Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19697

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-06-2013
Datum publicatie
14-03-2016
Zaaknummer
AWB 12/10470
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijstelling mvv, hiv, beschikbaarheid Atripla Ghana

Verweerder heeft zich, gezien de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2012 (LJN: BY7391), zonder nader onderzoek op het standpunt kunnen stellen dat Atripla in medisch-technische zin beschikbaar is in Ghana. Dat Atripla niet aanwezig is in Ghana, dat behandeling met Atripla daar niet plaatsvindt, dat het twee of drie weken kan duren voordat het medicijn wordt geleverd en dat er geen garanties zijn dat zich geen onderbrekingen in de levering zullen voordoen, nu alle verantwoordelijkheid voor het tijdig bestellen van de medicatie bij de vreemdeling wordt gelegd, zijn omstandigheden die door de Afdeling betrokken zijn bij de beoordeling. Dat de prijs van Atripla in Ghana zeer hoog is, kan niet leiden tot een ander oordeel. Dit is een omstandigheid die niet ziet op de beschikbaarheid in medisch-technische zin, maar op de feitelijke toegankelijkheid van de behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/10470

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedag] 1952, van Ghanese nationaliteit, eiseres,

gemachtigde: mr. B. Wegelin, advocaat te Amsterdam

en

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. Ch.R. Vink, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 24 februari 2009 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 onder de beperking “het ondergaan van een medische behandeling” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 18 mei 2010 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 4 november 2010 is het hiertegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 18 mei 2010 vernietigd.

Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 18 maart 2011 het bezwaar wederom ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 26 augustus 2011 gegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 februari 2012 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroepschrift gegrond verklaard, de uitspraak van 26 augustus 2011 vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 oktober 2012. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door [medewerker IND], werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Bij beslissing van 20 december 2012 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen hun standpunt nader toe te lichten. Eiseres heeft gereageerd bij brief van 21 januari 2013. Verweerder heeft bij brief van 4 februari 2013 zijn reactie kenbaar gemaakt. Eiseres heeft bij brief van 11 februari 2013 nog nadere stukken ingediend. Vervolgens is het onderzoek ter zitting hervat op 28 maart 2013. Eiseres en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt allereerst dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer bij uitspraak van 23 maart 2005, LJN: AT3336) een terugverwezen zaak moet worden beoordeeld en beslist binnen de grenzen van het geding, zoals dat was afgebakend in eerste aanleg, eventueel gecorrigeerd in hoger beroep en met inachtneming van de oordelen van de Afdeling aangaande de aangevoerde beroepsgronden en de te verrichten ambtshalve toetsing. De rechtbank zal zich daartoe dan ook dienen te beperken.

2.1.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

2.2.

Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 niet afgewezen wegens het ontbreken van een mvv indien het betreft de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.

2.3.

Op grond van artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000, in samenhang met artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000, kan verweerder het mvv-vereiste buiten toepassing laten voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (de hardheidsclausule).

2.4.

In paragraaf B1/4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000, zoals deze gold ten tijde van belang, dient voor de vrijstelling als bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 te worden beoordeeld of de vreemdeling, al dan niet onder voorwaarden, in staat is te reizen. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling. Hierbij wordt aangesloten bij B8/3.4 van de Vc 2000. Volgens paragraaf B8/3.4 van de Vc 2000, valt onder de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst onder andere de omstandigheid dat de behandelmogelijkheden in het land van herkomst door financiële omstandigheden worden beïnvloed.

Voorts geldt vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule volgens paragraaf B1/4.1.1 van de Vc 2000 in ieder geval voor de vreemdeling van wie de terugkeer in verband met een medische noodsituatie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

3.Vast staat dat eiseres niet in het bezit is van een mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. In geschil is de vraag of verweerder aanleiding had moeten zien om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste.

4.Verweerder heeft aan de afwijzing van de aanvraag een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) van 3 mei 2009 ten grondslag gelegd, aangevuld bij nota’s van 21 augustus 2009, 20 november 2009, 30 januari 2010, 7 april 2010 en 30 december 2010. Uit het advies en de aanvullende nota’s van het BMA blijkt het volgende. Eiseres is geïnfecteerd met het hiv-virus. Eiseres wordt hiervoor behandeld met het medicijn Atripla. Verder staat zij onder controle van een internist. Volgens het BMA zal het uitblijven van de behandeling van haar hiv-infectie leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Eiseres kan volgens het BMA reizen met gangbare vervoermiddelen. Wel dient zij de voorgeschreven medicatie mee te nemen en dient zij de beschikking te hebben over een schriftelijke overdracht van haar behandelgegevens. Verder concludeert het BMA op grond van de beschikbare informatie van dat behandeling van de klachten van eiseres in Ghana in medisch-technische zin aanwezig is.

5.De rechtbank overweegt allereerst dat een advies van het BMA aan verweerder volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraken van 8 juni 2010, LJN: BM7425 en 13 oktober 2010, LJN: BO0794) is aan te merken als een deskundigenadvies. Volgens deze jurisprudentie moet verweerder, indien hij een BMA-advies - waaronder inbegrepen eventueel nadien uitgebrachte nota’s - aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich op grond van artikel 3:2 van de Awb ervan vergewissen dat dit advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder in beginsel van dit advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies.

6.Met betrekking tot de vraag of, en zo ja, onder welke voorwaarden eiseres kan reizen als bedoeld in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft aangevoerd dat onduidelijk is, of het BMA van oordeel is dat fysieke dan wel schriftelijke overdracht noodzakelijk is. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt voldoende uit de aanvullende nota van 30 januari 2010 dat het BMA van oordeel is dat in dit geval een schriftelijke overdracht geïndiceerd is. Zoals al hiervoor is overwogen, is het BMA-advies een deskundigenbericht waar verweerder in beginsel bij de besluitvorming vanuit mag gaan. Niet is gebleken dat de aanvullende nota van 30 januari 2010 onzorgvuldig tot stand is gekomen of onvoldoende inzichtelijk en concludent is. Ook van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van deze aanvullende nota is niet gebleken. Hetgeen eiseres op dit onderdeel heeft aangevoerd is daartoe onvoldoende. De rechtbank laat daarbij buiten beschouwing hetgeen door eiseres op dit onderdeel is aangevoerd na de vernietiging door de Afdeling van de uitspraak van 26 augustus 2011, met name het rapport van door de rechtbank benoemde deskundige prof. dr. J.M. Prins dat in een aantal vergelijkbare zaken is uitgebracht. De rechtbank dient de zaak immers te beoordelen binnen de grenzen van het geding zoals dat was afgebakend in eerste aanleg, zoals al hiervoor onder 1. is overwogen. Het rapport van prof. dr. Prins valt buiten deze grenzen. Deze beroepsgrond van eiseres faalt.

7.Met betrekking tot het beroep op de hardheidsclausule geldt allereerst dat tussen partijen vast staat dat bij uitblijven van de behandeling van eiseres een medische noodsituatie zal ontstaan. Zij zijn echter verdeeld over de vraag of de benodigde behandeling in Ghana beschikbaar is.

8.1.

Niet is in geschil dat in Ghana patiënten met hiv worden behandeld met andere medicijnen dan Atripla. Evenmin is in geschil dat Atripla in Ghana slechts kan worden besteld via de private apotheek Rock Chemist te Accra. De Afdeling heeft in zijn uitspraak van 13 december 2012 (LJN: BY7391) geoordeeld dat onder deze omstandigheden verweerder zich zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat Atripla in medisch-technische zin beschikbaar is.

8.2.

Eiseres heeft naar aanleiding van deze uitspraak aangevoerd dat Atripla niet aanwezig is in Ghana en dat behandeling met Atripla daar niet plaatsvindt. Verder heeft eiseres erop gewezen dat het twee of drie weken kan duren voordat het medicijn wordt geleverd en dat er geen garanties zijn dat zich geen onderbrekingen in de levering zullen voordoen, nu alle verantwoordelijkheid voor het tijdig bestellen van de medicatie bij de vreemdeling wordt gelegd. Deze omstandigheden zijn door de Afdeling reeds betrokken bij de beoordeling. Daarin is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen reden gelegen om anders te oordelen dan de Afdeling heeft gedaan.

8.3.

Ook de door eiseres aangevoerde omstandigheid dat de prijs van Atripla in Ghana zeer hoog is, kan niet leiden tot een ander oordeel. Verwezen wordt naar paragraaf B8/3.4 van de Vc 2000, zoals hiervoor geciteerd. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder andere de uitspraak van 6 april 2009, LJN: BI1582) is de prijs die is verbonden aan een behandeling een omstandigheid die niet ziet op de beschikbaarheid in medisch-technische zin, maar op de feitelijke toegankelijkheid van de behandeling.

8.4.

Eiseres heeft in dit kader verder aangevoerd dat de aanvullende nota van 30 december 2010 is opgesteld door een stafmedewerker, die niet-medisch geschoold is en derhalve niet als deskundige valt aan te merken. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit niet tot het oordeel dat de aanvullende nota reeds hierom niet zorgvuldig tot stand is gekomen en niet had mogen worden betrokken bij de besluitvorming. In deze nota is geen nieuw medisch standpunt ingenomen en geen medische kwalificatie gegeven, maar is slechts het eerder ingenomen standpunt van het BMA over de beschikbaarheid van het medicijn nader verklaard. Ook op dit onderdeel faalt het betoog van eiseres.

8.5.

De conclusie is dat verweerder zich, gezien de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2012, zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat Atripla in medisch-technische zin beschikbaar is in Ghana.

9.Een tweede punt van geschil met betrekking tot de hardheidsclausule betreft de vraag of viral load-controles beschikbaar zijn in Ghana. Blijkens de BMA-adviezen en de daaraan ten grondslag liggende brondocumenten zijn viral load-controles beschikbaar op twee plaatsen in Ghana. Dit heeft eiseres ook niet betwist. Wel heeft eiseres aangevoerd dat één van de machines niet bruikbaar zou zijn volgens een arts ter plaatse en dat de kosten van viral load-controles hoog zijn. Naar het oordeel van de rechtbank doet hetgeen eiseres heeft aangevoerd niet af aan de vaststelling door het BMA dat de viral load-controles in medisch-technische zin beschikbaar zijn. Daarvoor is immers in beginsel voldoende dat de behandeling ergens in het land van herkomst wordt aangeboden. De prijs van de behandeling is, zoals reeds hiervoor is overwogen, een omstandigheid die de feitelijke toegankelijkheid betreft. Verweerder heeft zich dan ook onder verwijzing naar het BMA-advies op het standpunt kunnen stellen dat ook viral load-controles in medisch-technische zin beschikbaar zijn in Ghana.

10.Ter onderbouwing van haar beroep op de hardheidsclausule heeft eiseres verder aangevoerd dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat het vasthouden aan het mvv-vereiste zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in het bestreden besluit in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van dergelijke omstandigheden onvoldoende is gebleken. Daarnaast heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het beroep op bescherming van het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) onvoldoende is gemotiveerd.

11.Eiseres heeft tot slot naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2012 aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met de omstandigheid dat Ghanese artsen geen ervaring hebben met Atripla. Ook heeft zij zich op het standpunt gesteld dat resistentietesten een noodzakelijk onderdeel vormen van de behandeling en dat het BMA daar ten onrechte geen aandacht aan heeft besteed. Daarnaast heeft eiseres een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar een aantal andere zaken van hiv-patiënten en een beroep gedaan op artikel 3 van het EVRM. Ten slotte heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat het BMA onethisch dan wel tuchtrechtelijk laakbaar handelt door te adviseren dat vreemdelingen terug kunnen naar een land waar zij geen behandeling kunnen krijgen voor hun hiv-infectie. Naar het oordeel van de rechtbank vallen al deze beroepsgronden buiten de grenzen van het geschil zoals dat thans voorligt. Het betreft beroepsgronden die dateren van na de eerdere terugverwijzing door de Afdeling en die niet zijn te herleiden tot de gronden van beroep zoals deze eerder voorlagen. Wat betreft de beroepsgrond dat het BMA onethisch dan wel tuchtrechtelijk laakbaar handelt is bovendien van belang dat die vraag in deze procedure niet voorligt, zoals ook door eiseres is erkend in de brief van 21 januari 2013.

12.Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond.

13.Nu het beroep ongegrond wordt verklaard ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, voorzitter, en mrs. C.W.M. Giesen en

A.J. van Putten, rechters, in aanwezigheid van L. Fernández Ferreiro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2013.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: LFF

Coll.: FW

D: C

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.