Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:3962

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-04-2013
Datum publicatie
30-01-2014
Zaaknummer
C/09/390086 / HA ZA 11-889
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Brandverzekering. Verzekeraar is niet geslaagd in het bewijs van brandstichting en van merkelijke schuld aan de zijde van bestuurders van de verzekeringnemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/390086 / HA ZA 11-889

Vonnis van 3 april 2013

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A&D LOGOMAT B.V.,

gevestigd te Almelo,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A&D TEXTIEL TEAM B.V.,

gevestigd te Almelo,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat eerst mr. E. Grabandt, thans mr. J.P. Heering te Den Haag,

tegen

de naamloze vennootschap

AEGON SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. C. Blanken te Den Haag.

Partijen zullen hierna Logomat (enkelvoud) en Aegon genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 4 januari 2012 (hierna: het tussenvonnis)

  • -

    het proces-verbaal van de enquête aan de zijde van Aegon van 18 april 2009;

  • -

    het proces-verbaal van de enquête aan de zijde van Aegon en de contra-enquête aan de zijde van Logomat van 6 september 2012;

  • -

    het proces-verbaal van de voortzetting van de enquête aan de zijde van Aegon en de contra-enquête aan de zijde van Logomat van 7 november 2012;

  • -

    de conclusie na enquête (in conventie en in reconventie) van Aegon, met producties;

  • -

    de antwoordconclusie na enquête, met producties.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling in conventie en in reconventie

2.1.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank Aegon toegelaten te bewijzen dat de brand in het bedrijfspand van Logomat op vrijdag 23 januari 2009 is ontstaan door brandstichting en dat [W] en/of [V] (directeuren van Logomat) betrokken zijn geweest bij de brandstichting.

2.2.

Aegon heeft als getuigen voorgebracht:

- [A] (hierna: [A]), AA-accountant;

- [B] (hierna: [B]), directeur I-Tek B.V.;

- [C] (hierna: [C]), scheikundig ingenieur;

- [D] (hierna: [D]), technisch onderzoeker bij Interseco B.V.;

- [E] (hierna: [E]), directeur van [E] Expertise B.V.

2.3.

Logomat heeft als getuigen voorgebracht:

- [V], directeur/aandeelhouder van Logomat;

- [W], directeur/aandeelhouder van Logomat;

- [X] (hierna: [X]), leerkracht basisonderwijs;

- [Y] (hierna: [Y]) adviseur;

- [Z] (hierna: [Z]), directeur van Brand Technisch Bureau Nederland B.V.

2.4.

De rechtbank is, alles overwegende, van oordeel dat Aegon niet is geslaagd in haar

bewijsopdracht, gelet op het volgende.

2.5.

De door partijen ingeschakelde deskundigen zijn het erover eens dat de brand in de door Logomat gehuurde bedrijfshal is ontstaan. Deze deskundigen zijn evenwel bij de getuigenverhoren gebleven bij hun verschillende mening over de locatie van de primaire brandhaard, de wijze van het ontstaan van de brand en de beantwoording van de vraag of al dan niet sprake is geweest van brandstichting. Zoals reeds in het tussenvonnis is overwogen, heeft de rechtbank geen reden om aan de vakbekwaamheid van deze deskundigen te twijfelen. Het komt de rechtbank met name gelet op de snelle ontwikkeling van de brand meer aannemelijk voor dat deze is aangestoken dan dat de brand een technische oorzaak heeft. Er kan evenwel niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat er sprake is geweest van brandstichting in plaats van een andere oorzaak. Bij dit oordeel acht de rechtbank met name van belang dat gerede twijfel is blijven bestaan over de vraag of de in de monsters van de tapijttegels SVO 1 t/m 3 aangetroffen cyclische alkanen afkomstig zijn van een brandversneller. Dit temeer nu getuige [C] onder meer heeft verklaard dat hij in zijn langdurige ervaring nog niet eerder in het kader van onderzoek van brandmonsters is gestuit is op cyclische alkanen in relatie tot brandversnellers noch in relatie tot pyrolyse.

2.6.

