Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19714

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-12-2013
Datum publicatie
26-04-2016
Zaaknummer
AWB 13 / 13175
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1F Vluchtelingenverdrag / Libië / Khamis Brigade / artikel 3 EVRM / inreisverbod

Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen omdat eiser in verband moet worden gebracht met willekeurige arrestaties en detenties, marteling/foltering, verkrachting en moord of buitengerechtelijke executies. Verweerder heeft zich op dit standpunt gesteld aangezien eiser heeft verklaard dat hij in de periode van begin maart 2011 tot eind april 2011 in de plaatsen Ras Naluf, Brega, Adjabiya en Jidabiya als lid van Sariya 930, een onderdeel van de 32ste Khamis brigade (hierna: de Khamis brigade), ondersteunende taken voor de Khamis brigade heeft verricht, terwijl die brigade zich in die periode schuldig maakte aan plunderingen, moorden, martelingen en verkrachtingen.

Uit de verklaringen van eiser volgt dat hij wist dat de Khamis brigade zich schuldig maakte aan willekeurige arrestaties en detenties, marteling/foltering, verkrachting en moord dan wel buitengerechtelijke executies. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in zijn geval sprake is van een significante uitzondering heeft verweerder terecht en op goede gronden kunnen concluderen dat er sprake is van “knowing participation”. Aangezien eiser daarnaast heeft verklaard dat hij heeft meegeholpen bij het uitkammen van woningen en het wegbrengen van arrestanten, terwijl hij wist dat deze arrestanten zouden kunnen worden gemarteld, verkracht of vermoord, heeft verweerder zich eveneens terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser de misdrijven van de Khamis brigade heeft gefaciliteerd. Derhalve is er eveneens voldaan aan de voorwaarden voor “personal participation”. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van dwang. De stelling van eiser dat hij niet in staat was om het leger te verlaten omdat bij desertie executie dreigde, is daartoe onvoldoende. Deze stelling verhoudt zich niet met de relatief eenvoudige wijze waarop eiser stelt te zijn gevlucht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13 / 13175

Uitspraak van de meervoudige kamer van 3 december 2013 in de zaak tussen

[Eiser], eiser,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2013 heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), afgewezen en hem een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Als gemachtigde heeft zich gesteld mr. A.M.B.J. Derks-Höppener, advocaat te Sittard, die bij brief van 6 juni 2013 de beroepsgronden heeft ingediend.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2013, waar voor eiser is verschenen zijn gemachtigde, mr. Derks-Höppener, voornoemd.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [naam gemachtigde], werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

Overwegingen

1. Eiser, die is geboren op [geboortedatum 1] en de Libische nationaliteit bezit, heeft op 24 juni 2011 de hiervoor genoemde aanvraag ingediend. Op 28 juni 2011 heeft het nader gehoor plaatsgevonden. Naar aanleiding van dit gehoor heeft verweerder eiser op 16 oktober 2012 aanvullend gehoord teneinde te beoordelen of artikel 1F van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, 28 juli 1951 (hierna: het Vluchtelingenverdrag) op hem van toepassing is. Eiser heeft aan zijn aanvraag het volgende relaas ten grondslag gelegd.

1.1.

Nadat in januari 2011 in Libië rellen tussen aanhangers en tegenstanders van Gaddafi (de toenmalige leider van Libië) waren uitgebroken, hebben aanhangers van Gaddafi eind februari/begin maart 2011 de controle in [plaats], de stad waar eiser woonde, overgenomen en een inval gedaan in zijn wijk. De aanhangers van Gaddafi hebben eiser en zijn broer gedwongen om met hen naar het front te gaan. Eiser kreeg een uniform, een wapen en enkele dagen wapentraining. Daarna werd hij ingedeeld in een ondersteunende compagnie die (onder andere) voor de bevoorrading van de troepen van Gaddafi moest zorgen. Daarbij heeft eiser gezien dat de troepen van Gaddafi zich schuldig maakten aan verschillende misdragingen, zoals plundering, mishandeling, verkrachting en moord. Zelf heeft hij niet aan de gevechten en aan de misdragingen deelgenomen. Eind april is eiser gedeserteerd. Bij terugkeer naar Libië vreest eiser te worden vermoord omdat hij door tegenstanders van Gaddafi wordt aangemerkt als een aanhanger van Gaddafi.

2. In het bestreden besluit, waarin het voornemen van 20 februari 2013 is ingelast, heeft verweerder de aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000. Daarnaast heeft verweerder eiser op grond van artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000, gelezen in samenhang met artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) een inreisverbod voor de duur van tien jaren opgelegd. Hij heeft daartoe het volgende overwogen.

2.1.

Volgens verweerder vormt eiser een gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid aangezien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder a, b en c, van het Vluchtelingenverdrag omdat eiser in verband moet worden gebracht met willekeurige arrestaties en detenties, marteling/foltering, verkrachting en moord of buitengerechtelijke executies. Verweerder heeft zich op dit standpunt gesteld aangezien eiser heeft verklaard dat hij in de periode van begin maart 2011 tot eind april 2011 in de plaatsen Ras Naluf, Brega, Adjabiya en Jidabiya als lid van Sariya 930, een onderdeel van de 32ste Khamis brigade (hierna: de Khamis brigade), ondersteunende taken voor de Khamis brigade heeft verricht, terwijl die brigade zich in die periode schuldig maakte aan plunderingen, moorden, martelingen en verkrachtingen. Verweerder leidt uit de verklaringen van eiser af dat hij wist dat deze misdrijven door de Khamis brigade werden begaan en dat hij de misdrijven door zijn handelen heeft gefaciliteerd. Derhalve is er volgens verweerder sprake van “knowing and personal participation”. Voorts acht verweerder het niet geloofwaardig dat eiser is gedwongen de door hem uitgevoerde handelingen te verrichten. Daarnaast stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser ook indien zijn handelen op bevel van een meerdere of in officiële hoedanigheid heeft plaatsgevonden, mede gelet op de ernst van de misdrijven, niet is gevrijwaard van zijn verantwoordelijkheid voor zijn handelingen.

2.2.

Op grond van het voorgaande heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet kan worden aangemerkt als verdragsvluchteling zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. Nu dit het geval is kan eiser, ingevolge het bepaalde in artikel 3.107 van het Vb 2000, evenmin aanspraak maken op een verblijfsvergunning op grond van één van de andere gronden bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

2.3.

Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij uitzetting naar Libië een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een met artikel 3 van het Verdrag voor de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) strijdige behandeling aangezien hij geen concrete, reële en voorzienbare omstandigheden heeft aangevoerd waaruit blijkt dat dit wel het geval zou zijn. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij thans in de actieve belangstelling staat van de Libische autoriteiten en heeft eiser evenmin onderbouwd dat hij bij terugkeer door tegenstanders van Gaddafi zal worden herkend als militair die onderdeel van de Khamis brigade is geweest.

2.4.

Tot slot is volgens verweerder niet gebleken van humanitaire redenen om van het uitvaardigen van een inreisverbod af te zien en heeft eiser geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat een inreisverbod met een kortere duur opgelegd zou moeten worden.

3. Eiser kan zich niet met het bestreden besluit verenigen. Hij stelt zich op het standpunt dat hij zich niet schuldig heeft gemaakt aan handelingen in strijd met artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Eiser voert daartoe aan dat hij geen misdrijven heeft gepleegd en ook geen misdrijven mogelijk heeft gemaakt. Eiser betwist dat hij personen in de positie heeft gebracht waarin zij de aanmerkelijke kans liepen te worden verkracht, gemarteld en/of vermoord. Daarnaast voert hij aan dat er zowel bij zijn toetreding tot het Libische leger als gedurende de periode dat hij daarvan deel uit maakte, sprake was van dwang. Desertie was namelijk strafbaar en kon leiden tot executie. Zodra dat het voor hem mogelijk was, heeft hij het leger onmiddellijk verlaten. Omdat hij in Libië geregistreerd zal zijn als “opgeroepen door het leger van Gaddafi” loopt hij bij een gedwongen terugkeer naar Libië het risico om te worden onderworpen aan een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Eiser verwijst daarbij naar het algemeen ambtsbericht van mei 2012. Daarnaast beroept eiser zich op traumatische oorlogservaringen. Tot slot voert eiser aan dat het inreisverbod onterecht aan hem is opgelegd en dat de duur van tien jaren onevenredig is aangezien hij, doordat Nederland hem in een moeilijke periode bescherming heeft geboden, een band met Nederland heeft ontwikkeld.

4. Bij de beoordeling van het beroep is het volgende wettelijke kader van belang.

4.1.

Ingevolge artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dat verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

( a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

( b) hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

( c) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

4.2.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict;

c. van wie naar het oordeel van verweerder op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

4.3.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

4.4.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder k, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

4.5.

Ingevolge artikel 3.107, tweede lid, van het Vb 2000 wordt, indien artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000.

4.6.

In hoofdstuk C4/3.11.3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), zoals dat ten tijde van het bestreden besluit luidde, is vermeld dat verweerder moet aantonen dat er ‘ernstige redenen’ zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling onder de criteria van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag valt. De veronderstelling dat dit het geval is, hoeft niet te worden bewezen volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf, maar moet niettemin zorgvuldig worden gemotiveerd. Als er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich aan een in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag bedoelde handeling heeft schuldig gemaakt dient betrokkene, wil hij voorkomen dat op hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing zal worden verklaard, een en ander gemotiveerd te weerleggen.

4.7.

Voorts is in hoofdstuk C4/3.11.3.3 van de Vc 2000 opgenomen dat, teneinde te kunnen bepalen of betrokkene individueel voor artikel 1F-handelingen verantwoordelijk dient te worden gehouden, wordt onderzocht of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven (“knowing participation”) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (“personal participation”). Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1F worden tegengeworpen. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van de ‘personal and knowing participation test’ zoals die is omschreven in artikel 25 en 27 tot en met 33 van het Statuut van Rome.

4.7.1.

Er is onder andere sprake van “knowing participation” wanneer de vreemdeling werkzaam is geweest voor een orgaan of organisatie, dat volgens gezaghebbende en vrij toegankelijke rapportages op systematische wijze en/of op grote schaal misdrijven als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag heeft gepleegd in de periode dat hij daar werkzaam was, tenzij de betreffende vreemdeling kan aantonen dat er in zijn individuele geval sprake is van een significante uitzondering.

4.7.2.

Er is onder andere sprake van “personal participation” wanneer de vreemdeling een misdrijf als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag heeft gefaciliteerd, dat wil zeggen dat zijn handelen en/of nalaten in wezenlijke mate heeft bijgedragen aan het misdrijf.

4.7.3.

Indien de vreemdeling aanvoert dat hij gedwongen is tot het plegen van strafbare feiten, wordt hij niet gevrijwaard van verantwoordelijkheid indien sprake is van in ieder geval één van de volgende situaties:

• er wordt geen geloof gehecht aan de door de vreemdeling gestelde dwang;

• er bestond voor de vreemdeling de mogelijkheid om zich te onttrekken aan het misdrijf;

• de vreemdeling was al geruime tijd in dienst van een organisatie voordat de dwang voorzienbaar optrad;

• de mate van dwang weegt niet op tegen de ernst van het door de vreemdeling begane misdrijf.

4.8.

Op grond van artikel 3 van het EVRM mag niemand worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

5. De rechtbank dient te beoordelen of verweerder terecht en op goede gronden heeft geconcludeerd dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing. Zij overweegt als volgt.

5.1.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser gedurende de periode van begin maart 2011 tot eind april 2011 werkzaam is geweest voor de Khamis brigade. Evenmin is in geschil dat uit gezaghebbende en algemeen toegankelijke bronnen blijkt dat de Khamis brigade in verband wordt gebracht met een veelvoud aan misdrijven gedurende de opstanden in Libië in die periode. Bovendien heeft eiser niet betwist dat deze gedragingen zijn te kwalificeren als handelingen zoals bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder a, b en c, van het Vluchtelingenverdrag.

5.2.

De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder zijn conclusie dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is uitgebreid heeft gemotiveerd in het voornemen van 20 februari 2013. Daarbij heeft hij de verklaringen van eiser afgezet tegen hetgeen in gezaghebbende en algemeen toegankelijke bronnen is te vinden over de werkwijze van de Khamis brigade. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op grond van de verklaringen van eiser die hij heeft afgelegd in het nader gehoor van 28 juni 2011 en het aanvullend 1F-gehoor van 16 oktober 2012, in samenhang gezien met de informatie uit voornoemde bronnen, terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder a, b, en c, van het Vluchtelingenverdrag.

5.3.

Uit de verklaringen van eiser volgt dat hij wist dat de Khamis brigade zich schuldig maakte aan willekeurige arrestaties en detenties, marteling/foltering, verkrachting en moord dan wel buitengerechtelijke executies. Nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in zijn geval sprake is van een significante uitzondering heeft verweerder terecht en op goede gronden kunnen concluderen dat er sprake is van “knowing participation”. Aangezien eiser daarnaast heeft verklaard dat hij heeft meegeholpen bij het uitkammen van woningen en het wegbrengen van arrestanten, terwijl hij wist dat deze arrestanten zouden kunnen worden gemarteld, verkracht of vermoord, heeft verweerder zich eveneens terecht en op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser de misdrijven van de Khamis brigade heeft gefaciliteerd. Derhalve is er eveneens voldaan aan de voorwaarden voor “personal participation”. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake was van dwang. De stelling van eiser dat hij niet in staat was om het leger te verlaten omdat bij desertie executie dreigde, is daartoe onvoldoende. Deze stelling verhoudt zich niet met de relatief eenvoudige wijze waarop eiser stelt te zijn gevlucht. Daarbij komt dat hij dit pas heeft gedaan nadat hij had gehoord dat zijn broer als krijgsgevangene door de opstandelingen was gearresteerd. De door eiser omschreven omstandigheden maken dan ook niet dat hij daardoor is gevrijwaard van verantwoordelijkheid voor zijn daden en dat er derhalve geen sprake is van “personal participation”.

5.4.

Ten aanzien van eisers beroep op artikel 3 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Uit het algemeen ambtsbericht van mei 2012 volgt dat voormalige soldaten van Gaddafi alsmede personen die beschouwd worden als Gaddafi-loyalisten na de val van Gaddafi door opstandelingen zijn gearresteerd en buiten de wet om zijn vastgehouden, gefolterd of mishandeld. Niet is gebleken dat de situatie in Libië zodanig is dat alle personen die in verband kunnen worden gebracht met Gaddafi een dergelijke behandeling moeten vrezen. Daarbij komt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Libië zal worden herkend als een lid van de Khamis brigade of anderszins als Gaddafi-loyalist zal worden aangemerkt. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem bij een terugkeer naar Libië een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling te wachten staat. De enkele stelling dat hij in Libië als “opgeroepen door het leger van Gaddafi” geregistreerd zal staan, is daartoe zonder nadere onderbouwing onvoldoende.

5.5.

Voorts ziet de rechtbank in de enkele, niet nader onderbouwde, stelling dat eiser traumatische oorlogservaringen heeft, geen aanleiding om het beroep van eiser ten aanzien van de afwijzing van zijn aanvraag gegrond te achten.

6. Het volgende wettelijke kader is in de onderhavige zaak ten aanzien van het inreisverbod van belang.

6.1.

Ingevolge artikel 62, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, kan verweerder bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

6.2.

Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid van de Vw 2000.

6.3.

Ingevolge artikel 66a, vierde lid, van de Vw 2000 wordt het inreisverbod gegeven voor een bepaalde duur, die ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij de vreemdeling naar het oordeel van verweerder een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. De duur wordt berekend met ingang van de datum waarop de vreemdeling Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

6.4.

Ingevolge artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 kan verweerder in afwijking van het eerste lid om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

6.5.

Ingevolge artikel 6.5a, vijfde lid, van het Vb 2000, voor zover hier van belang, bedraagt de duur van het inreisverbod, in afwijking van het eerste tot en met vierde lid, ten hoogste tien jaren indien het een vreemdeling betreft die een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Deze ernstige bedreiging kan blijken uit onder meer de omstandigheid dat hem artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1.

Op grond van hetgeen de rechtbank ten aanzien van de afwijzing van de asielaanvraag heeft overwogen is zij van oordeel dat verweerder terecht heeft aangenomen dat eiser een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid, zodat verweerder bevoegd was om een inreisverbod van tien jaren op te leggen.

7.2.

De rechtbank stelt vast dat verweerder, na bekendmaking van het voornemen, eiser bij brief van 28 maart 2013 in de gelegenheid heeft gesteld om binnen twee weken na dagtekening van deze brief aan te geven of er sprake is van humanitaire redenen of andere redenen om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod voor de duur van tien jaren. Nu eiser in reactie daarop bij brief van 4 april 2013 geen omstandigheden als hiervoor bedoeld heeft ingebracht, is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien om een inreisverbod voor een kortere duur dan tien jaren uit te vaardigen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de in beroep ingenomen stelling van eiser dat de duur van het inreisverbod onevenredig lang is nu er een hechting tussen hem en Nederland is ontstaan doordat Nederland hem in een moeilijke periode bescherming heeft geboden, onvoldoende grond is om tot een ander oordeel te komen.

8. Op grond van het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers, voorzitter, en mr. R.J.G.H. Seerden en mr. M.A.H. Span-Henkens, leden, in aanwezigheid van mr. F.A. Timmers, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 december 2013.

w.g. F. Timmers w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 3 december 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden en het bestuursorgaan hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak.