Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19711

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
22-04-2016
Zaaknummer
AWB 12/23255 en AWB 12/13686
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De vader heeft het kind weliswaar erkend, maar hij heeft nooit familie- of gezinsleven met haar uitgeoefend en wil dit ook niet. Sinds de geboorte van het kind heeft eiseres alleen en daadwerkelijk voor haar gezorgd. Verder is gebleken dat het kind geheel ten laste van eiseres komt. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat, indien aan eiseres een verblijfsrecht wordt geweigerd, haar kind feitelijk gedwongen zouden zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten. Aldus zou haar het effectieve genot van de belangrijkste aan die status ontleende rechten wordt ontzegd en zou de nuttige werking aan het burgerschap van de Unie dat aan het kind toekomt, worden ontnomen. Dit leidt ertoe dat eiseres een afgeleid recht heeft om haar kind te begeleiden en samen met haar op het Nederlandse grondgebied te verblijven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zou dan ook op grond van artikel 20 van het VWEU aan eiseres, uitzonderlijkerwijs, een verblijfsrecht moeten worden toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 12/23255 en AWB 12/13686

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2013 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. C.M.G.M. Raafs),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

(gemachtigde: mr. D.P.A. van Laarhoven)

Procesverloop

Bij besluit van 13 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), onder de beperking “uitoefenen gezinsleven met minderjarig kind [naam kind]” te verlenen.

Eiseres heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Voordat een zitting heeft plaatsgevonden, heeft verweerder bij besluit van 2 juli 2012

(het bestreden besluit) het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld, zodat het verzoek om voorlopige voorziening geldt als een verzoek gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk].

Overwegingen

1. Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het besluit waarop het verzoek en het beroep betrekking hebben is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

2. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en heeft de Rwandese nationaliteit. Haar minderjarige dochter [naam kind] is geboren op [geboortedatum dochter] en zij heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiseres heeft op 6 september 2010 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 23 mei 2011 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Het daartegen gerichte beroep is bij uitspraak van 28 december 2011 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Maastricht, ongegrond verklaard. Eiseres heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Bij uitspraak van 24 oktober 2012 (201201001/1/V4; www.raadvanstate.nl) heeft de Afdeling het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het besluit van 23 mei 2011 is daarmee in rechte onaantastbaar geworden.

4. Op 12 april 2012 heeft eiseres de voorliggende aanvraag ingediend.

5. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiseres voldoet evenmin aan een van de voorwaarden om vrijgesteld te worden van dit vereiste. Het onthouden van het verblijf levert volgens verweerder geen schending op van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestaat om gebruik te maken van de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). In het bestreden besluit heeft verweerder dit standpunt gehandhaafd.

6. Eiseres heeft – kort samengevat – betoogd dat zij op grond van artikel 8 van het EVRM, de hardheidsclausule dan wel het Unierecht in aanmerking dient te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste.

7. Niet in geschil is dat eiseres niet beschikt over een mvv met het thans aangevraagde verblijfsdoel. Voorts constateert de voorzieningenrechter dat niet in geschil is dat eiseres niet valt onder één van de categorieën vrijgestelde vreemdelingen als genoemd in artikel 17, eerste lid, onder a tot en met f, en h van de Vw 2000 dan wel artikel 3.71, tweede lid, onder a tot en met k, van het Vb 2000. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiseres op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, dan wel op grond van de in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 neergelegde hardheidsclausule dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste en in het bezit moet worden gesteld van de gevraagde verblijfsvergunning.

8. Vast staat dat sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseres en haar minderjarige dochter. Van inmenging in het recht op familie- en gezinsleven is, anders dan eiseres heeft betoogd, geen sprake, omdat de weigering haar in Nederland verblijf toe te staan er niet toe strekt haar een verblijfstitel te ontnemen die haar tot het uitoefenen van het familie- of gezinsleven hier in staat stelde. Immers, eiseres is nooit in het bezit geweest van een verblijfsvergunning en is op enig moment zwanger geraakt en moeder geworden van haar kind, met wie zij familie- en gezinsleven is gaan uitoefenen.

9. Dit neemt niet weg dat artikel 8 van het EVRM een positieve verplichting met zich kan brengen om eiseres en haar kind verblijf in Nederland toe te staan. Bij de beoordeling daarvan dient volgens jurisprudentie van het EHRM, ongeacht of sprake is van een positieve of negatieve verplichting, een ‘fair balance’ te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het algemeen belang. In dat kader verwijst de voorzieningenrechter naar het arrest Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006 (JV 2006/90).

10. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2012 (ECLI: NL:RVS:2012:BW2893) overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder bij het maken van een belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM een zekere beoordelingsruimte toekomt. Dat laat evenwel onverlet dat de besluitvorming moet voldoen aan de eisen van zorgvuldigheid en motivering die het recht daaraan stelt. De voorzieningenrechter moet dan ook met inachtneming van de beoordelingsruimte die verweerder toekomt toetsen of de besluitvorming aan die eisen voldoet.

11. In paragraaf B2/10.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) heeft verweerder in dit verband gesteld dat altijd een volledige belangenafweging moet plaatsvinden, waarbij het altijd gaat om de feitelijke situatie in het individuele geval. In ieder geval zijn van belang de intensiteit van het gezinsleven, het gewicht dat aan de feitelijke weigeringsgrond kan worden toegekend en de banden die de vreemdeling met Nederland en met het land van herkomst heeft. Indien er sprake is van gezinsleven met (jonge) kinderen die in Nederland zullen achterblijven, moeten ook de belangen van de kinderen worden bezien.

12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat niet is gebleken van zodanige bijzondere omstandigheden dat het belang van eiseres om in Nederland met haar minderjarige dochter het gezinsleven uit te oefenen dient te prevaleren boven het belang van de Nederlandse staat bij een restrictief toelatingsbeleid. In dat kader heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat eiseres het familie- en gezinsleven in Nederland is gaan uitoefenen terwijl zij nog geen rechtmatig verblijf had. Eiseres heeft in dat kader betoogd dat zij reeds in augustus 2010 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend en dat deze procedure enige tijd in beslag heeft genomen, hetgeen haar niet mag worden tegengeworpen. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpelijk acht dat iemands leven niet stilstaat wanneer men in een asielprocedure verwikkeld is, heeft verweerder gewicht mogen toekennen aan het feit dat eiseres al dan niet bewust familie- en gezinsleven in Nederland is aangegaan en heeft geïntensiveerd, terwijl zij geen verblijfsaanspraak had. Dit is een omstandigheid die binnen de risicosfeer van eiseres valt.

13. Anders dan eiseres heeft betoogd, blijkt uit het bestreden besluit naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat verweerder de belangen van het kind eveneens afdoende bij zijn beoordeling heeft meegewogen. Aan deze belangen heeft verweerder, anders dan eiseres heeft betoogd, geen doorslaggevende betekenis hoeven toekennen, in die zin dat reeds om die reden aan eiseres een verblijfsvergunning regulier zou moeten worden verleend. Het beroep op artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) kan niet slagen. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 februari 2012 (ECL:NL:RVS:2012:BV3716) overweegt de voorzieningenrechter dat voornoemde bepaling een beoordelingsruimte bevat voor de nationale instanties. Aan artikel 24 van het Handvest kan eiseres dan ook niet zonder meer een recht van verblijfsrechtelijke aard ontlenen. Nu het bestreden besluit er geen blijk van geeft dat verweerder zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van eiseres, kan het beroep van eiseres op dit artikel niet slagen. Dat verweerder volgens eiseres niet kenbaar blijk heeft gegeven dat aan de belangen van het kind een zwaar gewicht wordt toegekend, doet aan het vorenstaande niet af.

14. De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat verweerder geen objectieve belemmeringen aanwezig heeft hoeven achten die maken dat het familie- of gezinsleven niet buiten Nederland kan worden uitgeoefend. In dit kader heeft verweerder in aanmerking kunnen nemen dat van eiseres verwacht wordt dat zij zich in Rwanda staande kan houden, gelet op haar leeftijd en het feit dat zij het grootste deel van haar leven daar heeft gewoond. Het betoog van eiseres dat niet zonder meer gesteld kan worden dat zij de Rwandese maatschappij niet is ontworteld, gelet op de lange duur van de asielprocedure, volgt de voorzieningenrechter niet. Immers, de asielprocedure is van veel kortere duur dan haar verblijf in Rwanda. Voorts heeft verweerder van belang kunnen achten dat de minderjarige dochter eiseres in beginsel (behoudens hetgeen hierna zal worden overwogen) kan volgen naar Rwanda. Gezien haar jonge leeftijd, is geen sprake van een dusdanige worteling in de Nederlandse samenleving dat dit onmogelijk zou zijn. Dat haar dochter de Nederlandse nationaliteit heeft vormt in dit verband geen reden om eiseres in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning, noch vormt dit een beletsel om het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. In het algemeen mag namelijk worden aangenomen dat Nederlanders zich ook in andere landen kunnen vestigen.

15. Eiseres heeft tot slot gesteld dat het vasthouden aan het mvv-vereiste zal betekenen dat de biologische vader van haar kind de mogelijkheid wordt ontnomen zijn kind te bezoeken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres zonder verblijfsvergunning in Nederland familie- en gezinsleven is aangegaan waarmee zij tevens het risico heeft aanvaard dat zij bij afwijzing van haar asielaanvraag, met of zonder haar minderjarige dochter, Nederland dient te verlaten. Nu uit de dossierstukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vader geen enkel contact met zijn kind heeft en dit ook niet wenst, heeft verweerder weinig dan wel geen gewicht hoeven toekennen aan de omstandigheid dat het weigeren van een verblijfsvergunning contact tussen het kind van eiseres en de vader zal bemoeilijken.

16. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres niet op grond van artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb 2000 dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste.

17. De voorzieningenrechter overweegt vervolgens over het beroep van eiseres op artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 neergelegde hardheidsclausule.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 10 april 2012 (ECLI:NL:RVS: 2012: BW3337) overweegt de voorzieningenrechter dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 (Tweede Kamer 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 108-109) blijkt dat de daarin aan verweerder verleende bevoegdheid discretionair van aard is en beperkt van omvang. Gevallen, waaromtrent is voorzien dat het zogenoemde mvv-vereiste niet zal worden tegengeworpen, zijn bij en krachtens artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 van dat vereiste uitgesloten, zodat toepassing van de hardheidsclausule beperkt kan blijven tot zeer uitzonderlijke gevallen die bij het tot stand komen van de regelgeving niet zijn voorzien.

18. Eiseres heeft in dat kader betoogd dat eiseres gedurende haar mvv-aanvraag gescheiden zal zijn van haar kind. Verder heeft eiseres betoogd dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan excessief formalisme door vast te houden aan het mvv-vereiste. Zij verwijst in dit kader naar het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 18 september 2009 (8257/07). Met betrekking tot de duur van de mvv-aanvraag en de scheiding van haar kind, verwijst de voorzieningenrechter naar hetgeen hierover in het kader van artikel 8 van het EVRM is overwogen. Daarbij acht de voorzieningenrechter tevens van belang dat in het bestreden besluit wordt overwogen dat in dit geval op geen enkele wijze is gebleken van zeer bijzondere individuele omstandigheden die maken dat het vasthouden aan toepassing van artikel 3.71, eerste lid, van het Vb 2000 en de daarmee samenhangende terugkeer van eiseres naar haar land van herkomst, zullen leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Gelet op het voorgaande bestaat er geen grond voor het oordeel dat het vasthouden aan het mvv-vereiste getuigt van excessief formalisme. Het arrest van het EHRM van 18 september 2009 leidt niet tot een andere conclusie.

19. Eiseres heeft betoogd dat het vasthouden aan het mvv-vereiste strijdig is met artikel 20 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (VWEU) en de rechtspraak daarover van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof), zoals het arrest van 8 maart 2011 inzake Ruiz Zambrano (C-34/09) en het arrest van 15 november 2011 inzake Dereci e.a. (C-256/11). Het niet toestaan van verblijf aan eiseres zal namelijk tot gevolg hebben dat haar kind haar rechten als Unieburger worden ontzegd, zo heeft eiseres kort samengevat betoogd.

20. De voorzieningenrechter overweegt over deze beroepsgrond het volgende.

21. Het kind van eiseres heeft als gezegd de Nederlandse nationaliteit en is dus tevens burger van de Unie. Eiseres is een derdelander. Van een recht op grond van artikel 21 van het VWEU is geen sprake, zo merkt de voorzieningenrechter allereerst ambtshalve op, omdat het kind geen gebruik heeft gemaakt van haar recht op vrij verkeer. Artikel 21 van het VWEU staat er dus niet aan in de weg dat eiseres een verblijfsrecht op het Nederlandse grondgebied wordt geweigerd. In geschil is of artikel 20 van het VWEU hier wel aan in de weg staat. Het Hof heeft in inmiddels vaste rechtspraak hierover geoordeeld dat er zeer bijzondere situaties bestaan waarin, hoewel het secundaire recht inzake het verblijfsrecht van derdelanders niet van toepassing is en de betrokken burger van de Unie zijn recht van vrij verkeer niet heeft uitgeoefend, een derdelander die familielid is van die burger het verblijfsrecht bij wijze van uitzondering niet kan worden ontzegd, omdat anders aan het burgerschap van de Unie, dat aan die burger toekomt, de nuttige werking zou worden ontnomen indien als gevolg van die weigering deze burger in feite genoopt is het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten en hem zo het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten wordt ontzegd (zie onder andere het arrest Iida, 8 november 2012, C‑40/11, punt 71, en het arrest Ymeraga en Ymeraga-Tafarshiku van 8 mei 2013, C‑87/12, punt 36).