Veronderstellerwijs aannemende dat wel sprake is geweest van brandstichting, is niet komen vast te staan dat [W] en/of [V] hierbij betrokken zijn geweest, gelet op het volgende.

2.7.

Volgens Aegon is de meest relevante aanwijzing voor brandstichting door of op instigatie van Logomat dat [W] en [V] op meerdere onderdelen onware verklaringen hebben afgelegd. Hiertoe heeft Aegon in de eerste plaats gewezen op de bestaande huurachterstand van Logomat. [V] heeft hierover als getuige verklaard dat hij aan de verhuurder [Q] heeft medegedeeld dat het in het najaar van 2008 mogelijk niet zou lukken om de huur tijdig te betalen, maar dat het in januari 2009 in orde zou komen. Naar zijn indruk had [Q] daarmee geen probleem en daarom heeft hij, [V], aanvankelijk tegen [B] gezegd dat er geen betalingsachterstanden waren. De getuige [B] heeft hierover onder meer verklaard dat [Q] heeft ontkend dat er met hem contact was opgenomen over deze huurachterstand. [Q] is op dit punt echter niet als getuige gehoord. Gelet op het voorgaande is niet gebleken dat de aanvankelijke verklaring van [V] tegenover [B] dat er geen betalingsachterstanden met betrekking tot de huur bestonden onwaar was, in de zin van opzettelijk onjuist.

2.8.

In dit verband acht de rechtbank nog van meer belang dat uit hetgeen [A], de accountant van Logomat, over haar financiële positie ten tijde van de brand heeft verklaard, niet zonder meer een motief voor brandstichting kan worden afgeleid, zoals Aegon heeft aangevoerd. Volgens [A] was er weliswaar ten tijde van de brand bij Logomat al enige tijd een liquiditeitstekort - tengevolge van hoge loonkosten, rentelasten en het versneld aflossen van een lening voor een machine - en werd er al enige jaren verlies gemaakt, doch daar staat tegenover dat er een goed gevulde orderportefeuille was, dat de omzet in 2008 met 30% was gegroeid en dat er ook sprake was van een verbeterde marge, zodat de ontwikkeling van het bedrijf in 2007 en 2008 ondanks het liquiditeitstekort positief kon worden gewaardeerd, aldus de getuige [A]. Gelet hierop kan, anders dan Aegon heeft betoogd, niet worden geconcludeerd dat [V] tegenover [B] opzettelijk onjuist heeft verklaard, toen hij zei dat de omzetten bij Logomat stegen en dat 2008 een goed jaar was geweest. Dat de financiële situatie van Logomat geen motief oplevert, wordt ondersteund door het feit dat Logomat, ondanks dat de brandschade niet (geheel) is vergoed (er is uitsluitend een voorschot van € 50.000,- uitgekeerd), op een andere locatie haar activiteiten heeft voortgezet.

2.9.

Aegon heeft met betrekking tot een mogelijk motief voor brandstichting nog gewezen op de verklaring van de getuige [B]. Deze heeft onder meer verklaard dat in het taxatierapport van de bedrijfsinventaris van Logomat van 8 april 2008 een mattenprintmachine met een werkbreedte van 200 cm is vermeld, terwijl Logomat een machine met een werkbreedte van 150 cm had, die vanwege deze beperkte breedte bedrijfseconomisch weinig waarde had. Volgens [B] wilden verzekerden hun productie verhogen, zodat zij genoodzaakt zouden kunnen zijn om de machine met een werkbreedte van 2 meter aan te schaffen. Bij navraag heeft de financier van de bestaande machine aan hem verklaard niet bereid te zijn een machine van 2 meter breedte te financieren, aldus [B]. Deze getuigenverklaring acht de rechtbank niet beslissend, aangezien [B] tevens heeft verklaard dat verzekerden hem niet de wens hebben te kennen gegeven dat zij de grotere machine wilden aanschaffen. Er zijn ook geen andere concrete aanwijzingen voor een zodanig voornemen van Logomat.

2.10.

