Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19705

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-04-2013
Datum publicatie
30-03-2016
Zaaknummer
AWB 12/28663
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de medische behandeling van de jongste dochter van eiseres - en de noodzaak van de aanwezigheid van eiseres daarbij - een onoverkomelijk obstakel vormt om de kinderen alleen bij hun vader in Nederland te laten.

De rechtbank concludeert uit de bijzondere medische omstandigheden dat de jongste dochter zodanig afhankelijk is van eiseres dat ze als gevolg van het bestreden besluit feitelijk wordt verplicht met eiseres buiten de EU te verblijven. Gelet hierop heeft verweerder een onjuist toetsingskader gehanteerd ten aanzien van de vraag of eiseres aanspraak kan maken op een verblijfsrecht op grond van het arrest Zambrano.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Sector bestuursrecht

Zittingsplaats Amsterdam

zaaknummers: AWB 12/28663 (beroep)

AWB 12/28664 (voorlopige voorziening)

V-nr: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[Eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , van Turkse nationaliteit, eiseres en verzoekster (hierna: eiseres),

gemachtigde: mr. L. Bastimar, advocaat te Amstelveen

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, rechtsopvolger van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. F. Gieskes, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 19 mei 2011 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking “verblijf bij echtgenoot” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 december 2011 ongegrond verklaard. Het beroep tegen dat besluit op bezwaar is bij uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 25 april 2012 gegrond verklaard. Bij besluit van 10 augustus 2012 heeft verweerder het bezwaar van eiseres opnieuw ongegrond verklaard.

Op 6 september 2012 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen het besluit van 10 augustus 2012 ontvangen. Tegelijkertijd is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten

Overwegingen

1.1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres is getrouwd met [echtgenoot] en heeft uit dit huwelijk twee dochters, te weten [dochter1] (hierna: de oudste dochter), geboren op [geboortedatum oudste dochter] 2003, en [dochter2] (hierna: de jongste dochter), geboren op

[geboortedatum jongste dochter] 2011. Beide kinderen bezitten de Nederlandse nationaliteit. De echtgenoot van eiseres heeft een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en is in Nederland geboren.

1.2 Eiseres heeft in beroep betwist dat van haar kan worden gevergd dat zij Nederland dient te verlaten. Eiseres heeft daarbij uitdrukkelijk aangegeven dat, indien het bestreden besluit in stand zou blijven, eiseres Nederland zal dienen te verlaten samen met haar in Nederland geboren dochters en haar echtgenoot. Op grond van deze door eiseres aangevoerde feiten, heeft de rechtbank op grond van artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgronden aangevuld, in die zin dat hiermee, naast het beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), tevens dient te worden beoordeeld of eiseres rechten kan ontlenen aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 8 maart 2011 in de zaak Zambrano (LJN: BP9130). Partijen hebben zich hier ook over uit kunnen laten.

Daarmee ligt allereerst de vraag voor of eiseres verblijfsrechten kan ontlenen aan de omstandigheid dat haar kinderen de Nederlandse nationaliteit hebben en burger van de Unie zijn.

1.3 Op grond van artikel 20, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het VWEU) wordt een burgerschap van de Unie ingesteld. Burger van de Unie is een ieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit. Het burgerschap van de Unie komt naast het nationale burgerschap doch komt niet in de plaats daarvan.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, genieten de burgers van de Unie de rechten en hebben zij de plichten die bij de Verdragen zijn bepaald en hebben zij, onder andere, het recht zich vrij op het grondgebied van de lidstaten te verplaatsen en er vrij te verblijven.

1.4 In het arrest Zambrano heeft het HvJEU onder meer geoordeeld dat artikel 20 van het VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat aan een staatsburger van een derde staat, die zijn kinderen van jonge leeftijd - zijnde burgers van de Unie - ten laste heeft, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar deze kinderen verblijven en waarvan zij de nationaliteit bezitten, aangezien dergelijke beslissingen de betrokken kinderen het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten ontzeggen.

1.5 Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling; zie onder andere de uitspraak van 15 november 2012 [LJN BY4039]) blijkt dat bij de beantwoording van de vraag of een burger van de Unie die gezinsleven uitoefent met een burger van een derde land, zijn uit artikel 20 van het VWEU voortvloeiende recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, slechts beperkte betekenis toekomt aan het recht op bescherming van het gezinsleven. De situatie dat de burger van de Unie zijn recht om op het grondgebied van de Unie te verblijven wordt ontzegd, doet zich slechts voor als de burger van de Unie zodanig afhankelijk is van de burger van een derde land, dat hij als gevolg van de besluitvorming van de staatssecretaris geen andere keus heeft dan met de burger van het derde land buiten de Unie te verblijven.

