Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19708

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-05-2013
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
AWB 12-25590
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag/Turkije/lidmaatschap PKK/3 EVRM

Verweerder heeft de asielaanvraag van de vreemdeling, die jarenlang bij de organisatie heeft gezeten, afgewezen. Er wordt niet aan getwijfeld dat eiser jarenlang bij de organisatie heeft gezeten. De minister van Buitenlandse Zaken heeft een individueel ambtsbericht betreffende eiser uitgebracht, waaruit blijkt dat eiser heimelijk wordt gezocht door de autoriteiten vanwege zijn vermeende lidmaatschap van de organisaatie en de gewapende tak van de organisatie op het platteland. De rechtbank oordeelt, onder verwijzing naar diverse landeninformatie en onder meer een uitspraak van de Committee Against Torture (CAT), dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar het land geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2013/320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/25590

V-nr: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen:

[Eiser],

geboren op [geboortedatum], van Turkse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. N.C. Blomjous, advocaat te Amsterdam,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, rechtsopvolger van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 23 januari 2011 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 10 augustus 2012 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft 18 jaar actief deelgenomen aan de Koerdische Arbeidspartij PKK. Eiser vreest dat hij daarvoor een levenslange gevangenisstraf zal krijgen. In 1994, op zijn vijftiende of zestiende jaar, is eiser betrokken geraakt bij de PKK. Hij heeft daar meerdere (militaire) trainingen en opleidingen gevolgd en in verschillende kampen verschillende werkzaamheden verricht. Eind 2007 is eiser overgeplaatst naar een kamp in Irak waar hij ongeveer acht maanden heeft verbleven en waar het regime heel streng was. Ongeveer in juli of augustus 2008 heeft hij met behulp van een vriend het kamp verlaten en is hij naar Duhok (Irak) gegaan. In Duhok had eiser nergens recht op. Hij werd financieel geholpen door zijn broer en zus in Duitsland. In Duhok werd hij op 16 juni 2009 opgepakt omdat hij een vals paspoort bij zich had. Hij heeft toen een jaar en 47 dagen in de gevangenis gezeten. Op 2 augustus 2010 is hij uit de gevangenis gekomen en uiteindelijk heeft hij Irak verlaten. Hij kon niet terug naar Turkije, want dan zou hij worden opgepakt. Een vriend van eiser is wel teruggegaan naar Turkije en zit nu voor de rest van zijn leven in de gevangenis. Twee broers van eiser zijn opgepakt en verhoord om informatie over te eiser geven. Eiser vreest een levenslange gevangenisstraf in Turkije en vraagt zich ook af of hij een gevangenisstraf wel zal overleven, nu er in de gevangenis regelmatig mensen worden vermoord.

2. Op verzoek van verweerder heeft de minister van Buitenlandse Zaken op 31 mei 2012 een individueel ambtsbericht betreffende eiser (hierna: het individueel ambtsbericht) uitgebracht. Het ambtsbericht vermeldt – samengevat weergegeven – het volgende. Eiser is in Turkije niet veroordeeld en er staat op dit moment geen gevangenisstraf tegen eiser open. Eiser wordt (wel) heimelijk gezocht door de Turkse autoriteiten vanwege zijn vermeende lidmaatschap van de PKK en de gewapende tak van de PKK op het platteland. Er loopt nog geen strafrechtelijk onderzoek naar eiser. Hij wordt gezocht op grond van artikel 314/2 (lidmaatschap van een illegale organisatie) van het Turkse wetboek van Strafrecht en artikel 5 van antiterreurwet 3713 (strafverzwaring met de helft vanwege een aan terreur gerelateerd misdrijf). Bij terugkomst in Turkije zal eiser worden gearresteerd en ondervraagd en zal het verzamelde bewijs tegen eiser openbaar worden gemaakt. Uit het verrichte onderzoek kan niet afgeleid worden hoe betrouwbaar en/of volledig het bewijs is dat de Turkse autoriteiten tegen eiser hebben verzameld. Indien de Turkse autoriteiten voldoende betrouwbaar en volledig bewijs hebben verzameld dat eiser ook gewapende actie heeft uitgevoerd voor de PKK, dan riskeert hij maximaal een levenslange gevangenisstraf.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Eiser heeft onvoldoende documenten overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit, reisroute en asielrelaas te kunnen vaststellen. Het ontbreken van documenten wordt hem toegerekend.

