Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19643

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
29-10-2014
Zaaknummer
13/23079
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank vat eisers betoog dat verweerder hem in de gelegenheid had moeten stellen terug te keren naar Italië op als een beroep op artikel 62a, derde lid, van de Vw 2000. Dit beroep slaagt. Met de door hem overgelegde stukken heeft eiser aannemelijk gemaakt dat het hem op grond van een rechterlijke uitspraak is toegestaan in Italië te verblijven. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder de inhoudelijke juistheid van deze stukken en de daarop door eiser gegeven toelichting niet betwist en dat verweerder evenmin in twijfel trekt dat deze stukken zien op eiser. Een redelijke uitleg van artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 brengt mee dat de Italiaanse rechterlijke uitspraak in de zaak van eiser wordt aangemerkt als een andere toestemming tot verblijf in de zin van deze bepaling. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat een Nederlandse rechterlijke uitspraak die inhoudt dat een vreemdeling de uitspraak op zijn beroep in Nederland mag afwachten in beginsel rechtmatig verblijf in Nederland oplevert en dat verweerder ook na schorsing van het onderzoek ter zitting niet heeft onderbouwd waarom dat in Italië anders zou zijn.

De rechtbank ziet aanleiding om eiser een schadevergoeding toe te kennen, met dien verstande dat grond bestaat voor matiging van deze vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: AWB 13/23079,[nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 september 2013 in de zaak tussen

[eiser]

gemachtigde: mr. P.C.M. van Schijndel,

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. E. de Jong.

Procesverloop

Verweerder heeft eiser op 1 september 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld.

Bij faxbericht van 4 september 2013 heeft eiser beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring.

De zaak is op 13 september 2013 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Voorts is ter zitting verschenen J.C. Ingenhoes, tolk.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en eiser in de gelegenheid gesteld nadere stukken over te leggen.

Bij faxbericht van 16 september 2013 heeft eiser stukken overgelegd.

Bij faxberichten van 18 september 2013 heeft verweerder gereageerd op het faxbericht van eiser en heeft hij de rechtbank toestemming verleend om zonder nadere zitting uitspraak te doen op zijn beroep.

Bij faxbericht van 19 september 2013 heeft eiser deze toestemming eveneens verleend, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) stelt Onze Minister de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen, tenzij de vreemdeling in bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf.

Op grond van het derde lid van dit artikel wordt de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, opgedragen zich onmiddellijk naar het grondgebied van de betrokken lidstaat te begeven. Indien dit bevel niet wordt nageleefd of indien om redenen van openbare orde of nationale veiligheid het onmiddellijke vertrek van vreemdeling is vereist, wordt tegen de vreemdeling een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

2. De rechtbank vat eisers betoog dat verweerder hem in de gelegenheid had moeten stellen terug te keren naar Italië op als een beroep op artikel 62a, derde lid, van de Vw 2000. Dit beroep slaagt. Met de door hem overgelegde stukken heeft eiser aannemelijk gemaakt dat het hem op grond van een rechterlijke uitspraak is toegestaan in Italië te verblijven. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat verweerder de inhoudelijke juistheid van deze stukken en de daarop door eiser gegeven toelichting niet betwist en dat verweerder evenmin in twijfel trekt dat deze stukken zien op eiser. Een redelijke uitleg van artikel 62a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 brengt mee dat de Italiaanse rechterlijke uitspraak in de zaak van eiser wordt aangemerkt als een andere toestemming tot verblijf in de zin van deze bepaling. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat een Nederlandse rechterlijke uitspraak die inhoudt dat een vreemdeling de uitspraak op zijn beroep in Nederland mag afwachten in beginsel rechtmatig verblijf in Nederland oplevert en dat verweerder ook na schorsing van het onderzoek ter zitting niet heeft onderbouwd waarom dat in Italië anders zou zijn. Het betoog van verweerder in het faxbericht van 18 september 2013 dat de terugkeerrichtlijn niet van toepassing is op eiser laat onverlet dat hij een geslaagd beroep kan doen op artikel 62a, derde lid, van de Vw 2000. Hetzelfde geldt voor verweerders argument dat eiser geen verblijfsvergunning meer heeft in Italië, nu ook een andere toestemming tot verblijf kan leiden tot een geslaagd beroep op artikel 62a, derde lid, van de Vw 2000. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van redenen van openbare orde of nationale veiligheid als bedoeld in artikel 62a, derde lid, van de Vw 2000. Verweerder had eiser dan ook moeten opdragen onmiddellijk naar Italië te vertrekken in plaats van hem in bewaring te stellen.

3. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring bevelen.

4. De rechtbank ziet aanleiding om eiser een schadevergoeding toe te kennen, met dien verstande dat grond bestaat voor matiging van deze vergoeding.

Na zijn strafrechtelijke aanhouding en voorafgaand aan zijn inbewaringstelling heeft eiser verklaard in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning voor Italië. Eiser kon deze verblijfsvergunning echter niet tonen. Verweerder heeft vervolgens navraag gedaan bij het Gemeenschappelijk Grens Coördinatiecentrum, waaruit bleek dat de Italiaanse verblijfsvergunning van eiser is verlopen op 3 juli 2013. Nu eiser geen papieren bij zich had waaruit bleek dat hij in Italië mocht verblijven en zijn stelling dat hij in het bezit was van een verblijfsvergunning voor Italië door verweerder is onderzocht en onjuist bevonden, treft verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen verwijt van de achteraf bezien onrechtmatige inbewaringstelling van eiser en ligt deze in de risicosfeer van eiser. Ter zitting heeft eiser nadere stukken overgelegd en toegelicht dat hij niet op grond van een verblijfsvergunning, maar een rechterlijke uitspraak in Italië mag verblijven. Aan de hand van die stukken had verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen en moeten vaststellen dat eiser opgedragen had moeten worden onmiddellijk naar Italië terug te keren in plaats van hem in bewaring te stellen. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om eiser uitsluitend schadevergoeding toe te kennen over de periode vanaf 13 september 2013. Gelet op het normbedrag van € 80,- per dag detentie in een huis van bewaring heeft eiser recht op een schadevergoeding van € 480,-.

5. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 944,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 472,- en wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet dit bedrag worden betaald aan zijn gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent eiser een schadevergoeding toe van € 480,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 944,- ten behoeve van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan de gemachtigde van eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van C. Groenewegen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 september 2013.

griffier rechter

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen 1 week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Raad van State.