Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:6629

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
02-07-2013
Zaaknummer
12-9946
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aanvraag uitkering Wet WIA afgewezen omdat wachttijd niet is volgelopen. Deskundigenoordeel Uwv over geschiktheid werknemer tot verrichten eigen arbeid in kader van procedure bij de burgerlijke rechter, met als uitkomst dat werknemer gedurende de wachttijd weer arbeidsgeschikt was.

Werkgever heeft in het vonnis, dat steunt op de uitkomst van het deskundigenoordeel, berust. Geen reden voor nader onderzoek, temeer niet omdat deskundigenonderzoek ook door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van verweerder is uitgevoerd en dichter op het relevante tijdstip is gelegen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/9946

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2013 in de zaak tussen

V.O.F. [A], gevestigd te [plaats B], eiseres,

(gemachtigde: mr. J.M. Breevoort)

en

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: G.M. Folkers).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [C], te [plaats D], belanghebbende.

(gemachtigde: mr. E.P. Koevoet)

Procesverloop

Bij besluit van 19 juni 2012 heeft verweerder aan [C] per 16 augustus 2012 een zogeheten WGA-uitkering toegekend.

Bij besluiten van 16 juli 2012 heeft verweerder het besluit van 19 juni 2012 ingetrokken respectievelijk bepaald dat [C] de wachttijd van 104 weken niet heeft doorlopen en diens aanvraag afgewezen.

Bij besluit van 14 september 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen besluit van 19 juni 2012 niet-ontvankelijk verklaard en het bezwaar tegen de besluiten van 16 juli 2012 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2013. Namens eiseres zijn

[E] en [F] verschenen, bijgestaan door mr. K.M. van Dijk-Opstal, plaatsvervangster van de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Belanghebbende [C] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1. Op 1 december 1998 is [C] als nachtreceptionist bij eiseres, die een hotel exploiteert, in dienst getreden. Op 19 augustus 2010 heeft [C] zich vanwege cardiale klachten ziek gemeld. Op 21 september 2010 heeft [C] zich weer hersteld gemeld. Niet in geschil is tussen partijen dat [C] vanaf 8 september 2011 niet meer in staat is zijn werkzaamheden bij eiseres te verrichten als gevolg van een verkeersongeval.

1.2. Vanwege die hersteldmelding is er tussen eiseres en [C] een arbeidsconflict ontstaan over de vraag of [C] voor zijn eigen werk geschikt was. Naar aanleiding van het standpunt van eiseres, dat [C] niet voor zijn eigen werk geschikt was, heeft [C] een deskundigenoordeel van verweerder gevraagd als bedoeld in artikel 7:629a van het Burgerlijk Wetboek (BW, verder: de deskundigenprocedure). In verband hiermee heeft de verzekeringsarts van verweerder op 21 januari 2011 een rapport uitgebracht, waarna een arbeidskundig onderzoek heeft plaatsgevonden. In de rapportage deskundigenoordeel van 15 februari 2011 is de arbeidsdeskundige van verweerder tot de conclusie gekomen dat [C] geschikt was voor zijn eigen werk.

1.3. Omdat eiseres [C] vanaf zijn ziekmelding per 19 augustus 2010 niet meer had opgeroepen om arbeid te verrichten noch een re-integratietraject had gestart, heeft [C] eiseres op 16 juli 2011 voor de kantonrechter gedagvaard en een verklaring voor recht gevorderd dat hij in de periode van 27 december 2010 tot 8 september 2011 arbeidsgeschikt was voor zijn bedongen eigen werkzaamheden.

1.4. In het vonnis van 3 juli 2012 heeft de kantonrechter geoordeeld dat de rapportage deskundigenoordeel van 15 februari 2011 voldoende aanknopingspunten biedt om deze te volgen en de door [C] gevorderde verklaring voor recht toegewezen.

1.5. Ondertussen had [C] een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) aangevraagd, waarop bij het primaire besluit van 19 juni 2012 is beslist.

1.6. Bij brief van 4 juli 2012 heeft [C] het vonnis van 3 juli 2012 aan verweerder toegezonden met de mededeling dat hij van 27 december 2010 tot 8 september 2011 volledig arbeidsgeschikt was, hetgeen betekent dat hij de wachttijd niet nog heeft doorlopen en aanspraak maakt op ziekengeld van eiseres. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de besluiten van 16 juli 2012 genomen.

1.7. Eiseres heeft bij brief van 31 juli 2012, bij verweerder ontvangen op 1 augustus 2012, bezwaar gemaakt. Daarbij heeft eiseres aangevoerd dat [C] bij besluit van

19 juni 2012 voor een zogeheten IVA-uitkering in aanmerking dient te worden gebracht, omdat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en dat dit besluit ten onrechte is ingetrokken.

2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat, gelet op het vonnis van

3 juli 2012 van de kantonrechter, er geen aanleiding is geweest om een eigen onderzoek naar de juistheid van de arbeidsgeschiktheid per 27 december 2010 van [C] te verrichten. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij het vonnis van 3 juli 2012 mag volgen. Bovendien heeft eiseres geen medische gegevens overgelegd, die het deskundigenoordeel tegenspreken. Verweerder heeft het bezwaar, voor zover gericht tegen besluit van 19 juni 2012 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat eiseres geen belanghebbende is nu dit besluit bij besluit 16 juli 2012 is ingetrokken. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiseres geen belang heeft, omdat het toekennen van een IVA-uitkering door de intrekking van de WIA-uitkering onmogelijk is geworden. Het bezwaar tegen de besluiten van 16 juli 2012 heeft verweerder ongegrond verklaard.

