Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2013:19639

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
20-12-2013
Datum publicatie
07-10-2014
Zaaknummer
AWB 13/5046
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van het onderhavige beroep betreffende de afwijzing van zijn asielaanvraag, nu aan hem al eerder - en onherroepelijk - een inreisverbod voor de duur van 10 jaar is opgelegd. De rechtbank acht in dit kader de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) van belang. De rechtbank is van oordeel dat uit voormelde uitspraak volgt dat eiser geen procesbelang heeft, nu dat nimmer kan leiden tot de door eiser beoogde verblijfsvergunning. Gelet op artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 kan eiser immers geen rechtmatig verblijf hebben. De enige uitzonderingen hierop zijn de situatie dat verweerder nog niet heeft beslist op de door de vreemdeling ingediende asielaanvraag en de situatie dat de vreemdeling in afwachting is van de formele indiening van een dergelijke aanvraag. Beide situaties zijn in het onderhavige geval niet van toepassing. Eiser dient derhalve eerst te verzoeken om opheffing van het aan hem opgelegde inreisverbod. Uit voormelde uitspraak van de Afdeling volgt dat pas wanneer het inreisverbod wordt ingetrokken, herroepen, opgeheven of vernietigd, de toetsing in rechte van de afwijzing van de asielaanvraag aan de orde kan komen. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 13/5046 (beroep asiel)

V-nr: [nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen

[naam],

geboren op [geboortedatum], van Marokkaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. E. van Kempen, advocaat te Amsterdam,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2013 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Tegen dit besluit heeft eiser bij beroepschrift van 21 februari 2013 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van dezelfde datum heeft eiser verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Bij uitspraak van 22 maart 2012 heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen en bepaald dat verweerder wordt verboden eiser uit te zetten tot vier weken nadat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1.1 Eiser is in december 1998 in het bezit van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf Nederland binnengekomen. Sinds 29 maart 1999 beschikte hij over afhankelijk verblijfsrecht bij ouders. Op 12 september 2008 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘voortgezet verblijf’.

1.2 Op 19 juli 2012 is door de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) een individueel ambtsbericht inzake eiser uitgebracht. De AIVD acht eiser een gevaar voor de nationale veiligheid. Bij besluit van 1 oktober 2012 is de aan eiser verleende verblijfsvergunning ingetrokken en is aan eiser een inreisverbod voor de duur van twintig jaren opgelegd. Het inreisverbod is opgelegd op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. In het besluit is voorts vermeld dat de toepassing van de grond ‘gevaar voor de nationale veiligheid’ tevens inhoudt dat artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 van toepassing is. Eiser heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte is komen vast te staan en thans onherroepelijk is.

1.3 Op 23 januari 2013 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend.

Beoordeling

2.

Op grond van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan de vreemdeling jegens wie een inreisverbod geldt, in afwijking van het zesde lid en artikel 8 en met uitzondering van het rechtmatig verblijf van de vreemdeling die een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 heeft ingediend zolang op die aanvraag nog niet is beslist, geen rechtmatig verblijf hebben, in geval de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister (lees verweerder) een ernstige bedreiging vormt als bedoeld in het vierde lid (zijnde een ernstige bedreiging voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid).

3.

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van het onderhavige beroep betreffende de afwijzing van zijn asielaanvraag.

3.1

Partijen hebben zich in dit kader op de volgende standpunten gesteld.

3.1.1

Verweerder meent dat eiser wel procesbelang heeft bij het onderhavige beroep, omdat hij in de huidige regelgeving de bevoegdheid heeft ambtshalve het inreisverbod op te heffen, als een vreemdeling een asielaanvraag indient en hij voldoet aan de voorwaarden voor verlening van deze vergunning. Er is dus een rechtstreeks verband tussen een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel en de beslissing daarop, en de ambtshalve beslissing van verweerder tot opheffing van het inreisverbod. Verweerder verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 8 december 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BK6180), die zag op een beslissing omtrent de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet (de Ranov) ten aanzien van een ongewenst verklaarde vreemdeling. In die zaak is procesbelang aangenomen, omdat bij de Ranov een rechtstreeks verband bestond tussen het ambtshalve doen van een aanbod en het opheffen van de ongewenstverklaring, in die zin dat de aanvaarding van een aanbod tevens werd beschouwd als een verzoek om opheffing van de ongewenstverklaring.