Aegon heeft voorts betoogd dat [V] en/of [W] tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over a) de wijze waarop zij zijn geïnformeerd over de alarmmelding, b) de wijze waarop [W] [V] op de hoogte heeft gesteld van de brand en c) de handelingen van [W] na de alarmmelding. Hetgeen [W], [V] en de echtgenote van [W], [X], op deze punten als getuigen hebben verklaard komt de rechtbank geloofwaardig over. Voor zover deze verklaringen op onderdelen afwijken van eerdere uitlatingen kan daaruit niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat [W] en [V] onwaar hebben verklaard, in de zin van opzettelijk onjuist. Aegon heeft overigens geen nader bewijs van haar suggestie dat [W] niet thuis was ten tijde van de alarmmelding aangedragen.

2.11.

Met betrekking tot het bewijsthema merkelijke schuld blijft de rechtbank bij haar opmerking in 4.26 van het tussenvonnis dat de rechtbank de handelwijze van Aegon niet juist voorkomt.

2.12.

Ten slotte acht de rechtbank nog van belang dat de getuigen [D], [E] en [Z] het erover eens zijn dat niet kan worden uitgesloten dat in het bedrijfspand (via een zijraam of een loopdeur) is ingebroken voorafgaand aan de brand.

2.13.

Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep van Aegon op artikel 294 WvK (oud) en op de vervalclausules (artikel 7.2 van de polisvoorwaarden nr. 1030 en artikel 6.3 van de polisvoorwaarden nr. 1243) c.q. artikel 7:941 lid 5 BW faalt en dat Logomat jegens Aegon aanspraak kan maken op dekking onder de verzekeringen.

2.14.

Logomat vordert wettelijke rente over het door Aegon uit te keren bedrag vanaf 8 juli 2009, de datum waarop, zoals vast staat, Aegon aan Logomat heeft meegedeeld niet tot uitkering van de schade te zullen overgaan. Aegon heeft daartegenover aangevoerd dat pas recht op wettelijke rente bestaat vanaf de datum dat de schade is geleden en zij na ingebrekestelling in verzuim is met het betalen van deze schade. Volgens Aegon is niet gesteld of gebleken dat zij met betrekking tot alle schadeposten in verzuim was per 8 juli 2009. Dit verweer gaat niet op, nu grondslag van de vordering van Logomat is nakoming van de verzekeringsovereenkomsten en Logomat uit de mededeling van Aegon van 8 juli 2009 heeft moeten afleiden dat laatstgenoemde in de nakoming zal tekortschieten (artikel 6:83 aanhef en onder c BW). Hierdoor is op 8 juli 2009 verzuim ingetreden.

2.15.

De slotsom is dat de vordering in conventie zal worden toegewezen en dat de vordering van Aegon in reconventie zal worden afgewezen. Uiteraard dient bij de schade-uitkering rekening te worden gehouden met het aan Logomat betaalde voorschot van

€ 50.000,-.

2.16.

Aegon zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Deze kosten worden aan de zijde van Logomat in conventie als volgt begroot:

- dagvaarding: € 90,81

- griffierecht: € 568,-

- getuigentaxen: € 950,-

- salaris advocaat: € 2.034,- (4,5 punten à € 452,- volgens tarief II)

totaal: € 3.642,81

In reconventie worden de proceskosten aan de zijde van Logomat begroot op € 2.011,50 (2 ¼ punt à € 894,- volgens tarief IV) aan salaris advocaat.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

veroordeelt Aegon tot nakoming van de verzekeringen door de schade te laten vaststellen conform de polisvoorwaarden aan inventaris, goederen, bedrijfsschade en al hetgeen volgens de verzekeringen daarnaast of daarboven is verzekerd, het vast te stellen bedrag aan Logomat uit te keren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

3.2.

veroordeelt Aegon in de kosten van de procedure, aan de zijde van Logomat tot op heden begroot op € 3.642,81;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in reconventie

3.4.

wijst de vordering af;

3.5.

veroordeelt Aegon in de kosten van de procedure, aan de zijde van Logomat tot op heden begroot op € 2.011,50.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2013.1

1 type: 1554coll: