Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19698

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28-05-2013
Datum publicatie
14-03-2016
Zaaknummer
AWB 12/15904
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Leges, langdurig ingezetene

Verweerder heeft ter zitting erkend dat ten onrechte leges zijn geheven dan wel dat de geheven leges te hoog waren en verzoekt om partiële vernietiging van het bestreden besluit en het besluit voor het resterende bedrag aan leges in stand te laten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid af had kunnen zien van het horen van eiser, aangezien er evident sprake was van een juridisch dispuut betreffende legesheffing en er geen sprake was van een uitgemaakte zaak. Verder is de rechtbank van oordeel dat zij het bestreden besluit niet partieel in stand kan laten, nu het besluit en de motivering die aan verweerders standpunt ten grondslag liggen een totaal andere is dan het standpunt dat ter zitting is ingenomen en verweerder geen standpunt op schrift heeft gesteld, geen stukken ter onderbouwing van dit standpunt heeft overgelegd en ter zitting geen antwoord kan geven op gedetailleerde vragen van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 12/15904

V-nummer: [nummer]

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 28 mei 2013 in de zaak tussen:

[eiseres1],

geboren op [geboortedag1] 1979,

[eiser],

geboren op [geboortedag2] 2009

en

[eiseres2],

geboren op [geboortedag3] 2003, allen van Egyptische nationaliteit, eisers,

gemachtigde: mr. W.P.C. de Vries, advocaat te Amsterdam,

en:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, rechtsopvolger van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.T. Toussaint, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 mei 2013. Eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Met inachtneming van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek ter zitting mondeling uitspraak gedaan. De rechtbank heeft hierbij aan partijen medegedeeld dat partijen binnen vier weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak hoger beroep kunnen instellen.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit,

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak

en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag groot € 944,-- (zegge: negenhonderdvierenveertig euro), te betalen aan eiser (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; met waarde per punt van € 472,--, wegingsfactor 1) en draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht ad € 156,-- (zegge: honderdzesenvijftig euro) te vergoeden.

Motivering

1. Aan [eiseres1] en haar kinderen [eiser] en [eiseres2] zijn verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd verleend bij besluiten van 16 november 2011, respectievelijk onder de beperking ‘verblijf bij echtgenoot [naam echtgenoot]’ en ‘gezinshereniging bij ouder [naam echtgenoot]’. De geheven leges bedragen in totaal € 800,-, te weten € 250,- voor de beide kinderen en € 300,- voor eiseres. Eisers voeren aan dat er geen leges geheven hadden mogen worden ofwel dat de geheven leges te hoog zijn. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat ten aanzien van [eiseres1] en [eiseres2] geen leges geheven hadden mogen worden en deze bedragen volledig zullen worden gerestitueerd. Verder stelt verweerder dat de geheven leges ten aanzien van [eiser] gerestitueerd zullen worden tot een bedrag van € 130,-. De proceskosten zullen door verweerder worden vergoed.

2. De rechtbank overweegt dat verweerder niet in redelijkheid af heeft kunnen zien van het horen van eiser in de bezwaarfase. Van een kennelijk ongegrond bezwaar was geen sprake. Op het moment dat de gronden van bezwaar waren ingediend was reeds evident sprake van een juridisch dispuut betreffende de legesheffing. Er was dus geen sprake van een uitgemaakte zaak. Verweerder heeft zijn standpunt dat de hoorplicht alleen zou gelden indien er een verschil van mening bestaat over het feitencomplex onvoldoende onderbouwd.

3. De rechtbank overweegt verder dat vast staat dat er ten onrechte leges zijn geheven dan wel dat de geheven leges te hoog waren. Verweerder verzoekt om partiële vernietiging van het besluit en het besluit voor het overige resterende bedrag van 130,- euro in stand te laten. De rechtbank volgt verweerder niet in dit standpunt. Het besluit en de motivering die daaraan ten grondslag ligt is een totaal andere dan verweerders standpunt dat ter zitting is ingenomen. De rechtsstrijd en de juridische argumenten zijn volledig gewijzigd. De zaak gaat nog steeds over de geheven leges, echter er zijn nieuwe argumenten en standpunten naar voren gebracht, hetgeen de gemachtigde van eiser reeds heeft aangegeven in de aanvullende gronden die hij de rechtbank heeft toegestuurd. Het thans voorliggende dispuut is nog steeds geen uitgemaakte zaak. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen nieuw besluit heeft genomen, geen verweerschrift heeft opgesteld, geen brief heeft gestuurd betreffende de recente communicatie die heeft plaatsgevonden tussen partijen onderling en geen pleitnota heeft overgelegd. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt onvoldoende stukken overgelegd en ter zitting geen antwoord kunnen geven op gedetailleerde vragen. De rechtbank is van oordeel dat haar werkzaamheden onaanvaardbaar worden bemoeilijkt doordat in een dergelijke situatie de mogelijkheid tot een goede voorbereiding van de zaak en een goede behandeling ter zitting te zeer worden beperkt. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding om het besluit partieel in stand te laten. Verweerder dient het besluit tijdig en goed te motiveren.

4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder binnen zes weken een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser en draagt verweerder op het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

mr. M. de Jong mr. R. Sipkens

griffier

rechter

afschrift verzonden op:

Conc.: MdJ

Coll.: WGS

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken na verzending van een afschrift van deze uitspraak. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.