Eisers betrokkenheid bij de PKK gedurende 18 jaar acht verweerder geloofwaardig. Uit eisers verklaringen en het individueel ambtsbericht blijkt echter niet dat eiser in Turkije vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) te wachten staat. Eiser wordt nog niet strafrechtelijk vervolgd en is ook nog niet veroordeeld. Nu hij zelf heeft verklaard nooit te hebben deelgenomen aan gewapende acties van de PKK, zal hij ook niet tot levenslange gevangenisstraf worden veroordeeld. De eventuele vervolging van eiser door de Turkse autoriteiten valt voorts onder ‘prosecution’ voor strafbare, niet-politieke, misdrijven en niet onder ‘persecution’ in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Hoewel eiser als Koerd, die zich heeft ingezet voor de Koerdische zaak, behoort tot een groep die verhoogde aandacht vraagt, is het enkele behoren tot die groep onvoldoende om vervolging aan te nemen. De situatie in gevangenissen in Turkije is weliswaar ook reden tot zorg, maar is wel verbeterd. Een levenslange gevangenisstraf is in het algemeen niet strijd met artikel 3 van het EVRM, tenzij deze onevenredig zwaar of discriminatoir van karakter is. Daarvan is in eisers geval niet gebleken. Tot slot is de enkele verplichting de dienstplicht te vervullen ook onvoldoende om aan te nemen dat terugkeer een risico voor schending van artikel 3 van het EVRM oplevert.

4. In geding is of verweerder de aanvraag van eiser op goede gronden heeft afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, juncto artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

5.1.

Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 – voor zover hier van belang – kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a.. die verdragsvluchteling is;

b.. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

5.2

Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder f, van genoemd artikel wordt mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

6. De rechtbank overweegt dat, hoewel verweerder aan eiser heeft tegengeworpen dat hij toerekenbaar geen documenten heeft overgelegd als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, verweerder de door eiser gestelde feiten over zijn werkzaamheden voor de PKK in het bestreden besluit geloofwaardig heeft geacht. De rechtbank zal dan ook geen oordeel geven over artikel 31, tweede lid, aanhef onder f, van de Vw 2000, nu dit niet relevant is. Dat een oordeel hierover van belang is voor toekomstige procedures, zoals bijvoorbeeld een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor een vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, volgt de rechtbank niet. Dat is een onzekere, toekomstige gebeurtenis en dat aspect ligt niet in de onderhavige procedure ter toetsing voor.

7.1

Eiser voert verder onder meer het volgende aan. Vaststaat dat eiser in Turkije vervolgd zal worden als gevolg van zijn banden met de PKK. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag hoe deze vervolging beoordeeld en gewaardeerd moet worden. Verweerder komt ten onrechte tot de conclusie dat sprake is van een gewone strafrechtelijke vervolging, omdat daden van terrorisme nooit als politieke daden kunnen worden aangemerkt. Dit is een onvoldoende draagkrachtige motivering. Voor de beoordeling of sprake is van een politiek of commuun misdrijf, had verweerder een andere toets moeten aanleggen. Eiser verwijst naar paragrafen 59 en 60 van het UNHCR Handbook, waaruit volgt dat onderzocht dient te worden waar het nu eigenlijk om gaat en hoe in het land van herkomst toepassing wordt gegeven aan de daar geldende wetgeving. Uit het World Report 2012 van Human Rights Watch (HRW) volgt dat er grote bezorgdheid bestaat ten aanzien van de willekeurige toepassing van de anti-terreurwetgeving in Turkije. Eiser meent dan ook dat verweerder te gemakkelijk heeft geconcludeerd dat sprake is van een gewoon strafrechtelijk delict en dat, zolang niet duidelijk is om welk delict het gaat, hij het voordeel van de twijfel dient te krijgen. Eiser wijst er in de aanvullende gronden van beroep op dat aan zijn deelname aan de PKK politieke motieven ten grondslag lagen en geen geldelijk gewin. Hij verwijst naar de UNHCR Guidelines en het UNHCR Handbook en naar het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) inzake B. en D. tegen Duitsland van 9 november 2010 (LJN: BO5518). Uit dat arrest volgt dat deelname aan een terroristische organisatie op zichzelf onvoldoende reden is voor het aannemen van een ‘non-political crime’ (in de zin van artikel 1F Vluchtelingenverdrag); dit moet blijken uit een concrete analyse van de zaak. Dit betekent ook dat vervolging enkel vanwege het lidmaatschap van de PKK niet noodzakelijk impliceert dat eiser wordt vervolgd voor een commuun delict. Subsidiair voert hij aan dat, zelfs al zou het lidmaatschap van de PKK een zuiver commuun delict opleveren, hij onevenredig zwaar bestraft zal worden. In rechtsoverweging 3.6 van de uitspraak van de Committee Against Torture (CAT) van 16 december 2010 (CAT/C/45/D/349/2008) vloeit voort dat bestraffing met 50% verzwaard wordt. Eiser persisteert tot slot ook in zijn stelling dat sprake zal zijn van vervolging in verband met dienstweigering. Eiser zal gedwongen worden de wapens op te nemen tegen zijn eigen volk. Vervolging wegens dienstweigering vindt nog steeds plaats en het is niet duidelijk of in die gevallen sprake is van buitenproportionele bestraffing en discriminatie. Koerden zijn in het algemeen vaker het slachtoffer van discriminatoire en buitenproportionele bestraffing, aldus eiser.

