Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19709

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-12-2013
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
AWB 12 / 24200 en AWB 12 / 24202
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eisers stellen uit Kandahar, Afghanistan te komen. Zij hebben daar hun hele leven geleefd. Uit het rapport taalanalyse van Bureau Land en Taal (BLT) is gebleken dat niet aannemelijk is dat eiseres haar hele leven in Kandahar heeft verbleven op grond van haar kennis van het Pashtu. Verweerder en de taalanalist van BLT bezigen de stelling dat van elke vreemdeling die stelt afkomstig te zijn uit Kandahar, Afghanistan mag worden verwacht dat hij een actieve kennis heeft van het Pashtu, de dominante taal in Kandahar en omgeving. Verweerder stelt terecht dat enkel een contra-expertise afbreuk kan doen aan de conclusie van een taalanalyse. Echter, op het moment dat een taalanalyse algemene stellingen betrekt om tot een conclusie in een individueel geval te komen, zal verweerder zich ervan dienen te vergewissen of deze algemene stelling strookt met informatie waarmee verweerder ambtshalve dan wel op andere wijze bekend is. In het Algemene Ambtsbericht Afghanistan van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van augustus 2011 wordt wel een algemene stelling betrokken ten aanzien van de beheersing van het Dari door Pashtuns, maar niet ten aanzien van de beheersing van het Pashtu door Tadzjieken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder reeds hierom vraagtekens had moeten zetten bij de voornoemde algemene stelling van de taalanalist van BLT. Bovendien wordt deze stelling ook gemotiveerd betwist door het door eiseres overgelegd rapport. Hieruit blijkt dat 95 % van de Tadzjieken (of Farsi-Wan) het Pashtu niet actief beheersen. De rechtbank komt tot de conclusie dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12 / 24200 en AWB 12 / 24202

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 december 2013 in de zaak tussen

[Eiser], eiser,

[Eiseres], (mede namens haar twee minderjarige kinderen), eiseres,

hierna tezamen aangeduid als eisers,

(gemachtigde: mr. J. Singh),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2012 (het bestreden besluit in beroep met zaaknummer AWB 12/24200) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Bij besluit van 2 juli 2012 (het bestreden besluit in beroep met zaaknummer AWB 12/24202) heeft verweerder de verblijfsvergunning asiel van eiseres ingetrokken met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum van de vergunning, zijnde 12 mei 2011.

Eisers hebben tegen deze besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2013.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam tolk].

Overwegingen

1. Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

In het beroep van eiseres (AWB 12 / 24202):

2. Op deze zaak is gelet op het overgangsrecht van deel C, artikel 1, van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht nog het recht van toepassing zoals dat gold tot en met 31 december 2012. Het in beroep bestreden besluit is namelijk bekendgemaakt vóór 1 januari 2013.

3. Eiseres is geboren op 1 juli 1987 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Bij beschikking van 18 mei 2011 is aan eiseres met ingang van 12 mei 2011 tot 12 mei 2016 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) verleend, op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

4. Bij het bestreden besluit is voornoemde verblijfsvergunning asiel ingetrokken, op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.

Verweerder heeft de verblijfsvergunning ingetrokken, omdat op grond van de uitkomst van het rapport taalanalyse van 15 februari 2012 niet aannemelijk is dat eiseres haar hele leven in Kandahar heeft verbleven en de door haar afgelegde verklaringen omtrent de problemen die zij stelt te hebben ondervonden in Kandahar niet geloofwaardig worden geacht. In de procedure van de asielaanvraag van haar echtgenoot heeft een taalanalyse plaatsgevonden. De uitkomst daarvan heeft aanleiding gevormd ook eiseres aan een taalanalyse te onderwerpen. Uit het rapport taalanalyse van 15 februari 2012 is gebleken dat eiseres weliswaar eenduidig is te herleiden tot de spraakgemeenschap binnen Afghanistan, maar dat niet aannemelijk is dat zij haar hele leven in Kandahar heeft verbleven op grond van haar kennis van het Pashtu. Evenmin bestaat aanleiding de aan eiseres verleende verblijfsvergunning in stand te laten wegens een dreigende schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts heeft verweerder overwogen dat eiseres ook niet op grond van een andere verleningsgrond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking komt.

