Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19707

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
13-04-2016
Zaaknummer
AWB-12_37891
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:235, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoewel is overwogen dat het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel moet falen, stelt de rechtbank vast dat verweerder zich aanvankelijk op het standpunt heeft gesteld dat er sprake was van een niet-gelijke zaak. Dit heeft de gemachtigde van eiser met bewijsstukken kunnen weerleggen. Verweerder stelt zich thans op het standpunt dat er in die zaak sprake is van een kennelijke misslag. Hoewel het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat foutieve beslissingen ten aanzien van andere vreemdelingen dienen te worden gecontinueerd, komt eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel de rechtbank begrijpelijk voor. Daarbij is ter zitting naar voren gekomen dat eiser bij brief van 13 maart 2013 een uitnodiging van verweerder heeft ontvangen om zijn verblijfsdocument op te halen. Eiser heeft het document ook in handen gehad, maar dit bleek eveneens een misslag te zijn, waarvoor de gemachtigde van verweerder ter zitting zijn excuses heeft aangeboden. Deze misslagen in aanmerking genomen, alsmede de uitzonderlijke situatie dat referente en de vier kinderen een status bezitten in Nederland en eiser in Italië, terwijl bepaald niet vaststaat dat Italië verblijf zal toestaan aan de gezinsleden, die in Nederland zijn toegelaten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/37891 (beroep)

AWB 12/37892 (voorlopige voorziening)

V-nr: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[Eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Somalische nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser),

gemachtigde: mr. W. Koetsier-van der Kamp, advocaat te Amsterdam,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.C. van Keeken, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 27 maart 2012 heeft verweerder de aanvraag van eiser van diezelfde datum tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking “verblijf bij echtgenote [echtgenote] en zijn vier minderjarige kinderen” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 november 2012 ongegrond verklaard.

Op 2 december 2012 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van diezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig A. Awed, als tolk in de Somalische taal. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1.1.

Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser niet in het bezit is van een geldige mvv en hij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dan wel op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000. Voor wat betreft artikel 8 van het EVRM heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser niet nader heeft onderbouwd dat er gelet op de slechte leefomstandigheden sprake is van een objectieve belemmering voor het gezin om zich in Italië te vestigen.

1.2.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

1.3.

Op grond van artikel 3.71, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 afgewezen, indien de desbetreffende vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder l, is van het vereiste van een geldige mvv vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn. Op grond van het vierde lid kan verweerder het eerste lid buiten toepassing laten voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hardheidsclausule).

1.4.

Op grond van het eerste lid van artikel 8 van het EVRM heeft een ieder recht op respect voor zijn familie- en gezinsleven. Op grond van het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.1.

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat tussen eiser en zijn vrouw en kinderen sprake is van gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en dat geen sprake is van inmenging van dit recht op gezinsleven aangezien de weigering eiser hier te lande verblijf toe te staan er niet toe strekt om eiser een verblijfstitel te ontnemen die hem tot het uitoefenen van het familie- en gezinsleven in staat stelde.

2.2.

Volgens vaste jurisprudentie moet een belangenafweging gemaakt worden tussen de relevante belangen in geding. Daarbij moet een "fair balance" worden gevonden tussen het belang van eiser en zijn vrouw en kinderen enerzijds en het algemeen belang van de Nederlandse Staat dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

2.3.

Eiser voert aan dat er sprake is van een objectieve belemmering voor zijn vrouw en kinderen om zich bij hem in Italië te voegen, omdat hij daar - ondanks het feit dat hij daar een asielstatus bezit - op straat leeft en geen werk heeft. Ter onderbouwing hiervan doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel met de eveneens door zijn gemachtigde behandelde zaak met V-nummer [v-nummer] alsmede de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 november 2012, AWB 12/35324.

3.1.

De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft er voor gekozen zonder mvv in Nederland zijn gezinsleven te intensiveren, zodat de gevolgen daarvan voor zijn rekening en risico komen. Er is niet gebleken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. De stelling van eiser dat de leefomstandigheden in Italië dusdanig zijn dat het gezin op straat zou moeten leven is niet nader onderbouwd. Eiser heeft ook overigens niet onderbouwd waarom het onmogelijk zou zijn om met het gezin in Italië te wonen. Verder is niet in geschil dat eiser, behoudens een adviesprocedure, geen pogingen heeft ondernomen om zich met zijn gezin legaal te vestigen in Italië. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn standpunt dat het bestreden besluit op dit punt niet met de daartoe vereiste zorgvuldigheid is gemotiveerd. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder ten aanzien van de belangenafweging een zekere beoordelingsruimte toekomt. Gelet op de in deze overweging genoemde feiten heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt gesteld dat een groter gewicht toekomt aan het Nederlands belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid dan aan het belang van eiser en zijn gezin. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt bovendien dat artikel 8 van het EVRM niet zo ver strekt dat de Nederlandse overheid verplicht is om domiciliekeuze te respecteren.

