdachte acht. Indien de maatregel zou mislukken, zou een omvangrijke vervangende jeugddetentie het gevolg zijn, terwijl jeugddetentie nu juist niet in het belang is van de verdachte. De kans op mislukken wordt mede groot geacht omdat verdachte vanwege zijn verstandelijke beperking de gevolgen niet kan overzien van het niet nakomen van afspraken in het kader van ITB Harde Kern en het Elektronisch Toezicht. Met de officier van justitie en de Raad voor de Kinderbescherming is de rechtbank van oordeel dat de verdachte wel gebaat zal zijn bij een langdurig en intensief, op zijn specifieke problematiek toegespitst hulpverleningstraject. Oplegging van een deels voorwaardelijke jeugddetentie vormt naar het oordeel van de rechtbank een passende en geboden reactie. Het voorwaardelijke deel zal dienen als stok achter de deur, ten einde de verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen en ten einde hem ertoe te bewegen zich aan de op te leggen bijzondere voorwaarde te houden. Dit voorwaardelijke deel zal korter zijn dan de vervangende jeugddetentie bij de GBM, zoals voorgesteld door de Raad voor de Kinderbescherming en geëist door de officier van justitie. Dit deel zal echter wel langer zijn dan de voorwaardelijke jeugddetentie, apart van de GBM door de officier van justitie gevorderd, nu sprake dient te zijn van een stevige stok achter de deur. Gelet op de hierboven genoemde contra-indicatie zal de rechtbank wat de bijzondere voorwaarde betreft volstaan met de maatregel Hulp en Steun uit te voeren door de William Schrikker Jeugdreclassering. Alsdan kan naar het oordeel van de rechtbank optimaal rekening worden gehouden met de beperkingen van verdachte en kan hij op juiste wijze aangestuurd worden. Anders dan de Raad voor de Kinderbescherming ziet de rechtbank geen aanleiding om de dadelijke tenuitvoerlegging van de bijzondere voorwaarde te bevelen, nu dit ingevolge artikel 77za wetboek van strafrecht alleen mogelijk is indien gevreesd moet worden voor herhaling van een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van personen en daarvan is hier geen sprake.

De vordering van de benadeelde partij.

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde:

[slachtoffer 8] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 299,00. De vordering tot schadevergoeding bestaat uit immateriële schade. De grond voor een vordering tot vergoeding van de immateriële schade is, blijkens de inhoud van het voegingsformulier gelegen in de omstandigheid dat de benadeelde partij zijn woning met een alarmsysteem beter wenst te beveiligen tegen inbraak.

De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 8] afwijzen, aangezien de gestelde immateriële schade naar het oordeel van de rechtbank geen rechtstreeks verband houdt met het onder 6 bewezenverklaarde feit.

Dit brengt mee dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Vordering tenuitvoerlegging

(Ten aanzien van parketnummer 09/640237-10)

De rechtbank acht termen aanwezig voor de toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 15 mei 2013 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde werkstraf, waartoe de verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van de kantonrechter in deze rechtbank d.d. 2 februari 2011, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

45, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77dd, 77ee, 77gg, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het hem bij dagvaarding onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder 1 primair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1

primair

DIEFSTAL, WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT DOOR MIDDEL VAN VERBREKING EN INKLIMMING;

3 4

DIEFSTAL DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN, WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT EN HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN BRAAK EN INKLIMMING;

5

POGING TOT DIEFSTAL, WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT EN HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN BRAAK;

6

DIEFSTAL, WAARBIJ DE SCHULDIGE ZICH DE TOEGANG TOT DE PLAATS VAN HET MISDRIJF HEEFT VERSCHAFT EN HET WEG TE NEMEN GOED ONDER ZIJN BEREIK HEEFT GEBRACHT DOOR MIDDEL VAN BRAAK EN INKLIMMING;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 8 (acht) maanden

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 4 (vier) maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de hierna te noemen bijzondere voorwaarde;

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, zolang die instelling zulks nodig acht, uit te voeren door de William Schrikker Jeugdreclassering,ook als dit inhoudt:

  • -

    dat de verdachte zal meewerken aan individuele behandeling gegeven door een instelling als bijvoorbeeld het Palmhuis, MEE, gericht op sociale vaardigheden, emotieregulatie, weerbaarheid en identiteitsversterking;

  • -

    dat de verdachte zich zal laten begeleiden door Homerun Humanitas;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht;

(ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde)

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 8] af;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;


heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd gelijk is geworden aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde jeugddetentie;

gelast de tenuitvoerlegging van het gedeelte van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de kantonrechter in deze rechtbank d.d. 2 februari 2011, gewezen onder parketnummer 09/640237-10, te weten een werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, subsidiair 20 (twintig) dagen vervangende jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.M.D. de Jong, kinderrechter, voorzitter,

mr. M. van Loenhoud, kinderrechter,

en mr. J.M. Ghrib, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.I. Jansen, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 mei 2013.