5. Eiseres kan zich niet met dit besluit verenigen en heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de taalanalyse onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiseres vindt het bevreemdingwekkend dat bij de taalanalyse gebruikt is gemaakt van een Iraanse tolk en een Pakistaanse expert. Voorts voert eiseres aan dat er in Kandahar maar weinig Tadzjieken wonen en zij allemaal Dari spreken. Eiseres verwijst hierbij naar het algemeen ambtsbericht van Afghanistan van 2011. Bij officiële instanties is het niet nodig om Pashtu te spreken. Eiseres vindt het vreemd dat van Tadzjieken, zoals zij, verwacht wordt dat ze Pashtu spreekt. Verder verwijst zij naar haar overgelegde tazkera, waar op staat vermeld dat zij uit Kandahar komt. Eveneens legt eiseres een verklaring van de Afghaanse ambassade van 17 september 2012 over waaruit blijkt dat eiseres is geboren in Kandahar. Bij brief van 17 juni 2013 legt zij een rapport van 16 juni 2013 van het Vertaal- en Cultuurbureau Wazjah over, ter onderbouwing van haar standpunt.

6. De rechtbank concludeert op grond van hetgeen is aangevoerd, alsmede de behandeling ter zitting, dat in geschil is de vraag of verweerder op goede gronden de aan eiseres verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot aan de ingangsdatum van de eerste verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingetrokken.

7. Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden ingetrokken, dan wel de aanvraag voor verlenging van de geldigheidsduur ervan worden afgewezen, indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

8. Het ter zake door verweerder gevoerde beleid is neergelegd in paragraaf C5/2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). Hierin is onder meer bepaald:

Met de intrekking of niet-verlenging van de vergunning wordt nadrukkelijk niet beoogd enig leed toe te voegen. Zij is louter van reparatoire en niet van punitieve aard. Met de intrekking of niet-verlenging van de verblijfsvergunning op grond van het feit dat er bij de verlening of verlenging onjuiste gegevens zijn verstrekt, dan wel gegevens zijn achtergehouden, wordt dus slechts beoogd de situatie te herstellen zoals die rechtens zou zijn geweest indien wel de juiste gegevens zouden zijn verstrekt. Indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt en de juiste gegevens niet bekend zijn, wordt geoordeeld op grond van de overige wel bekende en geloofwaardige gegevens.

Het is niet vereist dat de vreemdeling de onjuiste gegevens zelf heeft verstrekt, dat hij op de hoogte was van de verstrekking van de onjuiste gegevens of dat hij daarmee heeft ingestemd. Opzet van de vreemdeling, of diens persoonlijke betrokkenheid in welke vorm dan ook, is evenmin vereist. Dergelijke factoren zijn immers niet relevant voor de vraag welke beslissing rechtens de juiste zou zijn geweest indien er geen onjuiste gegevens waren verstrekt en derhalve evenmin voor de vraag of de bestaande situatie moet worden gecorrigeerd door intrekking van de ten onrechte verleende vergunning. Het gaat er bij de intrekking of niet-verlenging uitsluitend om dat de situatie wordt hersteld naar de situatie zoals die had behoren te zijn (...).

Het verstrekken van onjuiste gegevens dan wel achterhouden van gegevens kan voorts op velerlei manieren voorkomen. Voorbeelden zijn onder meer:

a. het verzwijgen van eerder verblijf en eerdere aanvragen in andere Europese landen;

b. het afleggen van verklaringen die later onjuist blijken te zijn, terwijl deze aanleiding zijn geweest voor inwilliging;

c. het verzwijgen van strafrechtelijke gegevens (bijvoorbeeld buitenlandse strafvonnissen), terwijl deze tot afwijzing zouden hebben geleid;

d. het achterhouden van een paspoort bijvoorbeeld teneinde de legale uitreis of de afgiftedatum verborgen te houden en op grond hiervan aanleiding zou hebben bestaan om af te wijzen;

e. het verzwijgen van activiteiten die vallen onder artikel 1F Vluchtelingenverdrag (zie C4/3.11.3).

Indien er is geconstateerd dat er sprake is van het verstrekken van onjuiste gegevens en er beoordeeld is dat er geen gronden voor verlening van een vergunning meer bestaan, dan wordt de verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht naar het eerste moment van verlening. Hiermee wordt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bedoeld (…)

9. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in vaste jurisprudentie heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 12 juni 2013, 201203039/1/V1; www.raadvanstate.nl), ligt het op de weg van verweerder om, indien sprake is van intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, aannemelijk te maken dat zich de daarin vermelde intrekkingsgrond voordoet. Het laten uitvoeren van een taalanalyse dient in dat geval voor verweerder als middel om te voldoen aan de op hem rustende bewijslast. Als door verweerder aan de op hem rustende bewijslast is voldaan, is het vervolgens aan de vreemdeling om het geleverde bewijs te weerleggen.

10. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 22 februari 2013, 201109026/1/V2; www.raadvanstate.nl en 27 februari 2012, 201105179/1/V1; www.raadvanstate.nl) vloeit voorts het volgende voort.