3.1.2

Eiser meent ook dat hij procesbelang heeft. Hij acht het niet inhoudelijk beoordelen van het onderhavige beroep in strijd met het recht van de Europese Unie (EU)/Raad van Europa, ten eerste omdat hij dan - kort gezegd - geen effectief en daadwerkelijk rechtsmiddel heeft. Eiser wijst op artikel 13 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 39 van de Richtlijn 2005/58/EG (de Procedurerichtlijn), artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU en het nieuwe artikel 46 van de Herziene Procedurerichtlijn (2013/32/EU), waarvan de implementatietermijn nog niet is verstreken. Daarnaast wijst eiser op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 16 januari 2013 (ECLI:NL:RBSHE:2013:BY8843). In voormelde uitspraak is het aannemen van procesbelang volgens eiser gebaseerd op de beslispraktijk van verweerder waarbij een verzoek tot internationale bescherming, ondanks het bestaan van een inreisverbod, wel inhoudelijk wordt beoordeeld en op artikel 7 van de Procedurerichtlijn, waaruit volgt dat asielzoekers in een lidstaat mogen blijven totdat een beslissing op hun asielverzoek is genomen. Daarnaast verwijst hij naar het arrest van het Hof van Justitie van de EU (het Hof) van 30 mei 2013 inzake Mehmet Arslan (C-534/11, JV 2013/248). Uit rechtsoverweging 49 van dat arrest volgt dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is op asielzoekers in het tijdvak tussen de indiening van het asielverzoek en de vaststelling van de beslissing in eerste aanleg over dat verzoek of, in voorkomend geval, de beslechting van het eventuele beroep tegen die beslissing. Het beroep mag volgens eiser derhalve worden afgewacht. Een inreisverbod kan dan ook niet worden opgelegd of werking hebben, of de werking daarvan moet door het asielberoep geacht te zijn doorbroken zolang op dat asielberoep niet is beslist. Eiser stelt zich - subsidiair - op het standpunt dat de rechtbank het asielverzoek moet aanmerken als een verzoek tot opheffing van het inreisverbod wegens strijd met het refoulement-verbod en dat het asielberoep is gericht tegen de weigering van verweerder om het inreisverbod op te heffen en eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning asiel.

3.2

De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft bij onderhavig beroep. De rechtbank acht in dit kader de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) van belang, waarin de Afdeling het volgende overweegt.

4.2.

Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 66a van de Vw 2000 (Kamerstukken II 2010/11 32 420, nr. 9, blz. 5) blijkt dat de wetgever met het zevende lid heeft beoogd te waarborgen dat de rechtsgevolgen van een inreisverbod voor het rechtmatig verblijf vergelijkbaar zijn met de gevolgen voor het rechtmatig verblijf in geval de desbetreffende vreemdeling ongewenst zou zijn verklaard en mogelijk te maken dat de staatssecretaris een inreisverbod met de in het zevende lid bedoelde rechtsgevolgen kan uitvaardigen in vergelijkbare gevallen als waarin hij krachtens artikel 67, eerste lid, onder b tot en met e, van de Vw 2000 een vreemdeling ongewenst kan verklaren. Uit de uitspraak van de Afdeling van 25 juni 2012 in zaak nr. 201103520/1/V3 (http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=69233&summary_only=) volgt dat daarvan uitgezonderd is een vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend, zolang op die aanvraag nog niet is beslist, en een vreemdeling die in afwachting is van de formele indiening van een dergelijke aanvraag. Op vorenstaande uitzonderingen na heeft een vreemdeling tegen wie de staatssecretaris een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 heeft uitgevaardigd, dus geen rechtmatig verblijf.

4.3.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 22 juli 2010 in zaak nr. 201001769/1/V2 (http://www.raadvanstate.nl/uitspraken/zoeken-in-uitspraken/tekst-uitspraak.html?id=47125&summary_only=) heeft een ongewenst verklaarde vreemdeling, zolang de ongewenstverklaring voortduurt, geen belang bij beoordeling van een beroep tegen een besluit tot afwijzing van een aanvraag tot verlening of verlenging van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning, dan wel intrekking van zodanige vergunning. Het onder 4.2. overwogene brengt met zich dat een vreemdeling tegen wie de staatssecretaris een inreisverbod met de rechtsgevolgen bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 heeft uitgevaardigd, zolang dat inreisverbod voortduurt, evenmin belang heeft bij beoordeling van een dergelijk beroep. Dat beroep kan immers nimmer leiden tot de door die vreemdeling beoogde verblijfsvergunning. Of de desbetreffende vreemdeling voldoet aan de vereisten voor verlening van een verblijfsvergunning, kan ten volle in het kader van de toetsing van dat inreisverbod aan de orde worden gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat uit voormelde overwegingen volgt dat eiser geen procesbelang heeft bij het onderhavige beroep, nu dat nimmer kan leiden tot de door eiser beoogde verblijfsvergunning. Gelet op artikel 66a, zevende lid, van de Vw 2000 kan eiser immers geen rechtmatig verblijf hebben. De enige uitzonderingen hierop zijn de situatie dat verweerder nog niet heeft beslist op de door de vreemdeling ingediende asielaanvraag en de situatie dat de vreemdeling in afwachting is van de formele indiening van een dergelijke aanvraag. Beide situaties zijn in het onderhavige geval niet van toepassing. Eiser dient derhalve eerst te verzoeken om opheffing van het aan hem opgelegde inreisverbod. Uit voormelde uitspraak van de Afdeling volgt dat pas wanneer het inreisverbod wordt ingetrokken, herroepen, opgeheven of vernietigd, de toetsing in rechte van de afwijzing van de asielaanvraag aan de orde kan komen. Indien het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag op dat moment al in rechte onaantastbaar is geworden, dient de vreemdeling verweerder te verzoeken dat besluit te heroverwegen dan wel een nieuwe asielaanvraag in te dienen, waarbij het zogenaamde ‘ne bis in idem-beoordelingskader’ niet van toepassing is.

