Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19660

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-06-2013
Datum publicatie
02-03-2015
Zaaknummer
AWB 13/3002
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Besluit opnieuw hangende beroep ingetrokken, beroep niet-tijdig gegrond, dwangsom € 250 per dag, voor eerder verbeurde dwangsom moet eiser naar burgerlijke rechter

De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden. Nu na de eerdere intrekking reeds een dwangsom van € 100 per dag, met een maximum van € 15.000 is opgelegd, ziet de rechtbank aanleiding de hoogte van de dwangsom nu te bepalen op € 250 per dag, met een maximum van € 37.500.

Ten aanzien van de door de rechtbank eerder opgelegde dwangsom oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 januari 2013 (LJN: BY7986) volgt dat aan de bestuursrechter geen bevoegdheid is toegekend om verweerder te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank aan haar uitspraak verbonden dwangsom. De rechtbank zal zich dan ook in zoverre onbevoegd verklaren om van het beroep kennis te nemen. Ter beslechting van een geschil over de verschuldigdheid van de desbetreffende dwangsom kan eiser zich tot de burgerlijke rechter wenden.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 13/3002

V-nr: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1985, van Turkse nationaliteit, eiser,

gemachtigde mr. A.H.A. Kessels, advocaat te Amsterdam,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde mr. E. de Jong, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2013 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 12 februari 2011 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 31 januari 2013 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2013. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

Verweerder heeft eerder bij besluit van 9 juli 2012 afwijzend op eisers aanvraag beslist. Hangende het daartegen door eiser ingestelde beroep heeft verweerder dit besluit bij brief van 3 december 2012 ingetrokken. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag bij uitspraak van 5 december 2012 (AWB 12/24348) gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen vier weken na dagtekening van de uitspraak een nieuw besluit te nemen, onder verbeurte van een dwangsom. Vervolgens heeft verweerder op 30 januari 2013 het bestreden besluit genomen.

1.2

Verweerder heeft het bestreden besluit bij brief van 18 juni 2013 ingetrokken. Eiser heeft de rechtbank bij brief van 20 juni 2013 verzocht het beroep op te vatten als een beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag en verweerder op te dragen binnen twee weken een nieuw besluit te nemen onder verbeurte van een dwangsom. Verweerder heeft bij brief van dezelfde datum verzocht om een beslistermijn van zes weken. Indien er aanleiding zou zijn een nieuw voornemen uit te brengen, heeft verweerder verzocht om een termijn van drie weken voor het voornemen, en vervolgens een termijn van een week na ontvangst van de zienswijze voor het besluit.

2.1

Nu het bestreden besluit dateert van 30 januari 2013, is op het beroep de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing zoals deze geldt sinds 1 januari 2013.

2.2

Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld.

2.3

Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover van belang, kan het beroepschrift worden ingediend zodra:

a.

. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en

b.

. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.

Op grond van het derde lid kan, indien redelijkerwijs niet van de belanghebbende kan worden gevergd dat hij het bestuursorgaan in gebreke stelt, het beroepschrift worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen.

2.4

Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, voor zover van belang, heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

2.5

Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb, bepaalt de bestuursrechter, indien het beroep gegrond is en nog geen besluit is bekendgemaakt, dat het bestuursorgaan binnen twee weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit bekendmaakt.

Op grond van het tweede lid, voor zover van belang, verbindt de bestuursrechter aan zijn uitspraak een nadere dwangsom voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven.

Op grond van het derde lid kan de bestuursrechter in bijzondere gevallen of indien de naleving van andere wettelijke voorschriften daartoe noopt, een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen.

2.6

Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000, voor zover van belang, beslist het bestuursorgaan binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Deze termijn kan op grond van artikel 42, vierde lid, dan wel artikel 43 van de Vw 2000 worden verlengd.

3. De rechtbank stelt vast dat verweerder de beslistermijn niet heeft verlengd. Dit betekent dat verweerder uiterlijk op 12 augustus 2011 op de aanvraag had moeten beslissen. Nu verweerder het bestreden besluit heeft ingetrokken, constateert de rechtbank dat de beslistermijn is overschreden. Verweerder heeft dit ook erkend. De rechtbank is voorts van oordeel dat, gelet op de intrekking van het besluit hangende beroep, van eiser niet kon worden gevergd verweerder in gebreke te stellen.

4. Dit betekent dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is.

5. De rechtbank zal verweerder opdragen alsnog een besluit te nemen op de aanvraag. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat één van de redenen om het besluit in te trekken is dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel opnieuw beoordeeld dient te worden. Nu al in de aanvullende gronden van beroep van 24 september 2012 een beroep op het gelijkheidsbeginsel is gedaan, ook de intrekking van het besluit van 9 juli 2012 samenhing met een herbeoordeling van het beroep op het gelijkheidsbeginsel en verweerder niet heeft kunnen toelichten wat de eventuele andere aspecten zijn die opnieuw beoordeeld moeten worden, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding een langere termijn te bepalen dan is voorzien in artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb. De rechtbank zal wel rekening houden met de mogelijkheid dat verweerder zich genoodzaakt ziet eerst een nieuw voornemen uit te brengen. Dit betekent dat de rechtbank verweerder op grond van artikel 8:55d, eerste en derde lid, zal opdragen binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag te nemen, dan wel binnen een week na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw voornemen uit te brengen. In dat laatste geval zal de rechtbank verweerder eveneens opdragen binnen een week na ontvangst van de zienswijze alsnog een besluit op de aanvraag te nemen.

6. De rechtbank bepaalt voorts met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag waarmee de hiervoor genoemde termijn wordt overschreden. Nu na de eerdere intrekking reeds bij uitspraak van 5 december 2012 een dwangsom van € 100,-- per dag, met een maximum van € 15.000,--, is opgelegd, ziet de rechtbank aanleiding de hoogte van de dwangsom nu te bepalen op € 250,-- per dag, met een maximum van € 37.500,--.

7. Eiser heeft de rechtbank verzocht de dwangsom vast te stellen die verweerder aan hem is verschuldigd. Voor zover eiser hiermee heeft gedoeld op de door de rechtbank in de uitspraak van 5 december 2012 opgelegde dwangsom, oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 januari 2013 (LJN: BY7986) volgt dat aan de bestuursrechter geen bevoegdheid is toegekend om verweerder te veroordelen tot betaling van een door de rechtbank aan haar uitspraak verbonden dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d van de Awb. De rechtbank zal zich dan ook in zoverre onbevoegd verklaren om van het beroep kennis te nemen. Ter beslechting van een geschil over de verschuldigdheid van de desbetreffende dwangsom kan eiser zich tot de burgerlijke rechter wenden.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 472,-- (1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 472,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag gegrond;

- draagt verweerder op binnen twee weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een nieuw besluit op de aanvraag te nemen, dan wel binnen een week na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw voornemen uit te brengen en binnen een week na ontvangst van de zienswijze een nieuw besluit op de aanvraag te nemen;

- bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 250,-- verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,--;

- verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen, voor zover daarbij is verzocht verweerder te veroordelen tot betaling van het maximum van de door de rechtbank aan de aangevallen uitspraak verbonden nadere dwangsom;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 472,--, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van A.M. Bos, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2013.

griffier

rechter

de griffier is buiten staat de

uitspraak mede te ondertekenen

Conc.: HS

Coll.: AEM

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's‑Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.