Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:6074

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
08-08-2013
Zaaknummer
437096 - JE RK 13-395
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rapportage van het Haags Ambulatorium maakt niet inzichtelijk waarom geadviseerd wordt tot terugplaatsing van beide meisjes. De kinderrechter verlengd de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige sub 1 voor een kortere periode om Bureau Jeugdzorg de gelegenheid te geven zich uit te laten omtrent het verloop van de procedure

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: JE RK 13-395

Zaaknummer: C/09/437096

Datum beschikking: 24 april 2013

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

Beschikking op het op 12 februari 2013 ingekomen verzoekschrift van:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, vestiging Zuid-Holland Midden (verder: Bureau Jeugdzorg),

met betrekking tot de minderjarigen:

1.

[minderjarige 1], [voornamen mj 1], geboren op [geboortedag 1] 2001 te [geboorteplaats 1]

2.

[minderjarige 2], [voornamen mj 2][voornamen mj 2] geboren op [geboortedag 2]2004 te[geboorteplaats 2];

3.

[minderjarige 3], [voornamen mj 3], geboren op [geboortedag 3]2007 te [geboorteplaats 3]

kinderen uit het huwelijk van:

[de heer A][de heer A],

de vader,

en

[mevrouw B][mevrouw B],

de moeder,

beiden wonende te [woonplaats]

die gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen.

De minderjarige sub. 1 verblijft feitelijk in een pleeggezin, de minderjarige sub. 2 verblijft feitelijk in een GOM gezin en de minderjarige sub. 3 verblijft bij de ouders.

Procedure

Bij beschikking d.d. 8 april 2013 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van de minderjarigen sub 1 tot en met 3 verlengd van 10 april 2013 tot 25 april 2013 en heeft de kinderrechter de aan Bureau Jeugdzorg verleende machtiging de minderjarigen sub 1 en 2 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen verlengd voor gelijke duur. De kinderrechter heeft de behandeling van de verzoeken voor het overige aangehouden en verwezen naar de Meervoudige Kamer.

Voor een overzicht van het procesverloop en de feiten in deze procedure tot 8 april 2013 verwijst de rechtbank naar voornoemde beschikking. De rechtbank heeft kennisgenomen van de in die beschikking genoemde processtukken. De rechtbank noemt volledigheidshalve twee processtukken waarnaar in het hierna volgende zal worden verwezen:

  • -

    de beschikking d.d. 6 maart 2013 van het Gerechtshof Den Haag, waarin onder meer is bepaald dat de op dat moment geldende machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van de minderjarige sub 3 met ingang van 13 maart 2013 wordt beëindigd;

  • -

    het rapport d.d. 3 april 2013 van het Haags Ambulatorium betreffende een Forensisch Psychologisch Onderzoek naar de ouders en de minderjarigen.

Op 23 april 2013 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank opnieuw met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen:

  • -

    de heer J. Bocking, de heer J. Pappers en mevrouw S.N. Scheele namens Bureau Jeugdzorg;

  • -

    de ouders, bijgestaan door hun advocaat mr. R.W. de Gruijl, kantoorhoudende te Rotterdam.

Van de zijde van Bureau Jeugdzorg zijn pleitaantekeningen overgelegd. Door mr. Gruijl zijn eveneens pleitaantekeningen overgelegd, met als bijlage de eindrapportage d.d. 11 april 2013 van Stek, Ambulante Spoedhulp. De moeder heeft een brief overgelegd.

De minderjarige sub 1 is in raadkamer gehoord.

Het standpunt van Bureau Jeugdzorg

Bureau Jeugdzorg handhaaft het verzoek tot ondertoezichtstelling voor alle drie de minderjarigen. Het verzoek strekkende tot machtiging [mj 3] uit huis te plaatsen trekt Bureau Jeugdzorg in gelet op voornoemde beschikking van het gerechtshof Den Haag, zodat de rechtbank op dat verzoek niet meer hoeft te beslissen. Bureau Jeugdzorg handhaaft voorts de verzoeken strekkende tot machtiging tot uithuisplaatsing van [mj 1] en [mj 2] en voert daartoe het volgende aan.

