Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:6655

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
AWB-12_3841
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Carrouselfraude. Factuurvereisten. Op de zaak betrekking hebbende stukken. Recht op verdediging.

Eiseres handelt in computers, randapparatuur, software e.d. Volgens de inspecteur is sprake van een carrouselfraudeketen daarom heft hij bij eiseres de belasting die zij in aftrek heeft gebracht na. Eiseres raakt ook betrokken bij een strafrechtelijk onderzoek.

De rechtbank oordeelt dat de stukken uit het strafrechtelijk onderzoek geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn omdat de inspecteur niet bij dat onderzoek betrokken is en dit pas is ingesteld nadat eiseres tegen de naheffingsaanslagen beroep had ingesteld. De naheffingsaanslagen zijn volgens de rechtbank terecht opgelegd omdat de desbetreffende facturen niet voldoen aan de wettelijke eisen. Namen, adressen en btw‑identificatienummers van de leveranciers staan daarop niet of onjuist vermeld.

De rechtbank acht het recht op verdediging niet geschonden omdat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd in februari 2012 en eiseres, door eerder afgelegde bedrijfsbezoeken, al in oktober 2011 wist of redelijkerwijs kon weten dat en waarom dit zou gebeuren. De rechtbank oordeelt verder dat conservatoir beslag door de ontvanger voor eiseres geen beletsel was om zich tegen de naheffingsaanslagen te verweren.

Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968 15
Wet op de omzetbelasting 1968 35a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1533
FutD 2013-1721
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 12/3841

uitspraak van de meervoudige kamer van 31 mei 2013 in de zaak tussen

[X] B.V., gevestigd te [Z], eiseres

(gemachtigde: [A]),

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P], verweerder.

Procesverloop

Met dagtekening 2 februari 2012 heeft verweerder aan eiseres een naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 juli 2011 tot en met 31 oktober 2011 opgelegd (de naheffingsaanslag).

Eiseres heeft tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt. Eiseres heeft bij de rechtbank een verzoek voor het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van
27 april 2012 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen.

Op 9 mei 2012 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan en de naheffingsaanslag gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft plaatsgevonden op 19 juli 2012 te Den Haag. Namens eiseres is [A] daar verschenen, bijgestaan door [B]. Namens verweerder zijn daar [C], [D] en [E] verschenen. De rechtbank heeft de zaak aangehouden en verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 12 februari 2013 te Den Haag. Namens eiseres is [A] daar verschenen, bijgestaan door
[F]. Namens verweerder zijn [G], [D] en
[E] verschenen.

De rechtbank heeft de zaak aangehouden en verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op de door eiseres ter zitting overgelegde stukken. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat op 15 februari 2013 in kopie naar partijen is verzonden. De schriftelijke reactie van verweerder is ontvangen op 4 maart 2013. Met toestemming van partijen is een nadere zitting achterwege gebleven.

Overwegingen

Feiten

1.

Eiseres is opgericht op 26 januari 2004 en is statutair gevestigd te [H]. In het handelsregister van de Kamers van Koophandel zijn de activiteiten van eiseres als volgt omschreven: “Groothandel in computers, randapparatuur en software. Groothandel in computer onderdelen (import en export)”. Directeur en enige aandeelhouder van eiseres is [Y]. Het woonadres van Y te [Z] is tevens het vestigingsadres van eiseres.

2.

De naheffingsaanslag heeft betrekking op omzetbelasting die aan eiseres in rekening is gebracht door [I BV] en door [J BV]. [I BV] en [J BV] hebben de op de facturen vermelde omzetbelasting niet op aangiften voldaan.

3.

Volgens de tot de gedingstukken behorende kopiefacturen van [I BV] en [J BV] is
[I BV] gevestigd op het adres [adres 1] te [K] en is [J BV] gevestigd op het adres [adres 2] te [L]. Dit zijn tevens de adressen waar zij volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel zijn gevestigd.

