Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19719

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-06-2013
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
AWB 13/2707
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eerdere aanvraag van 1993. Toch hasa; wettelijke grondslag is met de invoering van de Vw 2000 niet veranderd. De verandering van het wettelijke kader is wel een novum.

De vraag die eerst voorligt is of het bestreden besluit een materieel vergelijkbaar besluit betreft met het besluit van 29 juli 1996. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat het bestreden besluit niet van gelijke strekking is als het eerdere besluit, aangezien er bij het eerdere besluit sprake was van een geheel ander wettelijk regime met ouder recht en met andere rechterlijke voorschriften. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het wettelijk kader dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit is neergelegd in de Vw. Deze wet is een algehele herziening van de Vreemdelingenwet, welke het wettelijk kader bevatte dat ten grondslag lag aan het eerdere besluit. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 mei 2006 (LJN: AW7371) is in het geval van een wetswijziging zoals de onderhavige geen sprake van een veranderde rechtsgrondslag. Nu aan het bestreden besluit en het eerdere besluit tevens vergelijkbare inhoudelijke overwegingen ten grondslag liggen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een materieel vergelijkbaar besluit.

(…)

De rechtbank is van oordeel dat de Vw bij de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 op 1 april 2001 zodanig ingrijpend is gewijzigd, dat sprake is van een relevante wijziging van het recht ten opzichte van het recht dat gold ten tijde van het nemen van het eerdere besluit. De bestuursrechter is aldus bevoegd om het bestreden besluit te toetsen naar aanleiding van het thans voorliggende beroep. De rechtbank gaat daarom over tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/2707

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 18 juni 2013 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Congolese nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: mr. B.D. Lit, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. E. Nardelli, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser is Nederland ingereisd op 9 februari 1993. Hij heeft op 17 februari 1993 toestemming voor toelating als vluchteling en een verblijfsvergunning met die strekking gevraagd. Zijn verzoek is bij besluit van 26 oktober 1993 afgewezen. Op 8 december 1993 heeft eiser een verzoek om herziening ingediend. Bij besluit van 10 april 1996 is aan eiser een vergunning tot verblijf zonder beperking verleend met ingang van 17 februari 1996 geldig tot 17 februari 1997. Bij deze gelegenheid heeft verweerde eiser medegedeeld dat op het verzoek om herziening van de weigering tot toelating als vluchteling vooralsnog geen beslissing was genomen. Voorts is het verzoek om herziening op 29 juli 1996 afgewezen. De vergunning tot verblijf zonder beperking is laatstelijk verlengd tot 17 februari 2001. Eiser is op 1 april 2001 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Deze vergunning is bij besluit van 10 april 2008 ingetrokken, omdat eiser zich kennelijk niet meer in Nederland bevond. Op 3 augustus 2012 is eiser bij een grenswisselkantoor aangetroffen als illegale vreemdeling. Aan hem is toen een maatregel als bedoeld in artikel 59, eerste lid, onder a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Vervolgens heeft eiser op 8 augustus 2012 een asielaanvraag ingediend. Op 23 november 2012 heeft verweerder het voornemen om de aanvraag van eiser af te wijzen kenbaar gemaakt. Eiser heeft zijn zienswijze naar aanleiding van dit voornemen gegeven op 20 december 2012.

  2. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. De vader van eiser was een prominent politicus onder het regime van de voormalig presidenten Mobutu Sese Seko en Laurent-Désiré Kabila, en de huidige president Joseph Kabila. Eiser heeft zijn land in 1993 verlaten omdat zijn vader een bevel had gegeven hem te laten arresteren. Toen eiser in 2012 kennisnam van de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd in Nederland, vroeg hij asiel aan omdat hij vreest te zullen worden gearresteerd of gedood bij zijn terugkeer naar de Democratische Republiek Congo (DRC). Zijn vader is in 2007 vermoord. Eiser staat daarom machteloos tegenover de vijanden van zijn vader. Hij is bovendien lid van de oppositie partij “L' Union pour la Démocratie et le Progrès Social” (UDPS), waarvan veel leden in de DRC zijn verdwenen. Eiser heeft tevens rechtsreeks te vrezen van de autoriteiten, omdat hij in 2009 een concert organiseerde in Brussel, samen met een muzikant en dissident van het regime genaamd [naam regime] . Deze [naam regime] is op verschillende youtubefilmpjes te zien in fel protest tegen president Kabila. Daarnaast wijst eiser op een youtubefilmpje waarop is te zien hoe een journalist de echtgenote van president Kabila lastigvalt tijdens haar bezoek aan Parijs. Vervolgens wordt eiser als voorbijganger gefilmd, waartegen hij protest maakt. Eiser vreest dat de autoriteiten van de DRC hem naar aanleiding van dit filmpje in verband zullen brengen met de betreffende journalist. Voorts hebben verschillende personen, waaronder hooggeplaatste politici, eiser persoonlijk bedreigd.