3.3

De rechtbank volgt niet het standpunt van verweerder en diens verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2009, nu die uitspraak dateert van vóór de hierboven vermelde uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013 en de Afdeling in laatstgenoemde uitspraak die redenering niet heeft gevolgd.

3.4

De rechtbank volgt evenmin het betoog van eiser dat het niet inhoudelijk beoordelen van onderhavig beroep in strijd is met Europees recht. Ten eerste volgt uit artikel 7, eerste lid, van de Procedurerichtlijn slechts dat - samengevat weergegeven - een asielzoeker in de lidstaat mag blijven totdat de beslissingsautoriteit in eerste aanleg een beslissing op het asielverzoek heeft genomen. Daaruit volgt niet dat ook het beroep tegen de afwijzing van een asielaanvraag mag worden afgewacht. Dat volgt evenmin uit het arrest van het Hof inzake Mehmet Arslan. In rechtsoverweging 47 is namelijk overwogen dat artikel 39 van de Procedurerichtlijn iedere lidstaat de mogelijkheid biedt om het in artikel 7, eerste lid, genoemde recht om te mogen blijven uit te breiden, door te bepalen dat het instellen van beroep tegen een beslissing in eerste aanleg meebrengt dat de asielzoeker de uitkomst daarvan in de lidstaat mag afwachten. De Nederlandse overheid heeft van die mogelijkheid tot uitbreiding echter geen gebruik gemaakt. De zinsnede in rechtsoverweging 49 van het arrest ‘of, in voorkomend geval, de beslechting van het eventuele beroep tegen die beslissing’, ziet op de situatie dat een lidstaat van de mogelijkheid tot uitbreiding wel gebruik heeft gemaakt en is voor Nederland dus niet van toepassing. Daarnaast volgt uit de in overweging 3.2 genoemde Afdelingsjurisprudentie dat de asielgerelateerde aspecten, en met name het door eiser ingeroepen refoulement-verbod, bij het verzoek om opheffing van het inreisverbod aan de orde kunnen komen. Eiser kan derhalve wel degelijk een rechterlijk oordeel verkrijgen over artikel 3 van het EVRM en over vluchtelingrechtelijke bescherming, doch niet in onderhavige procedure. De rechtbank volgt daarom evenmin de stelling van eiser dat hij - bij niet inhoudelijke beoordeling van het asielberoep - geen daadwerkelijk rechtsmiddel heeft zoals bedoeld in artikel 39 van de Procedurerichtlijn, artikel 13 van het EVRM en artikel 46 van de Herziene Procedurerichtlijn. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen.

3.5

De rechtbank volgt tot slot evenmin het betoog van eiser dat de asielaanvraag moet worden gezien als een verzoek om opheffing van het aan eiser in oktober 2012 opgelegde inreisverbod. De rechtbank overweegt daartoe dat de asielaanvraag namens eiser werd gedaan door zijn gemachtigde en dat in niet mis te verstane bewoordingen asiel is aangevraagd. Uit het rapport nader gehoor van 31 januari 2013 blijkt voorts dat eiser kennelijk bewust en na raadpleging van zijn advocaat geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de oplegging van het inreisverbod, terwijl zijn asielmotieven blijkbaar ook toen al aanwezig waren. Ook is de jurisprudentie ten aanzien van een zwaar inreisverbod en het procesbelang niet wezenlijk gewijzigd ten opzichte van hetgeen geldend was onder de ongewenstverklaring, zodat niet kan worden aangenomen dat bij eiser en zijn gemachtigde met betrekking tot de te volgen procedure onduidelijkheid bestond.

De rechtbank is gegeven vorenstaande feiten en omstandigheden van oordeel dat het onderhavige asielverzoek niet zodanig extensief kan worden opgevat dat dit tevens moet worden aangemerkt als een verzoek om opheffing van het inreisverbod.

4.

Gelet op al het voorgaande, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank,

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Sipkens, voorzitter, en mrs. M.J. van den Bergh en A.E.J.M. Gielen, rechters, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2013.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: EK

Coll.: GL

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.