4.

Tot de stukken van het geding behoort een verslag van een medewerker van de belastingdienst over [I BV]. Daaruit blijkt dat het niet mogelijk was de directeur van [I BV] telefonisch te bereiken op één van de door [I BV] opgegeven telefoonnummers. Vervolgens heeft de medewerker op 15 juli 2011 een bezoek gebracht aan het vestigingsadres van [I BV], [adres 1] te [K]. Daarover staat in het verslag het volgende vermeld:

“Geconstateerd dat de vestigingsadres een gesloten kantoorgebouw waar meerdere bedrijven zijn gevestigd. Voor alle andere bedrijven is er een mededeling in de gang of een telefoonnummer aangegeven die de bezoekers kunnen bellen en er is ook een brievenbus met de Namen van de ondernemingen die daar gevestigd zijn. Voor
[I BV] is niets te zien geen mededeling of telefoonnummer en geen naam op een van de brievenbussen.”

Uit het verslag blijkt verder dat de directeur van [I BV] (de directeur) vervolgens schriftelijk is uitgenodigd voor een gesprek op het belastingkantoor en dat hierop door de assistente van de directeur is meegedeeld dat hij wegens vakantie is verhinderd. Daarna heeft de medewerker van de belastingdienst verschillende keren geprobeerd telefonisch een nieuwe afspraak te maken. De directeur was niet te bereiken. Voornoemde assistente heeft twee andere telefoonnummers en een vestigingsadres verstrekt. Op het betreffende vestigingsadres bleek [I BV] niet te zijn gevestigd en op de door de assistente opgegeven telefoonnummers was zij noch de directeur te bereiken. Bij brief van 16 augustus 2011 is de directeur nogmaals uitgenodigd voor een gesprek op het belastingkantoor. Daar is hij niet verschenen.

5.

De belastingdienst heeft vervolgens per 23 augustus 2011 het BTW-nummer van
[I BV] doorgehaald.

6.

Het vestigingsadres van [J BV], [adres 2] te [L], is een woonadres. De bewoners hebben verklaard [J BV] en haar directeur niet te kennen. [J BV] is daarop per

20 september 2011 door de belastingdienst afgevoerd als ondernemer voor de omzetbelasting. Tot de stukken van het geding behoort een verslag van de bevindingen van een medewerker van de belastingdienst inzake [J BV]. Daaruit blijkt dat de directeur van
in oktober 2011 telefonisch contact heeft opgenomen met de belastingdienst met het verzoek de onderneming weer te activeren. Daarbij heeft hij een nieuw vestigingsadres opgegeven. Twee medewerkers van de belastingdienst hebben met de directeur van [J BV] aldaar afgesproken. Het nieuwe adres is een bedrijfsverzamelgebouw waar de medewerkers van de belastingdienst werden ontvangen in een kantine-achtige ruimte naast de receptie op de benedenverdieping van het gebouw. De directeur van [J BV] verklaarde elders in dit gebouw over kantoorruimte te beschikken. Uit het verslag blijkt dat de belastingdienst de nodige twijfels hield over [J BV] en dat daarom is besloten het BTW nummer niet te activeren.

7.

Op 16 augustus 2011 heeft verweerder bij eiseres een bedrijfsbezoek afgelegd op het adres van het administratiekantoor dat de administratie van eiseres verzorgt. Op
18 augustus 2011 heeft verweerder een verslag van dit bedrijfsbezoek aan eiseres gestuurd dat, voor zover hier van belang, als volgt luidt:

“Aard van de handelsactiviteiten

De activiteiten bestaan uit de groothandel c.q. import en export in computerapparatuur en electronica zoals playstations, nintendos, iphones. Momenteel heeft de BV uitsluitend binnenlandse transacties. (…).