  3. Indien tegen een besluit geen rechtsmiddelen worden aangewend (of tegen een besluit wordt niet ontvankelijk opgekomen), dan wordt het besluit in rechte onaantastbaar. Indien vervolgens een nieuwe aanvraag wordt gedaan en het bestuur neemt eenzelfde beslissing, dan verzetten artikel 8:1 en 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in onderhavig geval artikel 69, eerste lid, Vw zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen het tweede besluit wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. Op grond van genoemde wettelijke bepalingen staat de weg naar de rechter eenmaal gedurende een beperkte periode open. De rechter dient uit te gaan van de oorspronkelijke afwijzing en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

3.1

De vraag die eerst voorligt is of het bestreden besluit een materieel vergelijkbaar besluit betreft met het besluit van 29 juli 1996. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat het bestreden besluit niet van gelijke strekking is als het eerdere besluit, aangezien er bij het eerdere besluit sprake was van een geheel ander wettelijk regime met ouder recht en met andere rechterlijke voorschriften. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het wettelijk kader dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit is neergelegd in de Vw. Deze wet is een algehele herziening van de Vreemdelingenwet, welke het wettelijk kader bevatte dat ten grondslag lag aan het eerdere besluit. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 3 mei 2006 (LJN: AW7371) is in het geval van een wetswijziging zoals de onderhavige geen sprake van een veranderde rechtsgrondslag. Nu aan het bestreden besluit en het eerdere besluit tevens vergelijkbare inhoudelijke overwegingen ten grondslag liggen, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een materieel vergelijkbaar besluit.

3.2

De rechtbank beoordeelt vervolgens ambtshalve of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd en bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Indien uit hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet, kan dit ook als nieuw gebleken feit of omstandigheid gelden. Een rechterlijke beoordeling is echter niet gerechtvaardigd indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.

3.3

De rechtbank is van oordeel dat de Vw bij de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 op 1 april 2001 zodanig ingrijpend is gewijzigd, dat sprake is van een relevante wijziging van het recht ten opzichte van het recht dat gold ten tijde van het nemen van het eerdere besluit. De bestuursrechter is aldus bevoegd om het bestreden besluit te toetsen naar aanleiding van het thans voorliggende beroep. De rechtbank gaat daarom over tot een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op de volgende gronden. Eiser is op 9 augustus 2012 vanwege het gebruikmaken van valse documenten tot twee maanden gevangenisstraf veroordeeld voor overtreding van artikel 231, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Uit het beleid van verweerder, neergelegd in paragraaf B1/4.4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), volgt dat de aanvraag naar aanleiding van een strafrechtelijke veroordeling in Nederland kan worden afgewezen. Voorts wordt artikel 31, tweede lid, onder d, Vw aan eiser tegengeworpen, omdat hij vervalste reis- of identiteitspapieren heeft gebruikt. Daarnaast wordt artikel 31, tweede lid, onder f, Vw aan eiser tegengeworpen, omdat eiser geen geldige documenten heeft overgelegd die zijn nationaliteit, identiteit en reisroute kunnen vaststellen. Gezien het voorgaande moet van zijn asielrelaas positieve overtuigingskracht uitgaan. Eiser heeft in dit kader de gestelde problemen die hij bij terugkeer naar de DRC kan verwachten niet aannemelijk kunnen maken. De problemen die hij verwacht met de autoriteiten en de verschillende personen die hij noemde, berusten slechts op vermoedens en zijn door eiser niet voldoende gemotiveerd, aldus verweerder.

5. Eiser voert in beroep allereerst aan dat verweerder artikel 31, tweede lid, onder f, Vw in redelijkheid niet heeft mogen tegenwerpen. Eiser heeft reeds in de voorgaande procedure, die uiteindelijk heeft geleid tot verlening van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, een geldig paspoort overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit en reisroute te onderbouwen. Uit de omstandigheid dat deze aanvraag heeft geleid tot een inwilliging volgt dat verweerder zijn identiteit en nationaliteit als voldoende vaststaand heeft aangemerkt. Dat eiser thans slechts een verlopen paspoort van de DRC heeft overgelegd, kan hem in redelijkheid niet worden tegengeworpen. Het is bovendien onredelijk om na een periode van twintig jaar nog te verwachten dat eiser reisdocumenten overlegt.

5.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder niet alleen artikel 31, tweede lid, onder f, Vw, maar tevens hetgeen is neergelegd onder d en onder k aan eiser heeft tegengeworpen. Eiser heeft in beroep geen gronden aangevoerd tegen deze laatste twee tegenwerpingen. Reeds daarom kon verweerder het kader van de positieve overtuigingskracht toepassen. De gronden die zijn aangevoerd tegen het toepassen van artikel 31, tweede lid, onder f, Vw behoeven daarom geen bespreking meer.

6. Voorts voert eiser aan dat verweerder ten onrechte de gestelde vrees voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij terugkeer naar de DRC ongeloofwaardig heeft geacht. Het is duidelijk dat eiser de aandacht zal trekken bij terugkeer doordat hij de zoon is van een voormalig prominent politicus. Met name gekoppeld aan de concerten die hij heeft georganiseerd met [naam regime] , het youtubefilmpje van eiser bij de vrouw van president Kabila en zijn UDPS-lidmaatschap, is wel degelijk sprake van gegronde vrees, aldus eiser.

6.1

De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet wordt betwist dat eiser de zoon is van een prominent politicus, dat hij een concert heeft georganiseerd met [naam regime] , met hem bevriend is en dat op youtube verscheidene filmpjes zijn te vinden waarop [naam regime] te zien is in protest tegen het regime van de DRC. Ook staat vast dat eiser zelf te zien is op het youtubefilmpje waarin de vrouw van president Kabila wordt lastiggevallen door een journalist. De rechtbank overweegt evenwel dat deze omstandigheden, afzonderlijk dan wel tezamen beschouwd niet leiden tot het oordeel dat eiser gegronde vrees heeft voor een behandeling bij terugkeer in strijd met artikel 3 EVRM. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de enkele associatie met [naam regime] een gevaar kan opleveren, reeds omdat het geenszins is aangetoond dat de autoriteiten bekend zijn met deze persoon. Dat eiser in de problemen zal komen vanwege de bekendheid van zijn vader is evenmin aannemelijk gemaakt, nu niet duidelijk is van wie eiser te vrezen zal hebben en of deze vrees na twintig jaar nog immer actueel is. Ook de vrees die eiser zou hebben voor de overige personen die hij bij het nader gehoor heeft benoemd, is niet aangetoond. Voorts is met het youtubefilmpje en hetgeen eiser daarover stelt, ook niet aannemelijk gemaakt dat eiser naar aanleiding daarvan problemen zal ondervinden, reeds omdat niet aannemelijk is geworden dat dit filmpje is gezien door diegenen van wie eiser zegt te vrezen te hebben. Dat eiser thans nog in de negatieve belangstelling staat van deze personen en deze hem om die reden zouden herkennen als zij het filmpje onder ogen zou krijgen, is voorts niet komen vast te staan.

6.2

Tot slot overweegt de rechtbank dat eiser met de verwijzing naar het meest recente algemeen ambtsbericht DRC van 14 juni 2012 aannemelijk heeft gemaakt dat UDPS-leden bij verschillende gelegenheden in de DRC slachtoffer zijn geworden van geweld en onderdrukking. Hieruit volgt echter nog niet dat een UDPS-lidmaatschap op zichzelf, noch in samenhang beschouwd met de onbetwiste persoonlijke omstandigheden van eiser, zodanig gevaar oplevert dat sprake is van gegronde vrees voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Nog daargelaten of eiser zijn huidige lidmaatschap aannemelijk heeft gemaakt, kan ook dit niet afdoen aan het voorgaande. De beroepsgrond faalt.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.M.A. Bataille, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Thelosen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2013.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.