2.1. Eiseres heeft brieven overgelegd van drie medische specialisten waaruit blijkt dat haar jongste dochter onder medische behandeling staat voor het syndroom van Johanson Blizzard, waardoor haar alvleesklier niet functioneert en er sprake is van ernstig gehoorverlies. Daarnaast heeft haar jongste dochter ernstige voedingsproblemen - waardoor ze vloeibare voeding krijgt -, is er een ontwikkelingsachterstand, zijn er slaapproblemen en is er sprake van een sterke seperatieangst ten aanzien van haar moeder. Voor de medische behandeling van de jongste dochter is het volgens de medisch specialisten van groot belang dat zij haar moeder bij zich heeft.

2.2 In het bestreden besluit van 10 augustus 2012 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestaat eiseres verblijf toe te staan op basis van het arrest Zambrano. De vader van de twee dochters van eiseres heeft een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd en is niet buiten beeld. Verwacht kan worden dat hij de zorg voor de twee kinderen op zich neemt. De vader kan daar bovendien hulp bij krijgen van familie, vrienden, dan wel hulpverlenende instanties in Nederland.

2.3 In het verweerschrift van 16 januari 2013 heeft verweerder overwogen dat uit de door eiseres overgelegde medische informatie kan worden afgeleid dat de aanwezigheid van eiseres voor het slagen van de medische behandeling van haar jongste dochter noodzakelijk is. Uit de aanvullende in beroep overgelegde informatie blijkt de medische situatie van de jongste dochter gewijzigd is. Zij heeft een sterke seperatieangst ontwikkeld ten aanzien van haar moeder, wat tevens leidt tot slaapproblematiek. Om die reden handhaaft verweerder niet het in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat er geen indicatie is dat er onoverkomelijke of bijzondere obstakels zouden bestaan de kinderen bij hun vader in Nederland te laten.

Verweerder heeft het voorgaande niet meegewogen in het kader van vraag of eiseres verblijfsrechten kan ontlenen aan het arrest Zambrano, maar in het kader van artikel

8 van het EVRM. Over de vraag of het gewijzigde standpunt van verweerder gevolgen heeft voor verblijfsrechten ontleend aan het arrest Zambrano, heeft verweerder zich in het verweerschrift niet uitgelaten.

3.1 De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de medische behandeling van de jongste dochter van eiseres - en de noodzaak van de aanwezigheid van eiseres daarbij - een onoverkomelijk obstakel vormt om de kinderen alleen bij hun vader in Nederland te laten. De rechtbank concludeert uit de bijzondere medische omstandigheden dat de jongste dochter zodanig afhankelijk is van eiseres dat ze als gevolg van het bestreden besluit feitelijk wordt verplicht met eiseres buiten de EU te verblijven. Gelet hierop heeft verweerder een onjuist toetsingskader gehanteerd ten aanzien van de vraag of eiseres aanspraak kan maken op een verblijfsrecht in Nederland.

3.2 De stelling van verweerder ter zitting dat de jongste dochter van eiseres feitelijk niet wordt verplicht Nederland te verlaten, nu haar vader hier voor haar kan zorgen en omdat uit de medische informatie niet volgt dat de jongste dochter niet zonder haar moeder kan, kan aan het voorgaande niet afdoen. Deze stelling komt er immers op neer dat verweerder zonder nadere motivering achteraf terugkomt op zijn in het verweerschrift ingenomen standpunt.

3.3 Ook het beroep van verweerder op de uitspraken van de Afdeling van 1 november (201200665/1/V1) en 20 december 2012 (201200899/1/V1) kan niet tot een ander oordeel leiden. Die zaken zien op een andere situatie dan die in de onderhavige zaak aan de orde is. In de onderhavige zaak gaat het immers niet om een vermeende tegenstrijdigheid tussen de stelling (in het kader van het arrest Zambrano) dat de kinderen in Nederland bij hun vader kunnen blijven en de stelling dat er geen objectieve belemmeringen bestaan om het gezinsleven met alle leden buiten Nederland uit te oefenen. Het gaat hier om de in rechtsoverweging 3.2 genoemde tegenstrijdigheid waarbij verweerder in het verweerschrift heeft overwogen dat de jongste dochter niet alleen bij haar vader in Nederland kan worden achtergelaten vanwege haar medische situatie, terwijl verweerder ter zitting van het tegenovergestelde is uitgegaan.

Het feit dat dit standpunt is ingenomen in het kader van artikel 8 van het EVRM, maakt dit niet anders. Dat de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM een andere is dan in het kader van een beroep op het arrest Zambrano, maakt nog niet dat verweerder in de verschillende beoordelingen van een verschillend feitencomplex uit kan gaan.

3.4 Het beroep is gegrond. De rechtbank komt aan beoordeling van hetgeen verder is aangevoerd niet toe.

3.5 Het bestreden besluit is genomen in strijd met artikelen 3:46 en 3:2 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

4. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1416 ,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,--, en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 12/28663,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 12/28664,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/ voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 156,-- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1416,-- , te betalen aan eiseres

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J van Putten, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.V.A. Teggelaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2013.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: AT

Coll.: AEM

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.