7.2.1

De rechtbank overweegt dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat hem in Turkije vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag te wachten staat vanwege politieke misdrijven. Uit het individueel ambtsbericht blijkt dat eiser wordt gezocht vanwege lidmaatschap van een illegale organisatie, te weten de PKK. Ter uitvoering van VN resolutie 1373 (2001) heeft de Raad van de Europese Unie op 27 december 2001 een gemeenschappelijk standpunt 2001/931/GVBV betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme aangenomen. Sinds 2002 staat de PKK op de lijst behorend bij voormeld gemeenschappelijk standpunt, betreffende ‘personen, groepen en entiteiten die betrokken zijn bij terroristische daden’. Uit het individueel ambtsbericht blijkt niet dat eiser wordt gezocht vanwege zijn politieke overtuiging. Eiser heeft dat evenmin aannemelijk gemaakt. Zijn enkele stelling dat hij bij de PKK heeft gezeten vanuit politieke motieven, betekent niet dat het feit dat hij gezocht wordt wegens lidmaatschap van de PKK een vervolging wegens zijn politieke overtuiging inhoudt. De rechtbank is verder van oordeel dat het feit dat in een land het lidmaatschap van een bepaalde organisatie strafbaar is, iets anders is dan de beoordeling of artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op iemand van toepassing is, zodat de verwijzing naar het arrest B. en D. tegen Duitsland niet opgaat. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de Turkse autoriteiten aan de strafbaarstelling van het lidmaatschap van de PKK en de vervolging daarvan, zodanig uitvoering geven dat sprake is van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

De rechtbank is voorts van oordeel dat eiser evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat hij onevenredig zwaar bestraft zal worden, indien hij in Turkije wordt gearresteerd en eventueel vervolgd vanwege het lidmaatschap van een illegale organisatie. De enkele omstandigheid dat voor aan terreur gerelateerde misdrijven een strafverzwaring met de helft geldt, zoals ook blijkt uit het individueel ambtsbericht, betekent niet per definitie dat eiser een onevenredig zware bestraffing te wachten staat.

7.2.2

Het betoog van eiser dat hij vervolgd zal worden of buitenproportioneel gestraft, in verband met zijn dienstweigering, slaagt evenmin. Hoewel eiser heeft aangevoerd dat hij gewetensbezwaard is en uit het algemeen ambtsbericht van februari 2012 blijkt dat men in Turkije geen beroep kan doen op gewetensbezwaren bij vervulling van de dienstplicht, volgt uit voormeld ambtsbericht ook dat op grond van een nieuwe regeling elke dienstplichtige Turk die is geboren op of voor 31 december 1982, zijn dienstplicht kan afkopen. Daarnaast volgt uit voormeld ambtsbericht dat de Turkse autoriteiten geen actief opsporingsbeleid voeren ten aanzien van dienstweigeraars. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder, met verwijzing hiernaar, heeft kunnen oordelen dat hetgeen eiser in dit kader heeft aangevoerd geen grond vormt voor verlening van de gevraagde asielvergunning.

7.2.3

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag niet aannemelijk heeft gemaakt.

8.1

Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er voor eiser geen risico is op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Uit het algemeen ambtsbericht van februari 2012 volgt dat er voor Koerden in een vergelijkbare situatie een verhoogd risico bestaat op een dergelijke behandeling. Eiser verwijst ook naar eerdergenoemde CAT-uitspraak van 16 december 2010 en de daarin vervatte landeninformatie. Eiser voert verder aan dat zijn psychische gesteldheid, in combinatie met de omstandigheid dat hij bij aankomst in Turkije in detentie in een regime voor terrorismeverdachten terecht zal komen, ook moet worden betrokken bij de vraag of hij een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Eiser meent dat verweerder ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan naar zijn medische gesteldheid. In de aanvullende gronden van beroep heeft eiser ter onderbouwing van zijn standpunt nog aanvullend verwezen naar het World Report 2011 en 2012 van HRW, een bericht van de Schweizerische Flüchtlingshilfe van 26 mei 2010, de ‘Operational Guidance Note - Turkey’ van het UK Home Office van augustus 2011, een uitspraak van het EHRM inzake Kaya tegen Turkije van 25 september 2012 (12673/05) en een nieuwsbericht van The Guardian (VK) van 10 november 2010.