In bovengenoemd rapport van het Haags Ambulatorium (verder: het rapport) worden grote zorgen geuit over de opvoedingsvaardigheden van de ouders; in het bijzonder ten aanzien van de vader – die volgens de onderzoekers niet in staat wordt geacht om zich voldoende open te stellen voor de hulpverlening – maar ook ten aanzien van de moeder, die onder andere moeilijk het overzicht over de zorg voor de minderjarigen kan bewaren en over een broze draagkracht beschikt. Bureau Jeugdzorg kan zich vinden in het advies om [mj 2] gezien zijn zware gedragsproblematiek en specifieke opvoedingsbehoefte in een gespecialiseerd gezinshuis te plaatsen. Het verbaast Bureau Jeugdzorg echter dat de onderzoekers van het Haags Ambulatorium adviseren om zowel [mj 1] als [mj 3] thuis te plaatsen met inzet van intensieve gespecialiseerde gezinszorg en met inzet van weekend/vakantie pleeggezinnen. Laatstgenoemd advies strookt niet met de zeer zorgelijke voorgeschiedenis van het gezin en de ervaringen die de hulpverlening tot nu toe met hen heeft, welke factoren de onderzoekers niet hebben kunnen meewegen, nu de ouders zich tegen kennisname van stukken inzake hun hulpverleningsgeschiedenis hebben verzet.

Bureau Jeugdzorg acht het opmerkelijk dat het gerechtshof Den Haag heeft besloten tot terugplaatsing van [mj 3] zonder de uitkomsten van het onderzoek af te wachten en zonder een overgangsperiode in acht te nemen. De ervaringen van de ambulante hulpverleners van Stek met de thuisplaatsing van [mj 3] de afgelopen weken laten een redelijk positief beeld zien, maar dat wil nog niet zeggen dat de ouders thans daadwerkelijk in staat zouden zijn om de minderjarigen naar behoren te verzorgen en op te voeden. Wellicht is de zorg voor [mj 3] op dit moment vanuit praktisch oogpunt goed genoeg, dat zegt echter nog niets over haar (emotionele) ontwikkeling op de langere termijn. Er valt op dit moment niet te beoordelen of de ouders ten aanzien van hun persoonlijke problematiek, een zodanige groei hebben doorgemaakt dat zij thans wel in staat moeten worden geacht een emotioneel veilig opvoedingsklimaat te bieden. De omstandigheid dat de ouders de problematiek van de kinderen nog steeds niet lijken te erkennen vormt een groot risico en te betwijfelen valt of de ouders in staat zullen zijn opvoedondersteuning (langdurig) te accepteren, aldus Bureau Jeugdzorg.

Bureau Jeugdzorg benadrukt dat alle minderjarigen na de uithuisplaatsing zijn opgebloeid en in die situatie beter tot hun recht lijken te komen.

Resumerend meent Bureau Jeugdzorg dat de ouders met hun eigen emotionele ontwikkeling en beperkingen daarin, hun draagkracht, de ontkenning van de problematiek en hun aandeel daarin, de minderjarigen op dit moment onvoldoende kunnen bieden wat zij voor herstel van hun emotionele ontwikkeling op het gebied van hun hechtingsrelatie, zelfbeeld, somberheidsklachten en gedragsproblemen nodig hebben. Bureau Jeugdzorg ziet eventueel mogelijkheden in mentaliserende GGZ therapie voor de ouders waarin zij begrepen worden in hun problematiek. De resultaten van hun ontwikkeling daarin zouden leidend moeten zijn voor toekomstige besluitvorming.