22. In dit geval had eiseres tijdens de zwangerschap een relatie met de vader van het kind. Eiseres is met de vader naar de gemeente gegaan, waar de vader het (toen nog ongeboren) kind heeft erkend. Eiseres woonde op dat moment deels in het asielzoekerscentrum, deels bij de vader. De relatie was vóór de geboorte van het kind al slecht, zo heeft eiseres verklaard. Na de geboorte bleek dat de vader een andere vriendin/verloofde had en is de relatie tussen hem en eiseres verbroken. Kort na de geboorte heeft de vader het kind nog gezien, daarna niet meer. Op 10 mei 2012 heeft de vader op verzoek van de advocaat van eiseres een verklaring afgegeven, waarin hij schrijft dat hij om culturele redenen zijn kind niet kan toelaten tot zijn huis en gezin. Door verplichtingen die hij en zijn familie hebben tegenover de familie van zijn verloofde zouden zijn familie en hijzelf in ernstige problemen komen als de dochter bij hem in huis zou wonen, aldus de vader. Eiseres heeft geen contact met de vader en het is haar niet bekend waar hij thans verblijft. Ook de stichting Vesta, die eiseres ondersteunt, heeft ondanks herhaalde pogingen geen contact met de vader kunnen krijgen. Financieel draagt de vader niet bij aan de verzorging en opvoeding van het kind. Eiseres draagt deze kosten, met hulp van genoemde stichting, alleen.

23. Uit het voorgaande volgt dat de vader het kind weliswaar heeft erkend, maar dat hij nooit familie- of gezinsleven met haar heeft uitgeoefend en dit ook niet wenst. Sinds de geboorte van het kind heeft eiseres alleen en daadwerkelijk voor haar gezorgd. Verder blijkt uit het voorgaande dat het kind geheel ten laste van eiseres komt. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat, indien aan eiseres een verblijfsrecht wordt geweigerd, haar kind feitelijk gedwongen zouden zijn het grondgebied van de Unie in zijn geheel te verlaten. Aldus zou haar het effectieve genot van de belangrijkste aan die status ontleende rechten wordt ontzegd en zou de nuttige werking aan het burgerschap van de Unie dat aan het kind toekomt, worden ontnomen. Dit leidt ertoe dat eiseres een afgeleid recht heeft om haar kind te begeleiden en samen met haar op het Nederlandse grondgebied te verblijven. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zou dan ook op grond van artikel 20 van het VWEU aan eiseres, uitzonderlijkerwijs, een verblijfsrecht moeten worden toegekend.

24. Gelet op het vorenstaande zal de voorzieningenrechter het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dit besluit vernietigen. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

25. Voorts bestaat er aanleiding om in afwachting van dat nieuwe besluit een voorlopige voorziening te treffen, in die zin dat verweerder uitzetting van eiseres achterwege dient te laten tot vier weken na bekendmaking van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar.

26. Omdat het beroep gegrond is en een voorlopige voorziening wordt getroffen, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht voor het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.

27. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om verweerder op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met deze procedure, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Deze kosten worden op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.416,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift, één punt voor het indienen van het verzoekschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en wegingsfactor 1). Nu niet is gebleken dat aan de gemachtigde van eiseres een toevoeging is verstrekt, zal het bedrag van de proceskosten aan eiseres worden vergoed.

28. Ter voorlichting van eiseres merkt de voorzieningenrechter op dat de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het bestreden besluit niet betekent dat zij op alle onderdelen van haar beroep gelijk heeft gekregen. De voorzieningenrechter heeft een aantal beroepsgronden ondubbelzinnig verworpen. Indien eiseres zich hiermee niet kan verenigen en wil voorkomen dat dit oordeel van de voorzieningenrechter in rechte komt vast te staan, zal zij ondanks de gegrondverklaring van het beroep, tegen deze uitspraak tijdig hoger beroep moeten instellen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- bepaalt dat verweerder uitzetting van eiseres achterwege dient te laten tot vier weken na bekendmaking van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.416,-, te betalen aan eiseres;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 312,- aan eiseres te vergoeden;

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Nollen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.S.A.W. Raes, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2013.

w.g. D. Raes

griffier

w.g. mr. C.M. Nollen,

voorzieningenrechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 20 december 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.