8.2.1

De rechtbank overweegt dat de beroepsgrond van eiser, dat verweerder ten onrechte eisers medische gesteldheid niet nader heeft onderzocht, niet slaagt. Eiser stelt dat hij kampt met psychische problemen. Hij heeft daarvan echter geen enkele (medische) bewijsstukken overgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder met raadpleging van Medifirst tijdens de besluitvormingsfase voldoende onderzoek heeft gedaan naar eisers medische gesteldheid. Tot meer was verweerder niet gehouden.

8.2.2

De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er voor eiser geen risico is op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, voor het overige wel slaagt. De rechtbank zal daartoe ingaan op de door eiser aangehaalde landeninformatie. Het algemeen ambtsbericht inzake Turkije van februari 2012 vermeldt - voor zover van belang - het volgende:

3.3.7.

Mishandeling en foltering

Vanwege het zero-tolerance beleid van de overheid is de situatie in Turkije met betrekking tot martelingen verbeterd sinds het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw. Niettemin concludeert de Europese Commissie in zijn jaarlijkse voortgangsrapporten dat de situatie met betrekking tot martelen in Turkije reden voor zorg blijft. De maatregelen, genomen in het kader van het zero-tolerance beleid zijn slechts in beperkte mate geïmplementeerd.

Het aantal incidenten waarbij marteling/mishandeling op politiebureaus werd gerapporteerd, vertoonde in de verslagperiode een dalende lijn. Het aantal beroepen op daartoe gespecialiseerde ngo’s met betrekking tot gevallen van marteling en/of mishandeling, in het bijzonder buiten officiële detentiecentra, nam echter toe.

Vanwege het ontbreken van gegevens is het moeilijk inzicht te krijgen in welke mate in Turkse gevangenissen en daarbuiten wordt gemarteld, alsmede in het aantal gevallen van marteling. Onafhankelijke en betrouwbare cijfers zijn niet beschikbaar. Het is niet vast te stellen hoe betrouwbaar alle meldingen van marteling en slechte behandeling zijn, en hoeveel van de daadwerkelijke gevallen van marteling en slechte behandeling worden aangemeld. Ook kan niet worden aangetoond c.q. vastgesteld dat marteling of slechte behandeling in Turkije in opdracht van de overheid plaatsvindt.

Personen die veroordeeld zijn wegens/verdacht worden van/opgepakt zijn voor politieke en/of terreurmisdrijven, en LGBT zouden een hoger risico op marteling en slechte behandeling lopen. Het aantal meldingen van marteling en slechte behandeling zou toenemen op momenten van verhoogde politieke/militaire spanning in Turkije. Gevangenen waarvoor veel media-aandacht bestaat, zouden een geringer risico op een gewelddadige behandeling lopen.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen stelde in haar Voortgangsrapport 2011 dat er nog steeds mishandelingen buiten het politiebureau plaats vinden, bij voorkeur ergens in een veld of een garage. Na afloop wordt het slachtoffer achtergelaten ofwel meegenomen naar het politiebureau met de verklaring dat betrokkene zich tegen detentie heeft verzet en de verwondingen hierdoor zijn opgelopen.

Voornaamste reden waarom martelingen nog steeds plaats kunnen vinden, is dat de daders over het algemeen niet worden aangepakt en er ook geen cultuur aanwezig is om disciplinaire maatregelen te nemen. [..] Op 31 maart 2011 kwam het rapport uit naar aanleiding van het vijfde periodieke bezoek van het CPT van 4 tot 17 juni 2009 aan Turkije. In dit rapport meldde het CPT een afnemende trend zowel in het plaatsvinden als in de hardheid van mishandeling door functionarissen belast met de wetshandhaving. Bepaalde ernstige vormen van mishandeling bleven echter voorkomen, met name buitensporig geweld tijdens aanhouding. (p. 64-65)

[..]