In beginsel mag ervan worden uitgegaan dat een vanwege verweerder door het inzetten van het Bureau Land en Taal (BLT) verrichtte taalanalyse tot stand is gekomen onder gedeelde verantwoordelijkheid van een ter zake deskundige linguïst die bij voormeld bureau in dienst is en van wie de kwaliteit voldoende is gewaarborgd en een extern ingeschakelde taalanalist die op zorgvuldige wijze is geselecteerd en onder voortdurende kwaliteitscontrole staat. Niettemin dient verweerder, indien en voor zover hij tot het laten verrichten van een taalanalyse overgaat en deze aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van te vergewissen dat de taalanalyse – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is.

11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat verweerder niet blind kan varen op de taalanalyse van BLT. Bij het onderzoek van BLT is gebruik gemaakt van een Iraanse tolk en een Farsi expert met een Pakistaanse achtergrond. De algemene stelling van verweerder en van de taalanalist van BLT dat van elke vreemdeling die stelt afkomstig te zijn uit Kandahar, Afghanistan mag worden verwacht dat hij een actieve kennis heeft van het Pashtu, de dominante taal in Kandahar en omgeving, is onjuist. Eisers zijn Tadzjieken en spreken alleen Dari. In Kandahar vormen de Tadzjieken een afgesloten gemeenschap. In het maatschappelijk leven van eisers hadden zij alleen te maken met Dari sprekende Tadzjieken. Vandaar dat zij geen kennis hebben van het Pashtu. Ter onderbouwing hiervan legt eiseres bij brief van 17 juni 2013 een rapport van 16 juni 2013 van drs. [naam], Vertaal- en Cultuurbureau Wazjah over en verwijst naar het ambtsbericht Afghanistan van 2011. Dit rapport beschrijft de situatie van Tadzjieken (in het rapport worden zij ‘Farsi-wanen’ genoemd) in Kandahar, betwijfelt de deskundigheid van de door BLT gebruikte taalanalist, ondersteunt het verhaal van eiseres en concludeert dat eisers afkomstig zijn uit Kandahar, Afghanistan.

12. Verweerder stelt dat volgens het rapport taalanalyse van BLT niet aannemelijk is dat eiseres haar hele leven in Kandahar heeft verbleven op grond van het gebrek aan actieve kennis van het Pashtu. Het staat vast dat eiseres uit Afghanistan komt. Voor verweerder is de taalanalyse helder en voldoende inzichtelijk. Het ligt dus op de weg van eiseres om een contra-expertise te laten verrichten. Het overgelegde rapport van 16 juni 2013 is geen contra-expertise nu geen gebruik is gemaakt van dezelfde geluidsopname die ook BLT heeft gebruikt. Nu er geen contra-expertise ligt, moet volgens verweerder van de juistheid van het rapport van BLT wordt uitgegaan.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn vergewisplicht. De rechtbank overweegt daarbij als volgt. De conclusie van de taalanalist van BLT is gebaseerd op de algemene stelling dat van een vreemdeling uit Kandahar mag worden verwacht dat hij een actieve kennis heeft van het Pashtu, de dominante taal in Kandahar en omgeving. Op zich stelt verweerder in zijn algemeenheid terecht dat enkel een contra-expertise afbreuk kan doen aan de conclusies van een taalanalyse. Op het moment echter dat een taalanalyse algemene stellingen betrekt om tot een conclusie in een individueel geval te komen, zal verweerder zich ervan dienen te vergewissen of deze algemene stelling strookt met informatie waarmee verweerder ambtshalve dan wel op andere wijze bekend is.

Daarbij betrekt de rechtbank de informatie zoals die is opgenomen in het Algemene Ambtsbericht Afghanistan van het Ministerie van Buitenlandse zaken van augustus 2011:

‘In Afghanistan worden meer dan 30 talen gesproken, waarvan het aan het Perzisch

verwante Dari en het Pashtu de belangrijkste zijn. Deze talen worden

respectievelijk gesproken door 50 en 35 % van de bevolking. Sinds 1936 zijn

Dari en Pashtu de officiële talen van Afghanistan, wat is bevestigd in de nieuwe

grondwet van januari 2004. De Turkse talen (Oezbeeks en Turkmeens) zijn in de

nieuwe grondwet samen met het Baluchi, Pashai, Nuristani en Pamiri tot derde

officiële taal verheven in die gebieden waar een meerderheid van de bevolking

deze talen spreekt. Onderwijs wordt nu nog alleen in het Pashtu of het Dari

gegeven. Minderheidstalen kunnen ook als vak worden aangeboden in het

curriculum, als derde taal. Het Pashtu wordt overwegend door de Pashtuns

gesproken. Tadzjieken en Hazara spreken voornamelijk Dari. Veel stedelijke

Pashtuns, met name in Kaboel, spreken ook Dari.’