[De afnemer van eiseres] plaatst telefonisch (via scape) de opdracht bij [eiseres], vervolgens zet [eiseres] telefonisch een order uit naar [M]. [De afnemer van eiseres] geeft in de opdracht aan waar de goederen geleverd moeten worden. Op het moment dat [eiseres] inkoopt wordt een factuur opgemaakt door [M] en op het moment dat [eiseres] verkoopt wordt tevens een factuur opgemaakt. De betalingen vinden vooraf plaats. Uit de administratie is gebleken dat de inkoop en de verkoop op dezelfde dag plaats vinden. De betalingen vinden op dezelfde dag plaats als de inkoop en verkoop of soms een dag later.

[Eiseres] beschikt niet over een opslagruimte. De ingekochte goederen door [eiseres] worden door [de leverancier van eiseres] afgeleverd op het adres zoals op de facturen staat vermeld van [N], [adres 3] [O]. Van elke levering was een kopie van het inspectierapport aanwezig.

(…).

8.

Per brief van 18 augustus 2011 deelt verweerder eiseres mee dat uit onderzoek is gebleken dat eiseres goederen heeft aangeschaft waarvan het sterke vermoeden bestaat dat deze worden verhandeld binnen een keten waarin tenminste door één partij niet aan zijn verplichtingen betreffende de omzetbelasting wordt voldaan. In deze brief, die in kopie tot de gedingstukken behoort, geeft verweerder onder meer een opsomming van de kenmerken van carrouselfraude en houdt hij eiseres voor dat zij alles dient te doen wat redelijkerwijs van haar mag worden verwacht om te voorkomen dat zij onderdeel wordt van een keten waarin carrouselfraude wordt gepleegd. Verweerder noemt vervolgens zeven punten waaruit zou kunnen blijken dat eiseres de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht.

9.

Op 4 oktober 2011 heeft verweerder bij eiseres opnieuw een bedrijfsbezoek afgelegd. Van dit bezoek heeft verweerder op 25 oktober 2011 eiseres een verslag gestuurd dat, voor zover hier belang, als volgt luidt:

“In het eerste bezoek was gebleken dat er was gehandeld in Sony Playstations 3. Bij dit bezoek is geconstateerd dat de handel is uitgebreid met I-Phones en I-Pads.

(…)

Bij dit bezoek is gebleken dat [Y] sinds juli 2011 handelt met [I BV]. [I BV] is sinds 23 augustus 2011 geen ondernemer meer voor de omzetbelasting en beschikt dus niet meer over een actieve btw-nummer. Tevens handelt [eiseres] met [[J BV]]. [Eiseres] beschikt nog steeds niet over een opslagruimte. (…) Volgens [Y] bezoekt hij af en toe de warehouse om erop toe te zien dat de leveringen daadwerkelijk plaats vinden.

(…)

Overige opmerkingen

[Y] is erop gewezen dat hij de nieuwe leveranciers niet heeft gemeld. Hij heeft gehandeld met leveranciers die geen actieve btw-nummer hebben. In het gesprek gaf hij aan dat hij dagelijks de btw-nummers controleert alvorens een transactie plaatsvindt. Hij gaf aan dat hij verantwoordelijk is voor zijn bedrijfsvoering en hij de wetenschap heeft met betrekking tot transacties die hij verricht. Hij aanvaard daarbij ook de risico’s van zijn handelen.

[Y] gaf aan dat hij al maanden geen zaken meer doet met [I BV] en dat hij momenteel handelt met [Q]. Uit de inkoopfacturen blijkt dat er tot en met 6 oktober 2011 facturen zijn uitgeschreven door [I BV]. [I BV] heeft sinds
23 augustus 2011 geen actieve btw-nummer. Uit de bankafschriften blijkt dat er bedragen worden betaald aan [Q], terwijl de inkoopfacturen afkomstig zijn van
. Een klein deel van de factuur wordt overgemaakt aan [I BV] met de omschrijving “vergoeding”.