Het standpunt van de ouders

Van de zijde van de ouders wordt geen verweer gevoerd tegen de verzochte verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij voeren echter welverweer tegen het verzoek betreffende de uithuisplaatsing van [mj 1] en [mj 2] welk verweer strekt tot afwijzing van dat verzoek, dan wel in het geval van [mj 2] tot verlening van een machtiging voor een kortere termijn dan verzocht. De ouders stellen dat zij zich vanaf het begin begeleidbaar hebben opgesteld. Inmiddels hebben zij hun huishouden op orde, hebben zij meer aandacht voor hygiëne en voor hun taalgebruik jegens de kinderen en hebben zij hun werktijden zodanig aangepast dat zij de kinderen goed kunnen opvangen. De ouders verwijzen ook naar voornoemde beschikking van het hof, waarin is overwogen dat ondanks de problematiek in het gezin deels sprake was van een positieve ontwikkeling in de periode voorafgaand en tijdens de uithuisplaatsing. Het hof overwoog daarnaast dat gebleken is dat de vader uiteindelijk wel heeft meegewerkt aan de hulpverlening en dat het merendeel van de doelen uit het hulpverleningsplan zijn behaald. Ten aanzien van [mj 3] zag het hof geen belemmering om haar thuis te plaatsen, temeer nu zij geen gedragsproblemen vertoonde en in ieder geval moeder in staat is zich bij haar aan te sluiten. Ten aanzien van de andere minderjarigen overwoog het Hof dat eerst het onderzoek door het Haags Ambulatorium diende te worden afgewacht voordat terugplaatsing aan de orde zou zijn. Volgens het rapport kan [mj 1] nu in ieder geval naar huis en de ouders sluiten zich daarbij aan. Voor wat betreft de geadviseerde uithuisplaatsing van [mj 2]hebben de ouders aangevoerd dat zij het daar niet mee eens zijn. Zij willen niet dat hun kinderen gescheiden opgroeien. Met de juiste begeleiding moeten de ouders in staat worden geacht om ook hem op te voeden. De ouders vinden dat de begeleiding door Bureau Jeugdzorg tot nu toe veel te wensen heeft overgelaten en zij vinden het opmerkelijk dat na de thuisplaatsing van [mj 3] is gebleken dat gerichte gezinshulp opeens wel mogelijk is, terwijl dat voorheen niet mogelijk leek. Tot slot wensen de ouders nog op te merken dat de verzorging van de minderjarigen in de respectievelijke pleeggezinnen/het gezinshuis veel te wensen overlaat.

Beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het zeer uitvoerige rapport. Het is de rechtbank niet ontgaan dat in het rapport ook positieve punten over de ouders naar voren komen, maar het beeld dat uit het gehele rapport naar voren komt, is toch dat er sprake is van grote zorgen zowel omtrent de minderjarigen als omtrent de ouders.

Zonder uitputtend te willen zijn overweegt de rechtbank dat bij beantwoording van vraag 10 –Hoe is de persoonlijkheid van ouders op basis van klinische impressies en psychologisch testonderzoek? Indien er sprake is van persoonlijke problematiek bij vader/moeder, in hoeverre belemmert hem/haar dit in zijn/haar pedagogisch handelen ten opzichte van de kinderen? – van moeder wordt gezegd dat haar draagkracht gezien de draaglast in haar leefsituatie broos aandoet. Haar lage gevoel van eigenwaarde en lage energieniveau, gevoelens van neerslachtigheid en haar broze draagkracht in combinatie met de zware draaglast vormen belemmerende factoren in haar pedagogisch handelen ten opzichte van de kinderen.

Van de vader wordt aldaar opgemerkt dat belemmeringen bij de opvoeding worden gezien in zijn sterk egocentrische houding en zijn geringe introspectieve vermogen, zijn impulsiviteit, het snelle ongeduld en de prikkelbaarheid.

Over de pedagogische en effectieve kwaliteiten van de ouders wordt bij vraag 11 in het rapport opgemerkt dat moeder enig inzicht in de opvoedingsbehoefte van de kinderen heeft, maar moeite heeft consequent te zijn, te structureren en overzicht te houden, waardoor zij vrij snel overbelast raakt als er extra eisen aan haar worden gesteld.