3.2.

Met betrekking tot het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel met de zaak met

V-nummer [v-nummer] overweegt de rechtbank dat dit niet kan slagen, omdat verweerder heeft toegelicht dat de verlening van een verblijfsvergunning aan die vreemdeling berust op een kennelijke misslag.

3.3.

Eiser beroept zich tevens op de uitspraak van deze rechtbank van 26 november 2011, AWB 12/35324, waarin is overwogen dat de echtgenote van de vreemdeling inmiddels is genaturaliseerd tot Nederlandse, zodat zij op grond van het gemeenschapsrecht in Italië kan verblijven en er dan ook geen sprake is van een objectieve belemmering. Voor zover eiser heeft willen betogen dat uit die zaak is af te leiden dat zijn vrouw, die geen EU-onderdaan is, in Italië zonder verblijfsvergunning, volledig afhankelijk zou zijn van liefdadigheid, oordeelt de rechtbank dat een dergelijke a-contrario redenering onvoldoende is om een beroep op het gelijkheidsbeginsel te honoreren.

4.1.

Eiser heeft in bezwaar, gehandhaafd in beroep, betoogd dat verweerder hem ten onrechte niet op grond van de hardheidsclausule van het mvv-vereiste heeft vrijgesteld.

4.2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer de uitspraak van 18 januari 2012 in zaaknummer 201005222/1/V4), komt verweerder bij de toepassing van de hardheidsclausule een ruime beoordelingsmarge toe. Als beleidsuitgangspunt geldt hierbij dat een beroep op de hardheidsclausule slechts in zeer uitzonderlijke individuele gevallen wordt gehonoreerd. Het is daarbij aan de vreemdeling de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat van zodanig geval sprake is aan te voeren en zo nodig te staven. De weigering om toepassing te geven aan de hardheidsclausule zal de toetsing in rechte slechts niet kunnen doorstaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder daartoe niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten.

4.3.

Hoewel hierboven onder 3.2. is overwogen dat het beroep van eiser bij zijn aanvraag van 27 maart 2012 met de zaak met V-nummer [v-nummer], waarin de vreemdeling is vrijgesteld van het mvv-vereiste en in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning, moet falen, stelt de rechtbank vast dat verweerder zich aanvankelijk op het standpunt heeft gesteld dat er sprake was van een niet-gelijke zaak. Dit heeft de gemachtigde van eiser met bewijsstukken kunnen weerleggen. Verweerder stelt zich thans op het standpunt dat er in die zaak sprake is van een kennelijke misslag. Hoewel het gelijkheidsbeginsel niet zover strekt dat foutieve beslissingen ten aanzien van andere vreemdelingen dienen te worden gecontinueerd, komt eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel de rechtbank begrijpelijk voor.

4.4.

Daarbij is ter zitting naar voren gekomen dat eiser bij brief van 13 maart 2013 een uitnodiging van verweerder heeft ontvangen om zijn verblijfsdocument op te halen. Eiser heeft het document ook in handen gehad, maar dit bleek eveneens een misslag te zijn, waarvoor de gemachtigde van verweerder ter zitting zijn excuses heeft aangeboden.

5. Deze misslagen in aanmerking genomen, alsmede de uitzonderlijke situatie dat referente en de vier kinderen een status bezitten in Nederland en eiser in Italië, terwijl bepaald niet vaststaat dat Italië verblijf zal toestaan aan de gezinsleden, die in Nederland zijn toegelaten, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in dit geval geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule.

6. Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

7. Volledigheidshalve meldt de rechtbank dat verweerder met betrekking tot het verzoek van eiser om restitutie van de leges ter zitting heeft verklaard een bedrag van € 1000,-- te zullen restitueren.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

8. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.416,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,--, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 12/37891,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 12/37892,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in beide zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 312,-- (zegge: driehonderdtwaalf euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.416,-- (zegge: eenduizendvierhonderdzestien euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J. van den Bergh, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W. de Jong-Koops, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 mei 2013.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: WdJ

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.