3.

In beroep heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat verweerder een eigen onderzoeksplicht heeft en kan afwijken van de overwegingen van het vonnis van 3 juli 2012 van de kantonrechter. Verweerder heeft ten onrechte meer waarde gehecht aan het deskundigenoordeel dan aan de adviezen van de bedrijfsarts die [C] meerdere keren heeft onderzocht en de arbeidsdeskundige Van der Stede van Arboned die uitvoerig onderzoek naar het eigen werk heeft verricht. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres een rapport van 25 januari 2013 van deze arbeidsdeskundige overgelegd.

4.

De rechtbank ziet zich in dit geding allereerst geplaatst voor de beantwoording van de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht het bezwaar tegen de besluiten van 16 juli 2012 ongegrond heeft verklaard.

5.1.

De rechtbank overweegt in de eerste plaats dat verweerder terecht het bezwaar van eiseres als gericht tegen beide besluiten van 16 juli 2012 heeft aangemerkt, nu beide besluiten gezamenlijk strekken tot intrekking van het besluit van 19 juni 2012 en vervanging daarvan door een nieuwe beslissing op de aanvraag van [C] die aan het besluit van 19 juni 2012 ten grondslag lag.

5.2.

Ter zitting is vast komen te staan dat eiseres geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van 3 juli 2012 van de kantonrechter, waarin deze op grond van de uitkomsten van de deskundigenprocedure, uitgevoerd door verweerder, heeft geoordeeld dat [C] tot 8 september 2011 geschikt is geweest voor het verrichten van zijn eigen arbeid bij verweerder. Dit vonnis is derhalve onherroepelijk geworden.

5.3.

Het standpunt van eiseres dat verweerder naast de uitkomst van de deskundigenprocedure tevens een eigen onderzoeksplicht heeft naar de vraag of eiser de wachttijd heeft volgemaakt, kan in dit geval niet tot de door haar gewenste uitkomst leiden. Uit de systematiek van het Burgerlijk Wetboek, de Ziektewet, en de Wet WIA in onderlinge samenhang, leidt de rechtbank af dat verweerder bij de beoordeling of de wettelijk voorgeschreven wachttijd is volgemaakt, in beginsel mag afgaan op hetgeen in de arbeidsverhouding tussen werknemer en werkgever rechtens is komen vast te staan in het geval een deskundigenprocedure is gevolgd. Deze procedure voorziet immers juist in een onderzoek dat door een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige van verweerder wordt uitgevoerd, waarna voor de betrokken partijen de rechtsgang bij de burgerlijke rechter open staat. Dit onderzoek is bovendien in de tijd dichter bij het tijdstip gelegen waarop de geschiktheid van [C] voor zijn eigen arbeid moest worden beoordeeld, 27 december 2010, dan een onderzoek dat in het kader van de aanvraag om een uitkering in 2012 zou zijn uitgevoerd. De uitkomsten zijn in dit geval ook door de burgerlijke rechter beoordeeld en eiseres heeft in het oordeel berust. Desgevraagd is van de kant van eiseres namelijk ter zitting meegedeeld dat zij op advies van haar toenmalige gemachtigde geen hoger beroep tegen dat vonnis heeft ingesteld, omdat hiervoor geen inhoudelijke aanknopingspunten waren. Verweerder heeft daarom van de juistheid van de uitkomst van het deskundigenoordeel mogen uitgaan.

5.4.

Daaruit volgt dat de wachttijd, die per de datum van uitval van

19 augustus 2010 van [C] is aangevangen, op 27 september 2010 is gestuit, waardoor hij de wachttijd van 104 weken als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de WIA niet heeft doorlopen. Uit dit artikelonderdeel volgt dat [C] geen aanspraak kan maken op een WIA-uitkering en is het recht op een WIA-uitkering niet ontstaan, omdat [C] niet heeft voldaan aan één van de in artikel 47, eerste lid, van de WIA opgenomen voorwaarden.

5.5.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat bovenstaande vraag bevestigend dient te worden beantwoord en dat verweerder de besluiten van 16 juli 2012 terecht bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd en het hiertegen gerichte bezwaar van eiseres ongegrond heeft verklaard. Verweerder heeft op goede gronden zijn besluit van 19 juni 2012 ingetrokken en vervangen door een afwijzing van de aanvraag van [C] omdat hij de wachttijd niet heeft volgemaakt vanaf 21 september 2010.

5.6.

Deze conclusie brengt mee dat het op 1 augustus 2012 ontvangen bezwaar, voor zover gericht tegen het besluit van 19 juni 2012, tegen een besluit was gericht dat op dat moment al was ingetrokken.

5.7.

Verweerder heeft dit bezwaar dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij merkt de rechtbank op dat als het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 16 juli 2012 doel had getroffen, verweerder gelet op artikel 7:11, eerste lid, Awb, opnieuw had moeten beslissen op de aanvraag van [C], waarna eiseres opnieuw in rechte had kunnen opkomen tegen dat besluit als [C] daarbij geen IVA-uitkering was toegekend.

6.

Aangezien de beroepsgronden falen is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, rechter, in aanwezigheid van

J.M. Lo-A-Njoe, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden naar partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.