De affectieve mogelijkheden van vader zijn beperkt, wat maakt dat hij de kinderen weinig emotionele ondersteuning kan bieden en moeilijk kan aansluiten bij hun behoefte aan aandacht en positieve bevestiging. Verder schieten zijn pedagogische vaardigheden tekort als het gaat om op een positieve manier structuur en leiding geven en, met name van belang voor [mj 2] het fungeren als (positief) mannelijk rolmodel.

Met betrekking tot de vraag of de ouders in de opvoedingsbehoeften van de kinderen kunnen voorzien (vraag 12) wordt in het rapport opgemerkt dat alle kinderen wel een zorgelijke sociaal-emotionele ontwikkeling en kenmerken van hechtingsproblematiek vertonen, wat naast aanlegfactoren en de zeer plotselinge uithuisplaatsing voor een groot deel aan de vroegere onoverzichtelijke en onveilige thuissituatie gerelateerd kan worden. Zij hebben hierdoor extra behoefte aan een voorspelbare en veilige omgeving met voldoende structuur, duidelijkheid, begrenzing en een consequente benadering.

Ten aanzien van de moeder wordt hier opgemerkt, dat het voor haar moeilijk zal zijn om al het probleemgedrag in gezamenlijkheid te hanteren. Daarnaast vormt haar broze draagkracht een belemmering om permanent voldoende emotioneel beschikbaar te zijn voor alle drie de kinderen.

Ten aanzien van vader wordt opgemerkt dat het hem moeilijk zal vallen de kinderen op een positieve en geduldige manier aandacht te geven.

In antwoord op vraag 17 – aan welke voorwaarden dient de opvoedingssituatie van de kinderen te voldoen? Indien zou worden besloten tot thuisplaatsing, hoe kan dit zo verwantwoord mogelijk worden gerealiseerd? – wordt in het rapport opgemerkt dat in een situatie waarin het gezin weer is samengesteld als vóór de uithuisplaatsing, niet de verwachting is dat de omschreven kwaliteiten van ouders ontoereikend zijn om nieuwe escalaties te voorkomen. De samenstelling van het gezin is voor hen te belastend, waarbij de draaglast de draagkracht te boven lijkt te gaan.

Intensieve hulpverlening, gericht op verandering van ingesleten patronen in het gezin, ligt ook niet in de lijn der verwachtingen. Met name vader wordt niet in staat geacht zich voldoende open te stellen voor de hulpverlening.

De problemen in de sociaal-emotionele ontwikkeling waar de kinderen in het onderzoek alle drie blijk van geven kunnen worden versterkt door nu al te adviseren dat zij niet meer bij deze ouders kunnen opgroeien.

Vervolgens wordt in het rapport geadviseerd om, alles overwegende, de beide meisjes weer thuis te plaatsen met ondersteuning van moeder en ter ontlasting van moeder het inschakelen van een weekend/vakantiegezin.

Vanwege het forse probleemgedrag dat [mj 2]in vrijwel alle milieus laat zien heeft hij een zeer specifieke opvoedingsbehoefte, waar de ouders onvoldoende aan tegemoet kunnen komen. Geadviseerd wordt dan ook om hem in een gezinshuis te plaatsen.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt in het rapport niet inzichtelijk gemaakt waarom, in weerwil van de (zeer) ernstige zorgen die rond de ouders en de kinderen naar voren komen, toch geadviseerd wordt tot terugplaatsing van de beide meisjes. Volstaan wordt met op te merken dat alles overwegende voor thuisplaatsing wordt gekozen, maar om welke overwegingen het daarbij gaat is de rechtbank niet duidelijk geworden. De rechtbank plaatst gelet daarop twijfels bij de conclusie in het rapport ten aanzien van de beide meisjes en zal het rapport dan ook niet onverkort volgen.