(…)

Indien de voorbelasting wordt opgenomen in de aangifte zal deze worden geweigerd:

- omdat gehandeld is met een leverancier waarvan [Y] de wetenschap heeft dat deze leverancier geen actieve btw-nummer heeft. Hij gaf aan dat hij bij elke transactie de btw-nummer controleert. [Y] heeft dus hierbij de wetenschap dat de leverancier geen aangifte en afdracht zou (kunnen) verrichten terwijl [eiseres] wel de btw in aftrek zou (kunnen) brengen.

- op basis van het Kittel-arrest. [Y] wist of had kunnen weten dat hij handelt in goederen die vermoedelijk in een carrouselfraude betrokken zijn.

De aangifte over het derde kwartaal is nog niet ingediend. Bij deze aangifte zal om bovenstaande redenen de voorbelasting van de inkoopfacturen, die betrekking hebben op de facturen die aan ons zijn verstrekt, worden geweigerd.”

10.

Per brief van 18 januari 2012 deelt verweerder eiseres mee dat hij voornemens is haar voor de periode derde kwartaal 2011 en oktober 2011 een naheffingsaanslag van € 1.357.774 op te leggen. De naheffingsaanslag betreft de voorbelasting die eiseres heeft afgetrokken. In de brief wordt de reden voor het weigeren van de aftrek van voorbelasting als volgt geformuleerd:

“omdat enerzijds is gehandeld met leveranciers die geen actief btw-nummer meer hebben en anderzijds op basis van het Kittel-arrest (…)”

11.

Verweerder heeft de brief van eiseres van 6 februari 2012 waarin zij reageert op de brief van verweerder van 18 januari 2012 aangemerkt als bezwaarschrift tegen de inmiddels met dagtekening 2 februari 2012 opgelegde naheffingsaanslag.

12.

Op 16 en 19 januari 2012 heeft de Ontvanger conservatoir beslag laten leggen op de bankrekeningen van eiseres.

13.

Tijdens de behandeling van het bezwaar hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd. In haar brief aan verweerder van 3 april 2012 schrijft eiseres onder meer het volgende:

“Ten aanzien van uw overige vraag, te weten waarom [eiseres] bedragen betaalt aan [Q] terwijl de inkoopfacturen ten name van [I BV] staan, begrijp ik van [Y] dat [Q] de leverancier van [I BV] was. Ten einde een transactie efficiënt en spoedig tot stand te brengen, leverde [Q] dikwijls rechtstreeks aan [eiseres]
(ABC-overeenkomst). De overeenkomst(en) behelsden met andere woorden een rechtstreekse levering aan [eiseres] onder vergoeding door [eiseres] aan zowel [Q] als aan haar (contractuele) leverancier [I BV]. Een niet ongebruikelijke manier van zaken doen in het (internationale) handelsverkeer.”

14.

Per brief van 30 januari 2013 is Y door de FIOD[te R] uitgenodigd voor een verhoor. Deze brief, die in kopie tot de gedingstukken behoort, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“In verband met een strafrechtelijk onderzoek heeft er op 27 november 2012 een doorzoeking plaats gehad.

In het kader van dit strafrechtelijk onderzoek willen wij u uitnodigen voor een verhoor.

Het verhoor zal plaats vinden op dinsdag 5 februari 2013 te 9.30 uur in het politiebureau [adres 4].

U kunt zich daar melden bij de receptie en vragen naar (…) van de FIOD.

U zal worden aangehouden en gehoord als verdacht van:

Het plegen / medeplegen van / medeplichtigheid aan / feitelijk leiding geven aan:

 opzettelijk doen van onjuiste belastingaangiften;

 witwassen;

 deelname aan een criminele organisatie.”

Geschil

15.In geschil is of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd omdat eiseres geen recht heeft op aftrek van voorbelasting ter zake van de omzetbelasting die aan haar in rekening is gebracht door [I BV] en [J BV]. Meer specifiek is in geschil of sprake is van carrouselfraude, of eiseres dit wist of redelijkerwijs behoorde te weten, of zij in dat kader voldoende zorgvuldigheid heeft betracht en of eiseres beschikt over op de voorgeschreven wijze opgemaakte facturen. Voorts is in geschil of verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd en of bij het opleggen van de naheffingsaanslag het recht op verdediging is geschonden.

16.

Eiseres stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd. Zij heeft daarvoor – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

De facturen voldoen aan de wettelijke vereisten. Zij heeft het bestaan en de identiteit van haar leveranciers geverifieerd door uittreksels van de registratie van [I BV] en [J BV] bij de Kamer van Koophandel en kopieën van identiteitbewijzen van de directeuren van deze BV’s op te vragen. Zij heeft steeds gecontroleerd of de leveranciers een actief btw-identificatienummer hadden. De goederen werden regelmatig gecontroleerd. Bij het eerste bedrijfsbezoek was Y maar vijf minuten aanwezig. Pas later heeft hij van de boekhouder vernomen dat de ambtenaar had verteld dat [I BV] en [J BV] geen actief btw-identificatienummer meer hadden. Aangaande het recht op verdediging stelt eiseres dat zij niet kon reageren op het voornemen van verweerder om de naheffingsaanslag op te leggen, omdat direct na de aankondiging van de naheffingsaanslag invorderingsmaatregelen in de vorm van conservatoir beslag zijn genomen.

17.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de naheffingsaanslag.

18.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd en heeft daarvoor – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Eiseres was als afnemer betrokken bij (carrousel)fraude en wist dan wel behoorde dit te weten. Zij is zonder enige kennis van de desbetreffende branche van de ene op de andere dag betrokken geraakt bij omvangrijke handelstransacties. De elkaar snel opvolgende leveranciers van eiseres zijn niet traceerbaar en het betalingsverkeer vertoont hiaten.

Bij de bedrijfsbezoeken is eiseres gewaarschuwd en is met haar afgesproken dat zij de btw-identificatienummers zou checken bij de belastingdienst. Y is verantwoordelijk voor alle bedrijfsactiviteiten bij eiseres en de hiervoor genoemde punten kunnen hem niet ontgaan zijn. Verder is volgens verweerder geen sprake van reële leveringen door [I BV] en [J BV] en voldoen de facturen van [I BV] en [J BV] niet aan de eisen die daaraan in artikel 35a van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet) worden gesteld omdat de identiteit van de leveranciers niet/onvoldoende kan worden vastgesteld.

Aangaande het recht op verdediging stelt verweerder zich op het standpunt dat tussen de aankondiging van de naheffingsaanslag van 18 januari 2012 en het daadwerkelijk opleggen van de naheffingsaanslag op 2 februari 2012 een periode van 11 dagen is gelegen waarmee eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad zich uit te laten over de gronden voor de naheffingsaanslag. Met de correspondentie voorafgaand aan de aankondiging en de aankondiging zelf heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom de naheffingsaanslag zal worden opgelegd.

19.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Op de zaak betrekking hebbende stukken

20.

Eiseres heeft aangevoerd dat tegen Y een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld, dat de daarop betrekking hebbende stukken ook op de onderhavige zaak betrekking hebben en dat deze stukken daarom door verweerder moeten worden overgelegd. Verweerder heeft verklaard dat hij niet betrokken is bij het strafrechtelijk onderzoek, dat hij niet over die stukken beschikt en dat hij zijn standpunt heeft bepaald aan de hand van de stukken die door hem zijn overgelegd.

21.

Uit de in 14 geciteerde brief, komt naar voren dat het strafrechtelijk onderzoek tegen Y eerst is ingesteld nadat eiseres het onderhavige beroep heeft ingesteld. De stukken van dat onderzoek kunnen reeds daarom geen deel uitmaken van onderhavige zaak. De rechtbank acht voorts de verklaring van verweerder dat hij bij het strafrechtelijk onderzoek niet betrokken is of betrokken is geweest, aannemelijk. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de in genoemde brief vermelde strafbare feiten ter zake waarvan Y als verdachte wordt gehoord, niet de feiten zijn op grond waarvan de naheffingsaanslag is opgelegd. Dat, naar eiseres heeft gesteld, zou zijn besloten tot een bestuursrechtelijk afdoening, blijkt evenmin uit de stukken. De rechtbank merkt daarbij op dat de keuze tussen strafrechtelijke of bestuursrechtelijke afdoening alleen betrekking kan hebben op de vorm van het te voeren proces en de daaruit voortvloeiende beslissing tot het al dan niet opleggen van een sanctie. Het opleggen van een belastingaanslag is naar zijn aard een bestuurlijke beslissing en bij het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslag is geen sanctie in de vorm van een (bestuurlijke) boete opgelegd. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de in het strafrechtelijk onderzoek geproduceerde of nog te produceren stukken geen op de onderhavige zaak betrekking hebbende stukken zijn en dat het overleggen daarvan niet van verweerder kan worden gevorderd.

Weigering aftrek voorbelasting wegens niet op de voorgeschreven wijze opgemaakte facturen

22.

Op grond van artikel 15, eerste lid, onder a, van de Wet kan de belasting die aan de ondernemer in rekening is gebracht op een op de voorgeschreven wijze opgemaakte factuur als voorbelasting in aftrek worden gebracht. Op grond van artikel 35a, eerste lid, onderdelen c en e, van de Wet, dienen op een factuur onder meer te zijn vermeld het btw-identificatienummer van de ondernemer die de desbetreffende leveringen of diensten heeft verricht en de naam en het adres van de ondernemer die de prestatie heeft verricht. Aan dit laatste vereiste is voldaan indien de ondernemer ter zake van zijn activiteiten als ondernemer op het in de factuur vermelde adres kan worden aangetroffen (vergelijk Hoge Raad, 19 december 1990, nr. 26 904, LJN: ZC4502).

23.

Uit het onder 4 vermelde verslag volgt dat [I BV] niet kon worden aangetroffen op het vestigingsadres zoals dit op haar facturen stond vermeld. Voorts ontbreekt op het merendeel van de door [I BV] aan eiseres uitgereikte facturen het btw-identificatienummer van [I BV]. De facturen van [I BV] voldoen daarmee niet aan de eisen die daaraan worden gesteld in artikel 35a van de Wet.

24.

Verweerder heeft onweersproken verklaard dat het adres van [J BV] zoals dit op de facturen staat vermeld een woonadres is en dat [J BV] en haar directeur aldaar niet bekend zijn. Dat brengt mee dat [J BV] op het door haar vermelde adres niet kon worden aangetroffen. Dat de directeur van [J BV] in oktober 2011 meedeelt dat [J BV] een nieuw bedrijfsadres heeft, doet niet af aan het feit dat op de hier in geding zijnde facturen het kennelijk onjuiste adres [adres 2] te [L] stond vermeld. Op de facturen ontbreekt voorts het btw-identificatienummer van [J BV]. Ook de facturen van [J BV] voldoen derhalve niet aan de eisen die daaraan worden gesteld in artikel 35a van de Wet.

25.

Niet gesteld kan worden dat met de onjuiste adressen op de facturen sprake is van een te verwaarlozen vergissing die geen ruimte laat voor misverstand omtrent de identiteit van de ondernemer. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat aan eiseres geen beroep toekomt op paragraaf 3.7 van het besluit van de Staatssecretaris van 12 februari 2009,
nr. CPP 2009/263. Dat eiseres, naar zij stelt, steeds heeft geverifieerd of haar leveranciers nog een actief BTW-identificatienummer hadden, leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres heeft in dat verband verklaard dat zij deze verificatie heeft gedaan via de website www.vatcheck.eu en dat zij daarvan steeds de bevestiging heeft gekregen dat de desbetreffende leveranciers beschikten over een geldig BTW nummer. Verweerder heeft evenwel onweersproken gesteld dat deze website is opgericht door een onderneming die per 11 september 2010 is ontbonden en dat deze kennelijk niet meer wordt onderhouden, geen officiële EU bron is en dat hierop niet op enigerlei wijze toezicht plaatsvindt door of namens de EU of een lidstaat van de EU. Eiseres heeft tegenover deze verklaring van verweerder niet aannemelijk gemaakt dat zij heeft kunnen en mogen afgaan op de informatie afkomstig van deze website.

Het recht op verdediging

26.

In het Sopropé-arrest heeft het HvJ EG vastgesteld dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht vormt dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen. Dit beginsel vereist dat de adressaat van een besluit dat zijn belangen aanmerkelijk raakt, in staat wordt gesteld naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Daartoe dient een redelijke termijn te worden geboden. De termijnen voor de uitoefening van de rechten van de verdediging mogen niet van een zodanige aard zijn dat zij de uitoefening van de rechten van de verdediging in de praktijk onmogelijk of uiterst moeilijk maken.

27.

De rechtbank constateert dat in het verslag van het bedrijfsbezoek dat op 25 oktober 2011 aan eiseres is gezonden verweerder reeds heeft meegedeeld dat eiseres de omzetbelasting die zij aan haar afnemer in rekening brengt is verschuldigd op grond van artikel 37 van de Wet en dat en waarom hij aftrek van de omzetbelasting die aan eiseres in rekening is gebracht volgens de aan verweerder verstrekte inkoopfacturen, zou weigeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit voornemen voldoende gemotiveerd. Omdat het daarbij ging om een aangifte die op dat moment nog niet was ingediend, laat dit, naar het oordeel van de rechtbank, geen andere gevolgtrekking toe dan dat eiseres, met het indienen van de aangiften voor het derde kwartaal en de maand oktober 2011, redelijkerwijs kon verwachten dat haar een naheffingsaanslag zou worden opgelegd en ook waarop die zou zijn gegrond. Ook in de brief van 18 januari 2012 heeft verweerder de redenen voor het weigeren van de voorbelasting vermeld. De stelling van eiseres dat verweerder de gronden van de naheffingsaanslag niet zou hebben vermeld, mist dan ook feitelijke grondslag. Gezien het feit dat eiseres reeds vanaf oktober 2011 wist dat en waarom de door haar opgevoerde voorbelasting zou worden nageheven, is de rechtbank van oordeel dat eiseres met de, weliswaar korte, periode tussen de aankondiging van de naheffingsaanslag en het daadwerkelijk opleggen daarvan voldoende gelegenheid heeft gehad op het standpunt van verweerder te reageren. Niet gesteld kan worden dat het uitoefenen van het recht van verdediging onmogelijk dan wel uiterst moeilijk is gemaakt. Dat de ontvanger voorafgaand aan het opleggen van de naheffingsaanslag conservatoir beslag heeft gelegd, maakt niet dat aan eiseres feitelijk niet meer in de mogelijkheid was zich voorafgaand aan de naheffingsaanslag hiertegen te verweren. De rechtbank is daarom van oordeel dat het recht op verdediging niet is geschonden.

28.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht opgelegd en dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd over de vraag of sprake is van carrouselfraude en hetgeen eiseres dan wel haar directeur daaromtrent kan worden aangerekend, behoeft daarom geen behandeling.

Proceskosten

29.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, voorzitter, mr. K.M. Braun en

mr. A.J. van Doesum, leden, in aanwezigheid van H. van Lingen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021,

2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1.

bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2.

het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. . de naam en het adres van de indiener;

  2. . een dagtekening;

  3. . een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

  4. . de gronden van het hoger beroep.