Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19762

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-07-2013
Datum publicatie
25-09-2020
Zaaknummer
AWB 12 / 27109, AWB 13 / 242, AWB 13 / 700 en AWB 13 / 704
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

In geschil is of de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 10 januari 2012 met kenmerk 22251/07 (LJN: BV2982) met zich meebrengt, dat eisers moeten worden vrijgesteld van het vereiste om leges te betalen. De voorzieningenrechter leidt uit voornoemde uitspraak af dat alleen wanneer sprake is van een gestelde schending van een recht in het EVRM dient te worden onderzocht of gesproken kan worden van een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het EVRM, waarbij ook de hoogte van de leges een rol kan spelen. Een vermeende schending van artikel 3 van het EVRM vanwege een medische noodsituatie kan aan bod komen bij een beroep op artikel 64 van de Vw 2000. Hierbij speelt het aspect van legeskosten niet, zodat in dat opzicht aan eisers een effectief rechtsmiddel ter beschikking staat. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 12 / 27109, AWB 13 / 242, AWB 13 / 700 en AWB 13 / 704

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 juli 2013 op de beroepen en de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[eiser] , eiser

[eiseres] , eiseres, hierna gezamenlijk te noemen eisers,

(gemachtigde: mr. A.J.P. Lemmen),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. Stiphout).

Procesverloop

Bij het besluit van 26 juli 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van eisers voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), onder de beperking ‘medische behandeling’ niet in behandeling genomen.

Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar ingediend. Verder heeft eiser de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening (AWB 12 / 27109).

Bij de besluiten van 5 december 2012 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening met AWB nummer 12 / 17109 ingevolge artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank. Verder heeft eiseres de voorzieningenrechter verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening (AWB 13 / 700).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 juni 2013. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. De in beroep bestreden besluiten zijn namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2.

In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

3.

Eisers, geboren op [geboortedatum 1] en op [geboortedatum 2] en van Armeense nationaliteit, hebben op 15 april 2012 een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder de beperking ‘medische behandeling’.

4.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvragen van eisers buiten behandeling gesteld op de grond dat eisers de verschuldigde leges niet hebben voldaan. Verweerder heeft voorts bepaald dat de vrijstellingen van legesbetaling niet op eisers van toepassing zijn. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd en het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

5.

Eisers hebben in beroep betoogd dat zij in aanmerking komen voor vrijstelling van de betaling van leges. Zij hebben geen geld om dit bedrag te voldoen en hebben dit ook voldoende aangetoond. Eisers doen in dit verband een beroep op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 10 januari 2012 met kenmerk 22251/07 (LJN: BV2982).

6.

De voorzieningenrechter constateert dat tussen partijen niet in geschil is, dat eisers niet voldoen aan de vrijstellingen van legesbetaling, zoals deze zijn opgenomen in het Voorschrift Vreemdelingen en in paragraaf B1/9.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Tussen partijen is in geschil of voornoemde uitspraak van het EHRM met zich meebrengt, dat eisers moeten worden vrijgesteld van het vereiste om leges te betalen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

7.

In de uitspraak van het EHRM van 10 januari 2012 was aan de orde de klacht van een vreemdeling dat Nederland in strijd met artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) handelde. Klager beschikte niet over de financiële middelen om de leges te betalen, waarop de minister de aanvraag van klager in het kader van gezinshereniging buiten behandeling heeft gesteld. Het EHRM heeft deze klacht ambtshalve getoetst aan artikel 13 van het EVRM, het recht op een effectief rechtsmiddel voor een nationale instantie bij een vermeende schending van het EVRM. Het EHRM heeft onderzocht of de hoogte van de leges tot gevolg hadden dat aan klager een effectief rechtsmiddel was onthouden om te klagen over een mogelijke schending van artikel 8 van het EVRM. Het EHRM oordeelde dat, mede gezien de disproportionele verhouding tussen de vereiste leges en het maandelijkse inkomen van klagers familie, de extreem formalistische houding van de minister klager ten onrechte afhield van een overigens effectief nationaal rechtsmiddel. Het EHRM concludeerde dat artikel 13 van het EVRM was geschonden.

8.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de verwijzing van eisers naar de uitspraak van het EHRM geen soelaas biedt. De uitspraak biedt geen aanknopingspunten voor de stelling dat verweerder in alle gevallen waarbij sprake is van onvoldoende financiële middelen, vrijstelling van de verplichting tot betaling van leges dient te verlenen.

Alleen wanneer sprake is van een gestelde schending van een recht in het EVRM dient te worden onderzocht of gesproken kan worden van een effectief rechtsmiddel, waarbij ook de hoogte van de leges een rol kan spelen. Eisers hebben terecht betoogd dat de uitleg van verweerder van de uitspraak van het EHRM, zoals neergelegd in het bestreden besluit, te beperkt is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vindt de uitspraak van het EHRM niet enkel toepassing bij gezinsvorming/gezinshereniging, maar ook als andere rechten, neergelegd in het EVRM, (mogelijk) zijn geschonden. In die gevallen dient er een effectief rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het EVRM te bestaan.

9.

Eisers hebben echter niet aangegeven welke verdragsbepaling is geschonden door de handelwijze van verweerder. Voor zover uit de gronden en het verhandelde ter zitting zou volgen dat artikel 3 van het EVRM mogelijk wordt geschonden, overweegt de voorzieningenrechter dat een vermeende schending van dit artikel vanwege een medische noodsituatie aan bod kan komen, indien eisers een beroep doen op artikel 64 van de Vw 2000. Hierbij speelt het aspect van legeskosten niet, zodat ook in dat opzicht aan eisers een effectief rechtsmiddel ter beschikking staat.

10.

Het beroep van eisers is ongegrond. De verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen.

11.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K.M.P. Jacobs, rechter, in aanwezigheid van

mr. P.C.W. Gubbels-Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

9 juli 2013.

w.g. mr. P.C.W. Gubbels-Willems,

griffier

w.g. mr. K.M.P. Jacobs,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 9 juli 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.