3.4.3

Leden van de PKK, militante linkse of radicaal-islamitische groeperingen

De PKK wordt door de Turkse overheid op basis van de anti-terrorismewet als een

terroristische organisatie beschouwd. Binnen het kader van deze wet stellen de

Turkse autoriteiten alles in het werk om de PKK en zijn leden definitief uit te

schakelen. Dit houdt in dat opgepakte leden van de PKK als terroristen worden

behandeld en worden gedetineerd in zwaar beveiligde gevangenissen (high security

prisons) met het daarbij behorende detentieregime. Over de precieze aanpak bij

arrestatie van PKK-leden is geen informatie beschikbaar. (p. 70)

In de uitspraak van het CAT wordt onder 6.6 het volgende overwogen:

The Committee observes that, according to various sources including the reports provided by the complainant, the Turkish security and police forces continue to use torture, in particular during questioning and in detention centers, including against suspected terrorists. The Committee also notes that according to the State Party's own submission in 2007 (see paragraph 3.6 above) the number of reports of ill-treatment has increased. More than one of the reports submitted by the State party describe that despite the legislative measures taken by the Turkish Government perpetrators often enjoy impunity, and question the effectiveness of the reform. Many of the recent reports quoted by the State party also indicate that there are an increasing number of reports of ill-treatment and torture committed by members of the security and police forces outside official premises and thus more difficult to detect and document.

De ‘Operational Guidance Note - Turkey’ van augustus 2011 van het UK Home Office vermeldt:

3.6.7

The UN Committee Against Torture, in their report of November 2010, stated they had grave concerns about numerous, ongoing and consistent allegations concerning the use of torture, particularly in unofficial places of detention. These allegations come despite the State providing information that combating torture and ill-treatment has been a “priority item” and despite the fact that there has been a decrease in the number of reports on torture and other forms of cruel, inhuman or degrading treatment and punishment in official places of detention. The Committee was also concerned by the absence of prompt, thorough, independent and effective investigations into allegations of torture committed by security and law enforcement officers. Many law enforcement officers found guilty of ill-treatment receive only suspended sentences, which has contributed to a climate of impunity.

[..]

3.6.11

The Turkish government has made changes to its legislation and has committed to a policy of combating torture and ill treatment. However, whilst there has been a decrease in the number of reported instances of torture and other forms of cruel, inhuman or degrading treatment instances of mistreatment still occur. Those who are accepted as being in leading roles, or otherwise significantly involved with Kurdish, left wing or Islamic terrorist groups or political parties are likely to face prosecution for activities against the state and may also experience mistreatment by the security forces amounting to persecution or a breach of Article 3 of the ECHR. If it is accepted that the claimant is, or is suspected of being a high profile member/activist of a separatist group and has or is being prosecuted by the authorities for separatist activity then there may be a real risk or persecution or ill treatment contrary to Article 3 and a grant of asylum or Humanitarian Protection in such cases may be appropriate.

Het World Report 2012 (van januari 2012) van Human Rights Watch vermeldt over Turkije:

Turkey’s overbroad definition of terrorism still allows for arbitrary imposition of the harshest terrorism charges against individuals about whom there is little evidence of logistical or material support for terrorism or of involvement in plotting violent activities.

[..]

Police violence against demonstrators is still a serious problem in Turkey, requiring more resolute action from the government. [..] In 2011 there were also reports that police beat detainees during arrest.

De rechtbank overweegt dat verweerder de werkzaamheden van eiser voor de PKK gedurende 18 jaar geloofwaardig acht. Verder volgt uit het individueel ambtsbericht dat eiser door de Turkse autoriteiten wordt gezocht vanwege zijn vermeende lidmaatschap van de PKK en dat hij bij terugkomst in Turkije zal worden gearresteerd en ondervraagd. De situatie van eiser acht de rechtbank voorts zeer vergelijkbaar met de situatie van klaagster in voormelde CAT-uitspraak van 16 december 2010. De stelling dat eiser op een lager niveau werkzaam was binnen de PKK dan klaagster, omdat klaagster ook had samengewerkt met [geboortedatum], maakt de positie van eiser niet anders. Gelet op deze feiten en gegeven de informatie uit het algemeen ambtsbericht van februari 2012, alsmede de andere genoemde rapportages, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Turkije geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Hoewel verweerder onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht heeft gesteld dat de situatie ten aanzien van marteling in Turkije is verbeterd, is de rechtbank van oordeel dat uit het algemeen ambtsbericht enkel is af te leiden dat dit op de situatie in het algemeen ziet, en niet op de positie van terreurverdachten, zoals eiser. Op pagina 64 van het algemeen ambtsbericht staat immers dat personen die veroordeeld zijn wegens/verdacht worden van/opgepakt zijn voor politieke en/of terreurmisdrijven, en LGBT een hoger risico op marteling en slechte behandeling zouden lopen.

9. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 944,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,--, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 944,-- (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Sipkens, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2013.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EK

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.