Dit ligt anders met betrekking tot [mj 2]. Naar het oordeel van de rechtbank sluit de conclusie in het rapport ten aanzien van hem aan bij hetgeen volgens het rapport over hem en de ouders is bevonden. De rechtbank ziet hierin aanleiding ten aanzien van hem het rapport te volgen en te beslissen als nader wordt vermeld.

Met betrekking tot [mj 1] is de rechtbank van oordeel dat eerst moet worden bezien hoe het [mj 3] in de thuissituatie vergaat alvorens verder te beslissen. Uit het rapport blijkt immers dat de draagkracht van de ouders beperkt is. De rechtbank heeft kennisgenomen van de Eindrapportage ambulante spoedhulp van STEK. Uit die rapportage komen positieve signalen naar voren, maar er blijkt ook van zorgelijke punten. Zo maakt de spoedhulpwerker zich zorgen om de stress- en energiebalans van moeder als de (werk-)druk op moeder te groot wordt, plast [mj 3] nog steeds in haar broek, en wordt er geadviseerd om op veel punten, zowel ten aanzien van de ouders als ten aanzien van [mj 3], vervolghulp in te zetten. Daar komt bij dat deze rapportage nog op een betrekkelijk korte periode ziet.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat thuisplaatsing van [mj 1] thans niet aan de orde is. Afgewacht dient te worden hoe het [mj 3] in de thuissituatie vergaat waarbij de draagkracht en draaglast van de ouders, alsmede hun opvoedingsvaardigheden in relatie tot de problemen bij [mj 3], door de gezinsvoogd gevolgd zullen moeten worden.

Ook de uitkomsten van de voorgestelde hulpverlening zullen moeten worden afgewacht alvorens ten aanzien van [mj 1] verder te beslissen.

De rechtbank zal dan ook de machtiging tot uithuisplaatsing voor [mj 1] voor na te noemen periode verlengen in afwachting van nadere rapportage van Bureau Jeugdzorg. Deze rapportage dient niet alleen te zien op de thuissituatie van [mj 3], waarbij ook informatie van de hulpverlenende instanties dient te worden gevraagd, maar ook op de school waar [mj 3] naar toe gaat. Bureau Jeugdzorg wordt gevraagd de informatie veertien dagen vóór afloop van na te noemen termijn aan de rechtbank en belanghebbenden toe te zenden.

Mitsdien beslist de rechtbank als volgt.

Beslissing

De rechtbank:

verlengt de ondertoezichtstelling van de minderjarigen sub 1 tot en met 3 van 25 april 2013 tot 20 april 2014 met behoud van de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, zijnde een stichting zoals bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg;

en

verlengt de aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, verleende machtiging de minderjarige sub 2 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 25 april 2013 tot 20 april 2014, zijnde de duur van de ondertoezichtstelling, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 6 februari 2013;

verlengt de aan de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland, verleende machtiging de minderjarige sub 1 gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 25 april 2013 tot 25 oktober 2013, zulks ter effectuering van het aangehechte indicatiebesluit d.d. 7 februari 2013;

verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan tot 1 oktober 2013 PRO FORMA; uiterlijk twee weken vóór die datum dient Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland zich uit te laten omtrent het verloop van de procedure zoals in het lichaam van deze beschikking is overwogen;

bepaalt dat, ná ontvangst van de reactie van Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland en nadat partijen in de gelegenheid zijn gesteld om daarop binnen veertien dagen schriftelijk te reageren, de behandeling ter terechtzitting, op een nader te bepalen datum en tijdstip, zal worden voortgezet;

gelast de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling ter terechtzitting op te roepen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.D. Veenendaal (voorzitter), J.C. U-A-Sai en

M. Dam, kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 april 2013, in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.

Nu de voorzitter buiten staat is deze beschikking te ondertekenen,

wordt deze beschikking ondertekend door de oudste rechter.

Van deze beschikking kan hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift bij de griffie van het Gerechtshof Den Haag.