In het Ambtsbericht wordt wel een algemene stelling betrokken ten aanzien van de beheersing van het Dari door de Pashtuns, maar niet ten aanzien van de beheersing van het Pashtu door Tadzjieken.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder reeds hierom vraagtekens had moeten zetten bij de voornoemde algemene stelling van de taalanalist van BLT. Uit de reactie van BLT op de zienswijze van eiser van 18 april 2012 volgt dat de taalanalist deze stelling baseert op de waarneming dat uit de rapporten taalanalyse in zaken waarin personen stellen uit Kandahar te komen en de gestelde herkomst uit Kandahar is bevestigd, blijkt dat etnische Tadzjieken naast hun eigen variant van het Dari ook een actieve beheersing van het Pashtu hebben. Dat uit deze waarneming, waarvan overigens onduidelijk is waarop deze is gebaseerd, logischerwijze volgt dat van iedere Tadzjiek afkomstig uit Kandahar verwacht mag worden dat hij naast het Dari ook het Pashtu actief beheerst, is, naar het oordeel van de rechtbank, zonder nadere motivering onbegrijpelijk.

Bij deze conclusie betrekt de rechtbank ten overvloede dat deze stelling ook gemotiveerd wordt betwist door de opsteller van het door eiseres overgelegd rapport, drs. [naam]. Hieruit blijkt dat 95% van de Tadzjieken (of Farsi-wan) het Pashtu niet actief beheersen.

Zo staat in het rapport van 16 juni 2013 onder meer op pagina 3:

‘Doordat de Farsi-wanen worden geweerd in openbare functies, komen ze nauwelijks in directe contact met de Pashtunen. Slechts enkele specialistische ambachtslieden die werkzaam zijn in de Bazars van Pashtun-wijken hebben direct te maken met Pashtun c.q. Pashtun klanten. Daarom spreekt slechts zo’n vijf procent van de Farsi-wan (actief) Pashto. De meeste Farsi-wan mannen bewerken eigen grond buiten de stad of hebben een kleine onderneming in de stad maar altijd in eigen Farsi-wan dorp of woonwijk waardoor ze enkel te maken hebben met eigen gemeenschap. Wat de vrouwen betreft, die blijven traditiegetrouw thuis en hebben daarom slechts met de eigen gemeenschap te maken.

De betrokkenen hebben beiden geen onderwijs genoten. Dit maakt dat ze de enige kans hebben gemist om via het onderwijs de Pashto taal te kunnen leren.’

En op pagina 4:

‘Het leren en beheersen van een taal gaat middels het onderwijs en /of frequente omgang met de mensen die de betreffende taal spreken. Van beide was geen sprake, wat voor zo’n 95% van de Farsi-wan gemeenschap in Kandahar van toepassing is. De Farsi-wan gemeenschap leidt een zeer geïsoleerd bestaan in Kandahar.’

De rechtbank is van oordeel dat het rapport van BLT niet – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is en dat verweerder door het rapport aan het bestreden besluit ten grondslag te leggen niet heeft voldaan aan de voornoemde vergewisplicht.

14. Het beroep is gegrond.

In het beroep van eiser (AWB 12 / 24200):

15. Eiser is geboren op 1 juli 1981 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Eiser heeft op 24 juni 2011 de eerder genoemde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend.

16. Bij besluit van 2 juli 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert, omdat uit de taalanalyse van BLT blijkt dat het niet aannemelijk is dat eiser zijn hele leven in Kandahar heeft verbleven.

17. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft hiertoe – samengevat weergegeven – aangevoerd dat verweerder ten onrechte artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan hem tegenwerpt. Eiser is van mening dat zijn asielrelaas wel degelijk geloofwaardig is en legt bij brief van 17 juni 2013 het voornoemde rapport van 16 juni over. Volgens eiser komt hij voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in aanmerking op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, e of f van de Vw 2000.

18. De rechtbank stelt vast dat eiser een van eiseres afhankelijk asielrelaas heeft. Nu het beroep van eiseres gegrond is en het bestreden besluit in het beroep van eiser eveneens gebaseerd is op het rapport van BLT, is de rechtbank van oordeel dat ook het bestreden besluit in het beroep van eiser niet in stand kan blijven.

19. Het beroep is gegrond.

In de beroepen van eisers (AWB 12 / 24200 en AWB 12 / 24202):

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,- (1 punt voor het indienen van de gelijkluidende beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten en draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,-, te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.V.L. Heuts, rechter, in aanwezigheid van mr. F.M.E. Schulmer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 december 2013.

w.g. F. Schulmer,

griffier

w.g. Heuts,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

Afschrift verzonden aan partijen op: 6 december 2013

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.